Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BT7112

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-10-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
03-880006-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet.

Bedrijfsongeval met dodelijke afloop ten gevolge van explosie. De werkgever heeft nagelaten voorafgaande aan verfspuitwerkzaamheden in de voorpiek van een duwbak, onderzoek te verrichten naar de veiligheid van haar werknemers. De werkgever kon vermoeden dat bij die werkzaamheden in de besloten ruimte van de voorpiek een explosief mengsel kon ontstaan. De werkgever had redelijkerwijs moeten weten dat door geen veiligheidsonderzoek te verrichten levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/880006-11

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 10 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

gevestigd te [adresgegevens verdachte].

De verdachte is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de heer [J.H. van de G.], geboren op [geboortegegevens J.H. van de G.], wonende te [adresgegevens J.H. van de G.]. Raadsman is mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 september 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: als werkgeefster een of meer werknemers in de voorpiek van de duwbak

’s-Gravenland verfspuitwerkzaamheden heeft laten verrichten en vermoed kon worden dat de atmosfeer in die ruimte een explosief mengsel van verf en oplosmiddelenhoudende thinner bevatte, zonder vooraf, zoals voorgeschreven in artikel 3.5g van het Arbeidsomstandighedenbesluit, onderzoek te verrichten waaruit bleek dat dit zonder gevaar mogelijk was,

terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat daardoor voor die werknemers levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid kon ontstaan en/of te verwachten was;

subsidiair: als werkgeefster vorenbedoeld voorschrift 3.5g niet heeft nageleefd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat uit het dossier blijkt dat het voor [naam slachtoffer] fatale bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden omdat verschillende veiligheidsvoorschriften niet werden nageleefd en degenen die op de naleving van die veiligheidsvoorschriften behoorden toe te zien niet hebben ingegrepen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gehele tenlastelegging vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft hij naar voren gebracht dat verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ontstaan van een situatie waarin sprake was van levensgevaar en/of gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid van een of meer van haar werknemers. Zo is er geen sprake geweest van het stelselmatig niet in acht nemen van de veiligheidsvoorschriften, noch van het omzeilen van de beveiligingen.

Evenmin is sprake van een gebrekkige veiligheidsstructuur en zijn juist de nodige maatregelen in het bedrijf met het oog op de veiligheid getroffen, zodat niet kan worden geconcludeerd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was. Om dezelfde reden hoefde verdachte dat redelijkerwijs ook niet te vermoeden.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat de overtreding niet aan verdachte kan worden toegerekend, aangezien de situatie waarin het bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden niet past binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte. Het tenlastegelegde artikel 3.5g van het Arbeidsomstandighedenbesluit richt zich mede op de werknemer als normadressaat. Verdachte heeft er alles aan gedaan om de tenlastegelegde gedraging te voorkomen door deskundige leiding aan te stellen en het benodigde veilige werkmateriaal ter beschikking te stellen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 7 oktober 2009 heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden in de voorpiek van een duwbak genaamd “’s-Gravenland”, gelegen in de haven van Stein.

Het betrof een explosie in de voorpiek, waarbij een Poolse werknemer, [naam slachtoffer], ernstige brandwonden heeft opgelopen. Op 10 november 2009 is [naam slachtoffer] als gevolg van dit bedrijfsongeval overleden. De getuige [naam getuige 1], een collega van het slachtoffer [naam slachtoffer], heeft verklaard dat toen [naam slachtoffer] op 7 oktober 2009 in de voorpiek bezig was met verfspuitwerkzaamheden en de explosie plaatsvond, hijzelf bij het mangat, dat toegang geeft tot de voorpiek, stond. Door de explosie vloog [naam getuige 1] drie meter achteruit en kwam hij op het dek terecht. Hij weet zeker dat er, voordat [naam slachtoffer] in de voorpiek ging, geen metingen zijn verricht om te beoordelen of er in de voorpiek sprake was van explosiegevaar of zuurstofgebrek. Hem is niet verteld op welke wijze de verfspuitwerkzaamheden moesten worden verricht en welke risico’s daaraan verbonden waren.

De getuige [naam getuige 2], ten tijde van het bedrijfsongeval in opdracht van verdachte belast met de dagelijkse leiding ter plaatse, heeft verklaard dat hij bijna zeker wist dat er niet was gemeten of er in de voorpiek gevaarlijke stoffen aanwezig waren. De koffer met meetapparatuur lag namelijk nog op een andere boot dan de duwbak “’s-Gravenland”. Voorts heeft hij verklaard dat hij de Poolse werknemers niet heeft geïnstrueerd hoe deze werkzaamheden verricht moesten worden. [naam getuige 2] heeft verklaard dat hij zich tevoren niet heeft gerealiseerd dat tijdens verfspuitwerkzaamheden een explosief mengsel kon ontstaan.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft op de zitting verklaard dat [naam slachtoffer] en [naam getuige 1] beiden in dienst waren van verdachte en dat ze ten behoeve van verdachte ter plaatse werkzaamheden uitvoerden. De voorpiek is een besloten ruimte die door een mangat kan worden betreden. Dit was de derde duwbak waarvan in opdracht van verdachte door de werknemers van verdachte ook de wanden in de besloten ruimten werden bespoten met verf.

Voor de verfspuitwerkzaamheden gebruikte [naam slachtoffer] verf van het merk en type “Sigma Vikote 63”, die was verdund met thinner. Op het vat van de thinner is een ikoontje aanwezig waaruit blijkt dat het een brandgevaarlijke stof is. De mengverhouding van de verf en thinner waarmee [naam slachtoffer] had gewerkt was 1:1. De werknemers waren tevoren niet geïnstrueerd hoe ze de verfspuitwerkzaamheden in de voorpiek moesten verrichten en of en zo ja hoeveel thinner bij de verf gevoegd moest worden. Getuige [naam getuige 2], als hiervoor gezegd belast met de dagelijkse leiding ter plaatse, wist niet dat de verf met thinner werd gemengd. Van de verf “Sigma Vikote 63” en de thinner (HAKU GB 2308) zijn door hem veiligheidsinformatiebladen overgelegd.

In het veiligheidsinformatieblad behorende bij de verf “Sigma Vikote 63” staat onder andere vermeld dat:

- deze stof ontvlambaar is;

- de dampen van deze stof zich kunnen ophopen tot boven de explosiegrens;

- alle ontstekingsbronnen verwijderd moeten worden;

- deze stof uitsluitend op plaatsen met voldoende afzuiging gebruikt mag worden;

- vonkveilig gereedschap gebruikt moet worden;

- het uitvoerend personeel antistatisch schoeisel en kleding moet dragen en dat de vloer

geleidend dient te zijn;

- deze stof alleen gebruikt mag worden in ruimtes zonder open vuur of andere

ontstekingsbronnen.

In het veiligheidsinformatieblad behorende bij de thinner staat onder andere vermeld dat:

- deze stof licht ontvlambaar is;

- deze stof alleen gebruikt mag worden in ruimtes zonder onbeschermde verlichting of

andere ontstekingsbronnen;

- de dampen van deze stof zwaarder zijn dan lucht en zich langs de vloer kunnen

verspreiden;

- met lucht deze dampen een explosief mengsel kunnen vormen;

- gereedschappen die vonken veroorzaken niet gebruikt mogen worden;

- voor voldoende ventilatie gezorgd moet worden.

Op de Nederlandse instructie behorend bij de betreffende verf, die bij de verf voorhanden was, is de juiste mengverhouding van de thinner en verf aangegeven: te weten

5 liter thinner op 20 liter verf. Ook wordt verwezen naar de relevante productveiligheids- en informatiebladen, waaronder het informatieblad: “Veiligheidsmaatregelen bij het schilderen in besloten ruimten – Explosiegevaar – giftig.”

De voorpiek werd verlicht met een bouwlamp, aangesloten op een kabelhaspel van 220 Volt. Deze bouwlamp was niet explosieveilig uitgevoerd en met een magneet aan de zijwand van de voorpiek bevestigd.

[naam slachtoffer] had na ongeveer een half uur spuiten de voorpiek verlaten om de filters en het (plastic) glas van het gelaatsmasker te verwisselen. Na ongeveer 10 minuten is hij weer terug in de voorpiek gegaan om verder te gaan met zijn spuitwerkzaamheden. Meteen daarna ontstond over de hele vloer in de voorpiek een grote (steek)vlam gevolgd door een explosie.

Voordat de brandwachten van de bedrijfsbrandweer van Chemelot na het ongeval het ruim door het mangat betraden, is er in het ruim gemeten of er een explosief mengsel aanwezig was, wat het geval bleek. Er is toen in het mangat (de toegang tot het ruim) 15 % LeL en in het ruim 48 % LeL gemeten.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat in het bedrijf nog geen veiligheidshandboek aanwezig was, dat was toen nog in ontwikkeling. Ook heeft hij verklaard dat bij de Poolse werknemers een verminderd veiligheidsbewustzijn is. Ze zijn ook niet geschoold op veiligheidsgebied.

Verdachte heeft na het ongeval door haar arbodienst “Transafe B.V.” een arbeidsongevallenverslag laten opstellen waarin met betrekking tot de oorzaken van het bedrijfsongeval het volgende -zakelijk weergegeven- is vermeld:

“Primair:

- in de besloten ruimte is een explosief mengsel ontstaan dat tot ontlading is gekomen door

de lamp. De medewerkers hebben tijdens de verfwerkzaamheden de ruimte niet gemeten

op explosiviteit (LEL) waardoor het mengsel heeft kunnen ontstaan;

- om de besloten ruimte te verlichten heeft men gewerkt met een tweetal lampen, waarvan

één aan het plafond hing en één op de grond stond, alsmede een verlenghaspel. Er is

gewerkt met materiaal dat niet explosieveilig was.

Subsidiair:

- de werkzaamheden die werden uitgevoerd, behoorden niet tot de standaard

werkzaamheden en werden feitelijk voor het eerst uitgevoerd. Bij aanvang van de

werkzaamheden werden geen duidelijke, vastgelegde instructies gegeven hoe het werk

uitgevoerd moest worden en welke gevaren kunnen ontstaan bij werken in een besloten

ruimte. Er is slechts gewezen op het feit dat de ruimte geventileerd moest worden. Een

veiligheidshandboek c.q. managementsysteem, waarin de verschillende processen

beschreven worden, was niet aanwezig;

- de buitenlandse werknemers hebben een lager veiligheidsbewustzijn dan hun

leidinggevende. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden was geen permanent

toezicht aanwezig.

Tertiair:

- de medewerkers hebben geen kennis genomen van de veiligheidsinformatiebladen van de

verf en de thinner; deze informatie was slechts in de Nederlandse taal aanwezig;

- buitenlandse medewerkers hebben geen aantoonbare operationele training waarbij het

veiligheidsbewustzijn wordt vergroot.”

Op grond van het bovenstaande overweegt de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de verfspuitwerkzaamheden op 7 oktober 2009 in de voorpiek van de duwbak “’s-Gravenland”, gelegen in de haven van Stein, zijn verricht door werknemers van verdachte en dat die verfspuitwerkzaamheden hebben geleid tot een explosie in de voorpiek van genoemde duwbak, ten gevolge waarvan één werknemer verwondingen heeft opgelopen waaraan hij later is overleden en een andere werknemer door de kracht van de explosie achteruit is gevlogen op het dek.

Verdachte kon, nu dit een feit van algemene bekendheid is, naar het oordeel van de rechtbank vermoeden dat bij het werken met verf, vermengd met thinner in de besloten ruimte van de voorpiek, de atmosfeer in die ruimte een explosief mengsel bevatte, waardoor er, onder meer, gevaar voor explosie bestond.

Verdachte kon dit temeer vermoeden, nu op de aanwezige gebruiksaanwijzing bij de verf en ook op de veiligheidsinformatiebladen van de verf en thinner, wordt gewaarschuwd voor het ontstaan van explosief mengsel en wordt gewezen op explosiegevaar en tevens melding wordt gemaakt van de in acht te nemen voorzorgsmaatregelen. Dit gevaar wordt bovendien op simpele en voor ieder kenbare wijze duidelijk gemaakt door een icoontje met de afbeelding van een vlammetje op de verpakking.

De rechtbank stelt verder vast dat voorafgaande aan deze verfspuitwerkzaamheden geen onderzoek door verdachte is verricht naar de risico’s van deze werkzaamheden en naar de te nemen veiligheidsmaatregelen.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 3.5g van het Arbeidsomstandighedenbesluit door verdachte. Het feit dat de verfspuitwerkzaamheden eerst sinds kort in opdracht van verdachte in besloten ruimten werden verricht, kan aan vorenstaande conclusie niet afdoen, nu verdachte zelf tot het uitvoeren van die werkzaamheden heeft besloten en deze daarmee tot haar werkzaamheden zijn gaan behoren.

Ten aanzien van de vraag of verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten, dat door overtreding van voornoemd voorschrift levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers kon ontstaan en/of te verwachten was, overweegt de rechtbank als volgt.

Wanneer vermoed kan worden dat in een besloten ruimte een explosief mengsel aanwezig is waardoor er explosiegevaar is en er geen onderzoek plaatsvindt naar de te nemen veiligheidsmaatregelen en er ook geen veiligheidsmaatregelen getroffen worden, is een explosie geenszins denkbeeldig.

Wanneer een explosie in een besloten ruimte plaatsvindt terwijl zich daarin, dan wel in de directe nabijheid daarvan, werknemers bevinden, is de kans ook niet denkbeeldig dat deze werknemers daarbij het leven laten of ernstig gewond raken.

De rechtbank is gebleken dat de werknemers van verdachte evenals de door verdachte aangestelde leidinggevende zich niet bewust waren van de gevaren waarmee de werkzaamheden gepaard gingen en ook niet wisten welke voorzorgsmaatregelen zij in acht dienden te nemen. Zo werd de verf niet in de juiste verhouding met de thinner gemengd en was er geen brandveilige apparatuur aanwezig. De bouwlamp, nodig voor het verlichten van de donkere ruimte, was niet explosieveilig uitgevoerd en was niet vast bevestigd aan de wand. Ook werd er niet op de aanwezigheid van explosief mengsel gemeten.

Dat verdachte, zoals de raadsman heeft gesteld, in casu alle nodige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen, is de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden en wordt ook gelogenstraft door de bevindingen van Transsafe.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verdachte onder de geschetste omstandigheden redelijkerwijs had moeten weten dat bij overtreding van artikel 3.5g van het Arbeidsomstandighedenbesluit, levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers kon ontstaan en/of te verwachten was.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 7 oktober 2009, in de gemeente Stein, als werkgeefster handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet of de daarop berustende bepalingen, aangezien zij toen aldaar werknemers, te weten [naam slachtoffer] en [naam getuige 1], van haar, verdachte, arbeid deed verrichten op een arbeidsplaats, zijnde de voorpiek van de duwbak

‘s-Gravenland, bestaande die arbeid uit verfspuitwerkzaamheden, terwijl niet was voldaan aan het bepaalde in artikel 3.5g van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft, terwijl in een ruimte (de voorpiek) van voornoemde duwbak verfspuitwerkzaamheden werden verricht en vermoed kon worden dat de atmosfeer in die ruimte in zodanige mate stoffen, te weten een explosief mengsel van verf en oplosmiddelenhoudende thinner, bevatte, dat daardoor gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie bestond, een werknemer, te weten [naam slachtoffer], die ruimte van die spuitwerkzaamheden had betreden, voordat uit onderzoek was gebleken dat dat gevaar niet aanwezig was, terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs had moeten weten, dat daardoor levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers van haar, verdachte, kon ontstaan en/of te verwachten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

als werkgeefster handelingen nalaten in strijd met het gestelde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, terwijl zij weet dat levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer van haar werknemers ontstaat of te verwachten is, begaan door een rechtspersoon.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van

€ 20.000,-, waarvan € 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om bij een bewezenverklaring een gematigde geldboete op te leggen. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte kosten noch moeite heeft gespaard om de familieleden en vrienden van de door het bedrijfsongeval overleden werknemer op te vangen en te begeleiden en dat er in het bedrijf van verdachte wel degelijk sprake was van een veiligheidsbewustzijn en een veiligheidsstructuur. Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat er bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de omstandigheden van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, door zaken op zijn beloop te laten en te vertrouwen op een ter zake niet deskundige leidinggevende, ernstig is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht de gezondheid en het welzijn van haar werknemers bij het uitvoeren van de hun opgedragen werkzaamheden te beschermen. Deze zorgplicht vergt dat verdachte risico’s moet inventariseren, veiligheidsvoorschriften moet opstellen en moet toezien op de naleving daarvan. Verdachte heeft daarnaast een extra zorgplicht ten opzichte van haar werknemers die de Nederlandse taal niet machtig zijn, en waarvan zij weet dat deze zich er mogelijk minder aan gelegen laten liggen om veiligheidsvoorschriften in acht te nemen.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat verdachte na het ongeval veiligheidsmaatregelen heeft genomen.

Ook heeft verdachte ten opzichte van de nabestaanden van het slachtoffer op een correcte wijze haar verantwoordelijkheid genomen.

De overschrijding van de redelijke termijn, zoals naar voren gebracht door de raadsman, acht de rechtbank dusdanig gering dat zal worden volstaan met de enkele constatering dat deze is overschreden.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 20.000,-, waarvan de helft voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is.

Zij zal deze dan ook aan verdachte opleggen.

Bij de vaststelling van de vermogensstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de financiële positie waarin de verdachte verkeert, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 51 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 3.5g van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 20.000,- (twintigduizend euro), waarvan €10.000,- (tienduizend euro) voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, mr. M.E. Kramer en

mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 oktober 2011.

De griffier is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 07 oktober 2009,

in de gemeente Stein,

als werkgeefster handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de

Arbeidsomstandighedenwet 1998 of de daarop berustende bepalingen,

aangezien zij toen aldaar één of meer werknemer(s), te weten [naam slachtoffer] en/of

[naam getuige 1], van haar, verdachte, arbeid deed verrichten op een arbeidsplaats,

zijnde de voorpiek van de duwbak s'Gravenland, bestaande die arbeid uit

(verf)spuitwerkzaamheden,

terwijl niet was/werd voldaan aan het bepaalde in artikel 3.5g van het

Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers heeft, terwijl in een ruimte of op een plaats (de voorpiek) van

voornoemde duwbak verfspuitwerkzaamheden werden verricht en vermoed kon worden

dat de atmosfeer in die ruimte of op die plaats in zodanige mate stoffen, te

weten een explosief mengsel van verf en oplosmiddelenhoudende thinner,

bevatte, dat daardoor gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand

of explosie bestond,

een werknemer, te weten [naam slachtoffer], die ruimte of plaats van die

spuitwerkzaamheden betreden, voordat uit onderzoek was gebleken dat dat gevaar

niet aanwezig was,

terwijl zij, verdachte, wist of redelijkerwijs had moeten weten, dat daardoor

levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer

werknemer(s) van haar, verdachte, kon ontstaan en/of te verwachten was;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 07 oktober 2009,

in de gemeente Stein,

als werkgeefster het voorschrift of verbod van artikel 3.5g van het

Arbeidsomstandighedenbesluit niet heeft nageleefd,

immers heeft terwijl in een ruimte of op een plaats (de voorpiek) van de

duwbak "s'Gravenland" verfspuitwerkzaamheden werden verricht en vermoed kon

worden dat de atmosfeer in die ruimte of op die plaats in zodanige mate

stoffen, te weten een explosief mengsel van verf en oplosmiddelenhoudende

thinner, bevatte, dat daardoor gevaar voor verstikking, bedwelming,

vergiftiging, brand of explosie bestond,

een werknemer die ruimte of plaats van die spuitwerkzaamheden betreden,voordat

uit onderzoek was gebleken dat dat gevaar niet aanwezig was;

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/880006-11

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 10 oktober 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

gevestigd te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat zij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel.