Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BT2754

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
03-700608-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen uitkeringsfraude

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700608-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1967,

wonende [woonplaats verdachte] te Maastricht.

Raadsman is mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat te Hoensbroek.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 juli 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met haar man uitkeringsfraude heeft gepleegd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte en haar echtgenoot ten onrechte een uitkering hebben genoten van de gemeente Maastricht. Beiden hebben tussen 29 december 1997 en 30 november 2009 opzettelijk op verklaringen en/of formulieren niet ingevuld/vermeld dat zij een woning in België hadden, waaruit zij huurinkomsten genoten. Dit levert valsheid in geschrift op en het misdrijf van artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht dat ziet op sociale zekerheidsfraude.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake is van het opzettelijk onjuist beantwoorden van vragen op formulieren, wat tot vrijspraak moet leiden. Verdachte en haar man meenden dat zij alle formulieren juist hadden ingevuld. Overigens is het volgens de raadsman nog maar de vraag of de formulieren onjuist waren ingevuld.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Vastgestelde feiten

De rechtbank kan op basis van het dossier de volgende uitgangspunten vast stellen.

Verdachte heeft samen met haar man een uitkering genoten van de gemeente Maastricht vanaf 7 september 1989 tot in elk geval 20 mei 2010, op basis van de Algemene Bijstandswet en de Wet Werk en Bijstand.

Nadat de WSNP-bewindvoerder van verdachte de sociale recherche ervan op de hoogte heeft gebracht dat verdachte een woning in België had, blijkt uit navraag middels een rechtshulpverzoek bij de Belgische autoriteiten dat verdachte en haar man een woning aan de [woonplaats verdachte] in België in eigendom hebben gehad in de periode van 29 december 1997 tot 18 november 2008. Verdachte en haar man hebben de woning verhuurd aan meerdere opeenvolgende huurders en daarvan huurinkomsten genoten van rond de 500 à 600 euro per maand. De huurinkomsten werden aangewend ter betaling van de hypotheeklasten. Na verkoop van de woning hebben verdachte en haar man op 18 november 2008 een bedrag van € 32.622,04 ontvangen.

In de periode van 29 december 1997 tot en met 31 januari 2009 hebben verdachte en haar man een groot aantal verklaringen ingevuld, ondertekend en geretourneerd, alle verstrekt door Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Maastricht. Het betreft:

- maandelijkse periodieke verklaringen in de periode van 1 december 1997 tot en met 30 juni 2000;

- maandelijkse periodieke verklaringen in de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 april 2008;

- een heronderzoeksformulier uitgereikt op 19 december 2002;

- statusformulieren die zien op de periode 1 mei 2008 tot en met 31 januari 2009 ;

De periodieke verklaringen bevatten telkens onder meer de volgende

-voor deze zaak relevante- vragen, die hoofdzakelijk met “nee” zijn beantwoord:

- Vraag 03. Is het vermogen van u en/of uw partner en/of uw kinderen) in deze periode toegenomen?

- Vraag 04. Heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten genoten uit arbeid/zelfstandig beroep/bedrijf?

- Vanaf 1 mei 2001 werd vraag 04 aangevuld met: “of heeft u en/of uw partner in deze periode andere inkomsten genoten?”

De statusformulieren bevatten de zelfde vragen als de periodieke verklaringen vanaf 1 mei 2001. Op een aantal periodieke verklaringen is weliswaar “ja” ingevuld bij vraag 04, maar uit het onderzoek ter terechtzitting is duidelijk geworden dat dit betrekking had op inkomsten uit arbeid van verdachte.

Het heronderzoeksformulier bevat de volgende vragen, die ook met “nee” zijn beantwoord:

- Onderdeel 10. Eigendomslasten:

Hebben u en/of uw partner een woning, woonwagen/woonschip in eigendom?

- Onderdeel 12. Bezittingen en schulden

Zijn er onroerende zaken/goederen (bv. tweede/vakantiewoning)?

Vanaf april 2008 zijn de periodieke verklaringen door de gemeente Maastricht afgeschaft en dienden de uitkeringsgerechtigden alleen een periodieke verklaring in te leveren als er sprake was van een wijziging. Wel diende men nog statusformulieren in te leveren. Het dossier bevat geen periodieke verklaringen vanaf april 2008, maar wel nog twee statusformulieren, zoals hiervoor weergegeven.

Verdachte heeft ter zitting verklaard de hiervoor genoemde formulieren te hebben ondertekend. Haar man vulde de formulieren meestal in, maar er is ook een periode geweest dat zij voor invulling zorgde. Ook heeft zij erkend dat zij voornoemde woning in eigendom had en daar huurinkomsten uit heeft ontvangen.

Overwegingen en conclusies

Uit het voorgaande blijkt evident dat verdachte en haar man niet aan de gemeente Maastricht hebben vermeld dat zij een woning in België hadden en daaruit inkomsten ontvingen. Op genoemd heronderzoeksformulier is zelfs expliciet gevraagd naar het bezit van onroerende zaken. Duidelijk is daarmee ook dat het ontkennend beantwoorden van de vragen in strijd met de waarheid is geweest.

Niet kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 29 december 1997 tot en met 30 juni 2000 in strijd met de waarheid “nee” heeft geantwoord op de vraag “Heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten genoten uit zelfstandig beroep/bedrijf?,” zoals bij feit 1 is ten lastegelegd. De huurinkomsten waren immers geen inkomsten uit zelfstandig beroep of bedrijf en naar andere inkomsten werd in die periode niet gevraagd. Dit dient te leiden tot een partiële vrijspraak.

Voor het overige geldt dat verdachte en haar man met opzet “nee” ingevuld hebben en opzettelijk de gevraagde gegevens niet hebben vermeld. Zij wisten immers dat de werkelijkheid anders was en de vragen waren duidelijk. Dat gaat ook op voor het met “nee” beantwoorden van de vraag naar (de toename van) het vermogen. De woning behoorde tot het vermogen van verdachte en haar man en uit het gegeven dat er na verkoop een aanzienlijk bedrag overbleef en dat er in de tenlastegelegde periode huurinkomsten zijn aangewend om te voldoen aan de hypotheekverplichtingen, mag worden afgeleid dat er een toename van het vermogen plaatsvond, waarvan melding had moeten worden gemaakt. Beide verdachten hebben ook expliciet verklaard dat zij de huurinkomsten gebruikten voor de hypotheek.

De verklaringen en formulieren werden ingeleverd om door de gemeente Maastricht gebruikt te worden, als bevatten deze inhoudelijk de werkelijke stand van zaken. Verdachte en haar man hebben zich derhalve schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en aan het niet verstrekken van gegevens die voor de beoordeling van hun uitkering van belang waren.

Hierbij zij nog opgemerkt dat de rechtbank geen reden ziet om verdachte vrij te spreken van het onderdeel “tezamen en in vereniging”, zoals de raadsman nog heeft aangevoerd. Het gegeven dat haar man voornamelijk de formulieren invulde en verdachte “slechts” tekende, brengt voor de rechtbank niet mee dat niet van medeplegen kan worden gesproken, omdat verdachte mede-eigenaar van de woning was en ter gelegenheid van haar verhoor en ter zitting er ook blijk van heeft gegeven dat zij wist dat de woning werd verhuurd. Ook was zij op de hoogte van haar inlichtingenplicht ten opzichte van de gemeente Maastricht en wist zij dus zo te zeggen van de hoed en de rand. Voor haar geldt bovendien, mutatis mutandis, ook wat hierna wordt overwogen.

Verdachte en de raadsman hebben opgeworpen dat er van opzet (en oogmerk) geen sprake is geweest, omdat verdachte en haar man meenden dat zij van de uitkeringsinstantie, de gemeente Maastricht, een huis en de daarbij behorende huuropbrengsten in het buitenland mochten hebben en dat niet hoefden te melden. De rechtbank gaat hier niet in mee.

Vooropgesteld zij dat zowel de Algemene Bijstandswet, als de Wet Werk en Bijstand de verplichting bevatten (onverwijld) inlichtingen te verstrekken over alle (financiële en persoonlijke) omstandigheden die een rol spelen bij het verstrekken van een bijstandsuitkering, zelfs als daar niet expliciet om wordt gevraagd. Dit mag ook zeker als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd.

Verdachte heeft naar voren gebracht dat zij en haar man hun veronderstelling over het niet hoeven melden van het bezit van de woning en de huurinkomsten gebaseerd hebben op wat zij daarover hebben horen zeggen door anderen die bijvoorbeeld een woning in Spanje hadden. Verdachte heeft dus kennelijk een afweging omtrent haar inlichtingenplicht gemaakt, waarmee vastgesteld kan worden dat zij zich concreet bewust was van die inlichtingenplicht. Zij wist ook dat zij inkomsten uit arbeid moest opgeven, wat ook meermalen op de formulieren is vermeld. Verdachte heeft echter nimmer in al die jaren geverifieerd -bij een gezaghebbende bron- of die veronderstelling de juiste was. Wanneer dan kennelijk op enig moment expliciet naar tweede woningen wordt gevraagd, kan de rechtbank zich niet voorstellen dat er geen licht is opgegaan bij verdachte. Op zijn minst levert dit op dat zij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat zij niet voldeed aan haar wettelijke plicht en daarmee opzettelijk heeft nagelaten relevante gegevens te verstrekken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

in de periode van 29 december 1997 tot en met 30 juni 2000 in de gemeente Maastricht meermalen tezamen en in vereniging met een ander telkens een "Periodieke verklaring", welke verklaring telkens bestemd was om, na te zijn ingevuld en ondertekend, te dienen tot bewijs van de juistheid van de daarin vermelde gegevens en tot grondslag voor beoordeling of en in welke mate verdachte en haar mededader in aanmerking kwamen en bleven komen voor een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw), valselijk heeft opgemaakt aangezien zij, verdachte, en haar mededader telkens opzettelijk in strijd met de waarheid de op die verklaring gestelde vraag:

"Is het vermogen van u en/of uw partner en/of kinderen in deze periode toegenomen?",

hebben geantwoord of doen antwoorden met "nee", en die verklaring telkens hebben ondertekend, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

feit 2

in de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 november 2009, in de gemeente Maastricht meerdere malen tezamen en in vereniging telkens in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Algemene bijstandswet (Abw) en de Wet Werk en Bijstand (WWB), telkens opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers hebben zij en haar mededader telkens opzettelijk geen mededeling gedaan van de eigendom van een woning te weten perceel [woonplaats verdachte] in België en de huuropbrengst en de verkoopopbrengst van voornoemd perceel.

De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

feit 2

medeplegen van in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verschaffen, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of

tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden op te leggen. Volgens de officier van justitie is het inmiddels gebruikelijk om niet meer te volstaan met “slechts” een werkstraf in dit soort zaken. Daarbij heeft de officier van justitie vooral rekening gehouden met de lange periode waarover de uitkeringsfraude zich heeft uitgestrekt en het grote bedrag dat ten onrechte door de gemeenschap aan uitkering is verstrekt aan verdachte en haar man.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met een aantal (persoonlijke) omstandigheden, waaronder het blanco strafblad van verdachte, mocht zij tot een bewezenverklaring komen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte en haar man hebben gedurende zeer lange tijd voor de Gemeente Maastricht relevante gegevens verzwegen. Als gevolg hiervan heeft de gemeente het recht op uitkering niet kunnen beoordelen en hebben verdachte en haar man ten onrechte een uitkering ontvangen van ruim 200.000 euro. Door het handelen van verdachte wordt het stelsel van sociale zekerheid ondermijnd en heeft de gemeenschap forse schade geleden. De onderlinge solidariteit tussen degenen die de uitkeringen financieel opbrengen en degenen die daar aanspraak op maken wordt door het handelen van verdachte op de proef gesteld. Dit maakt dat de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf van 10 maanden gepast en geboden acht. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om deze straf onvoorwaardelijk op te leggen, gelet op het gegeven dat verdachte geen strafblad heeft en er ook andere persoonlijke omstandigheden zijn die maken dat de rechtbank het niet wenselijk acht om verdachte naar de gevangenis te sturen. Wél zal zij verdachte een maximale werkstraf opleggen, die vergelijkbaar is met 4 maanden gevangenisstraf, wat in zekere zin ook een genoegdoening zal opleveren richting de benadeelde gemeenschap. Daarnaast zal zij een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden opleggen met een proeftijd van 2 jaren.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Holthuis, voorzitter, mr. G. Dijkshoorn-Sleebe en mr. R.P.J. Quaedackers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 augustus 2011.

Buiten staat

Mr. J.S. Holthuis is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 29 december 1997 t/m 30 juni 2000, in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht, meermalen althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) een "Periodieke verklaring", - welke verklaring(en)/formulier(en) (telkens) bestemd was/waren om, na te zijn ingevuld en ondertekend, te dienen tot bewijs van de juistheid van de daarin vermelde gegevens en/of tot grondslag voor beoordeling of en in welke mate verdachte, en/of haar mededader, in aanmerking kwam(en) en/of bleef/bleven komen voor een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) valselijk heeft/hebben opgemaakt aangezien zij, verdachte, en/of haar mededader (telkens) opzettelijk in strijd met de waarheid de op die/dat verklaring(en)/formulier(en) en daarop gestelde vraag/vragen:

- "Is het vermogen van u en/of uw partner en/of kinderen in deze periode toegenomen?" en/of

-"Heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten genoten uit zelfstandig beroep/bedrijf?"

heeft/hebben beantwoord of doen antwoorden met "nee", en/of dat/die verklaring(en)/formulier(en) (telkens) heeft/hebben ondertekend, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2000 t/m 30 november 2009, in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, meerdere malen althans eenmaal tezamen en in vereniging althans alleen, (telkens) in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Algemene bijstandswet (Abw) en/of de Wet Werk en Bijstand (WWB), (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij en/of haar mededader (telkens) opzettelijk geen mededeling gedaan van de eigendom van een woning te weten perceel [adres verdachte] België en/of de huuropbrengst en/of de verkoopopbrengst van voornoemd perceel of (telkens) opzettelijk voor de gemeente Maastricht de eigendom en/of huuropbrengst en/of verkoopopbrengst van voornoemd perceel verzwegen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat te Hoensbroek.