Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BT2356

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-09-2011
Datum publicatie
22-09-2011
Zaaknummer
82/267237-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: De economische politierechter is van oordeel dat het niet aanwezig zijn van milieukundige processturing bij bodemsanering volgens conventionele methoden geen strafbaar feit is en ontslaat om die reden de verdachte van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 82/267237-10

Datum uitspraak: 22 september 2011

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 september 2011 op tegenspraak gewezen door de economische politierechter in de zaak tegen

[naam verdachte]

gevestigd te [adresgegevens verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 10 maart 2010 te Bunde, gemeente Meerssen, al dan niet opzettelijk een werkzaamheid, te weten een sanering van de bodem op een terrein aan de [S.straat] heeft uitgevoerd in strijd met het daarvoor geldende normdocument BRL SIKB 7000 Beoordelingsrichtlijn uitvoering (water)bodemsaneringen, versie 4.1, immers vond tijdens de uitvoering van de sanering geen milieukundige begeleiding (processturing en verificatie) plaats.

Bewijsmotivering

De economische politierechter dient zich een afzonderlijk oordeel te vormen over een drietal bestanddelen van de tenlastelegging alvorens hij een oordeel kan geven over de gehele of partiële bewezenverklaring van de tenlastelegging. Dit leidt tot de hierna te behandelen bewijsvragen.

1.1. De eerste bewijsvraag die de economische politierechter zich dient te stellen, is of de zinsnede "het daarvoor geldende" bewezen kan worden verklaard.

1.2. Op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen stelt de economische politierechter als volgt vast.

De sanering aan de [S.straat] te Bunde betreft de sanering van het emplacement van de Nederlandse Spoorwegen, waartoe de gemeente Meerssen opdracht heeft gegeven. De uitvoering van de bodemsanering heeft verdachte als aannemer op zich genomen. Op 4 maart 2010 heeft verdachte de gemeente Meerssen gemeld dat de saneringswerkzaamheden zullen aanvangen op 10 maart 2010. Verdachte heeft daarbij verklaard dat de uitvoering van de werkzaamheden zal plaatsvinden conform de eisen van (onder andere) BRL SIKB 7000. De werkzaamheden worden uitgevoerd op grond van een melding als bedoeld in het Besluit uniforme saneringen, een zogenaamde BUS-melding. Deze melding is door verdachte gedaan op 22 februari 2010 bij gedeputeerde staten van de provincie Limburg, waarbij verdachte overigens te kennen heeft gegeven reeds op 8 maart 2010 aan te zullen vangen met de werkzaamheden.

1.3. De melding is gebaseerd op artikel 28, eerste lid, in verbinding met artikel 39b, derde lid, van de Wet bodembescherming. Op grond van artikel 39b, eerste en derde lid, van de Wet bodembescherming is het Besluit uniforme saneringen van toepassing. In paragraaf 1.2 van de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 7000 is bepaald dat deze ziet op saneringen in het kader van de Wet bodembescherming op basis van de verklaring van instemming met de BUS-melding.

1.4. Op 6 december 2007 heeft het Centraal College van Deskundigen Bodembeheer, ondergebracht bij de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB), vastgesteld de Beoordelingsrichtlijn uitvoering (water)bodemsaneringen, BRL SIKB 7000, Versie 4.1, welke beoordelingsrichtlijn nog gold op 10 maart 2010.

1.5. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 7000 in de onderhavige sanering van toepassing is.

1.6. Op grond van het vorenstaande is de economische politierechter van oordeel dat normdocument BRL SIKB 7000 Beoordelingsrichtlijn uitvoering (water)bodemsaneringen, versie 4.1 geldt voor de door verdachte uitgevoerde sanering van de bodem op een terrein aan de [S.straat] te Bunde.

2.1. De tweede bewijsvraag is of verdachte "in strijd" met het onder 1.4. genoemde brondocument heeft gehandeld, doordat tijdens de uitvoering van de sanering geen milieukundige begeleiding plaatsvond.

2.2. Verdachte heeft ter zitting een aantal verklaringen afgelegd die gelijk zijn aan de gegevens zoals die ook uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen volgen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat op 10 maart 2010 is gestart met de werkzaamheden zonder milieukundige begeleiding. Verdachte heeft verder ter zitting verklaard dat de werkzaamheden hadden moeten aanvangen in aanwezigheid van een milieukundige begeleider. Tot slot heeft verdachte verklaard dat de milieukundige begeleider enkel in verband met de processturing aanwezig diende te zijn. Uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen blijkt verder dat verdachte de op 10 maart 2010 afgevoerde grond heeft verplaatst naar het bedrijf [NAAM BEDRIJF] te Stein alsmede dat de milieukundige begeleider op 11 maart 2010 wel aanwezig was op het te saneren terrein.

2.3. De door de economische politierechter te beantwoorden bewijsvraag spitst zich daarmee toe op de vraag of verdachte aldus in strijd met de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 7000 heeft gehandeld ten aanzien van de processturing en de verificatie.

2.4. In paragraaf 1.4 van de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 7000 is de milieukundige begeleider gedefinieerd als degene die de milieukundige processturing en/of milieukundige verificatie op zich neemt. Onder de milieukundige processturing wordt verstaan de milieukundige aansturing van de bodemsanering in het veld, waaronder het aangeven van de verontreinigingsgrenzen, de bestemming van vrijkomende grond- en afvalstromen, het toezien op de juiste plaatsing en instelling van installaties en het nemen van monsters ten behoeve van voortgangscontrole en vergunningen. Onder de milieukundige verificatie wordt verstaan het vastleggen van het eindresultaat van de sanering met als doel het bevoegde gezag in staat te stellen te beoordelen of de saneringsdoelstelling is bereikt zoals die is vastgelegd in (i.c.) de BUS-melding.

In paragraaf 2.1 van de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 7000 is verder bepaald dat een aantal protocollen bij de beoordelingsrichtlijn behoren, waaronder het op 13 maart 2007 door het onder 1.4. genoemde Centraal College van Deskundigen Bodembeheer vastgestelde protocol Uitvoering van landbodemsanering met conventionele methoden, SIKB-protocol 7001. In paragraaf 2.2 van dit protocol is als uitgangspunt geformuleerd dat bij de uitvoering van een sanering vrijwel nooit al bij het doen van (i.c.) de melding de situatie 100% is in te schatten. Het is in dat verband de taak van de milieukundige processturing op dat moment afwijkingen voldoende te communiceren met alle direct belanghebbenden, alsmede de als gevolg van de afwijking benodigde maatregelen afdoende met hen af te stemmen en vast te leggen.

2.5. De economische politierechter is van oordeel dat reeds uit de in 2.4. genoemde bepalingen volgt dat verdachte in strijd met de beoordelingsrichtlijn heeft gehandeld voor zover de milieukundige begeleiding ziet op de milieukundige processturing. De milieukundige begeleider heeft specifieke taken, in het bijzonder in niet voorziene situaties, die hij enkel ter plaatse van de sanering kan uitvoeren en die – in ieder geval deels – niet achteraf kunnen worden verricht.

De economische politierechter is verder van oordeel dat uit de definitiebepalingen en het ontbreken van een nadere taakomschrijving ter zake niet kan worden vastgesteld dat verdachte in strijd met de beoordelingsrichtlijn heeft gehandeld voor zover de milieukundige begeleiding ziet op de milieukundige verificatie. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging moeten worden vrijgesproken.

3.1. Tot slot dient de economische politierechter te beoordelen of verdachte al dan niet opzettelijk in strijd met de geldende voorschriften heeft gehandeld.

3.2. Uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen volgt dat de op de locatie aanwezige uitvoerder, tevens kwaliteitsverantwoordelijke medewerker van verdachte heeft besloten te beginnen met de graafwerkzaamheden buiten aanwezigheid van de milieukundig procesbestuurder, terwijl hij wist dat deze zogenaamde MKP-er aanwezig diende te zijn. Hij heeft echter niet hierbij stilgestaan. Deze medewerker heeft verklaard de geldende voorschriften te kennen.

Uit deze bewijsmiddelen volgt verder dat de verantwoordelijke ambtenaar binnen de gemeente Meerssen de melding van 4 maart 2010 dat de start van de werkzaamheden zal zijn op 10 maart 2010 verkeerd heeft begrepen, waardoor op die datum geen milieukundige begeleider aanwezig was op de locatie.

3.3. In paragraaf 1.4 van de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 7000 is de kwaliteitsverantwoordelijk persoon gedefinieerd als de medewerker van de aannemer die op de plaats van de bodemsanering verantwoordelijk is voor de kwaliteit.

3.4. De economische politierechter stelt voorop dat de beslissing van de medewerker van verdachte, gelet op diens verantwoordelijkheden als uitvoerder en als kwaliteitsverantwoordelijke, geheel aan verdachte moet worden toegerekend.

De economische politierechter is verder van oordeel dat uit de in het voorgaande weergegeven regelgeving met betrekking tot de milieukundige begeleider enerzijds en de kwaliteitsverantwoordelijke persoon anderzijds de kwaliteit van de sanering vereist dat in overeenstemming tussen beiden beslissingen worden genomen ter zake de te onderscheiden werkzaamheden tijdens de sanering.

Gelet hierop is de economische politierechter van oordeel dat verdachte opzettelijk in strijde met de geldende voorschriften heeft gehandeld. Het is in het licht van deze gezamenlijk gedragen verantwoordelijkheid dat naar het oordeel van de economische politierechter het verweer van verdachte dat haar geen schuld treft nu het aan de gemeente Meerssen is toe te rekenen dat de milieukundige begeleider niet aanwezig was, geen doel kan treffen.

De bewezenverklaring

De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 10 maart 2010 te Bunde, gemeente Meerssen, opzettelijk een werkzaamheid, te weten een sanering van de bodem op een terrein aan de [S.straat] heeft uitgevoerd in strijd met het daarvoor geldende normdocument BRL SIKB 7000 Beoordelingsrichtlijn uitvoering (water)bodemsaneringen, versie 4.1, immers vond tijdens de uitvoering van de sanering geen milieukundige begeleiding (processturing) plaats.

De partiële vrijspraak

De economische politierechter acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de economische politierechter, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De strafbaarheid van het feit

De economische politierechter dient vervolgens te beoordelen op het bewezenverklaarde oplevert een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft in de dagvaarding het tenlastegelegde aangeduid als een overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 18, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit.

De economische politierechter stelt voorop dat het Besluit bodemkwaliteit, blijkens de considerans, onder andere is gebaseerd op artikel 39b van de Wet bodembescherming. In artikel 1a, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten is de overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 39b, derde lid, van de Wet bodembescherming aangewezen als een economisch delict en daarmee als een strafbaar feit.

Gelet op artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht overweegt de economische politierechter verder als volgt.

Artikel 18, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit bepaalt dat het is verboden een werkzaamheid uit te voeren in strijd met het daarvoor geldende normdocument. Het begrip normdocument is in artikel 1 van het besluit gedefinieerd als een voor een werkzaamheid op grond van artikel 25 aangewezen beoordelingsrichtlijn, protocol of andere richtlijn, code, aanbeveling of norm die of dat eisen bevat ter bevordering van de kwaliteit van werkzaamheden of de uitvoering daarvan. Het begrip werkzaamheid wordt in dat artikel gedefinieerd als een bij regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen handeling als bedoeld in artikel 11.2, tweede lid, van de Wmb, die wordt uitgevoerd met betrekking tot (onder andere) de bodem. De beide genoemde ministers kunnen op grond van artikel 25, eerste lid, van het besluit bodemkwaliteit onder bepaalde voorwaarden normdocumenten aanwijzen. Uit de Nota van Toelichting bij artikel 18 in samenhang met de Nota van Toelichting bij artikel 11 van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembescherming volgt dat de minister per werkzaamheid het normdocument aangeeft dat daarop van toepassing is.

In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de Regeling bodemkwaliteit is als werkzaamheid aangewezen de milieukundige begeleiding, die bestaat uit verificatie en processturing bij een sanering van bodem. Artikel 2.7 van de Regeling bodemkwaliteit bepaalt dat als normdocumenten als bedoeld in artikel 25 van het besluit worden aangewezen de certificatierichtlijnen, accreditatierichtlijnen, protocollen en andere onderdelen, die bij de betrokken categorie van werkzaamheden in bijlage C zijn vermeld. Bijlage C, tot slot, ziet op de werkzaamheden waarvoor personen en instellingen moeten beschikken over een erkenning en de daarbij behorende normdocumenten. Deze bijlage is als volgt opgebouwd: de eerste kolom bevat een categorienummer, de tweede kolom bevat de werkzaamheden die binnen de categorie worden begrepen en de derde kolom bevat de bij die werkzaamheden behorende brondocumenten. Deze derde kolom is onderverdeeld in een kolom met daarin de Certificatie- en accreditatierichtlijnen en een kolom getiteld 'Onderdelen'.

In deze bijlage is als categorie 8 opgenomen de milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h. Deze categorie bestaat uit twee onderdelen, te weten verificatie en processturing. Ten aanzien van processturing wordt als normdocument aangewezen:

- de Beoordelingsrichtlijn Milieukundige begeleiding van (water-) bodemsanering en nazorg, ten tijde in geding versie 3.0, vastgesteld op 16 april 2009 (BRL SIKB 6000), waarbij ten tijde in geding ook de versie 2.0 mag worden toegepast, terwijl als i.c. relevant onderdeel wordt aangewezen VKB-protocol 6001, Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met conventionele methoden, versie 3.0, vastgesteld op 16 april 2009, waarbij ook hier ten tijde in geding de versie 2.0 mag worden toegepast, of

- de Beoordelingsrichtlijn uitvoering van (water) bodemsaneringen, versie 4.1, vastgesteld op 6 december 2007 (BRL SIKB 7000), terwijl als onderdeel wordt aangewezen SIKB-protocol 7002, Uitvoering van landbodemsanering met in situ methoden, versie 2., vastgesteld op 6 december 2007.

De economische politierechter stelt vast dat de regeling geen toelichting bevat waaruit volgt op welke wijze de bijlage moet worden gelezen. Een logische benadering zou zijn dat de algemene beoordelingsrichtlijn van toepassing is en de in die richtlijn genoemde onderdelen voor zover van toepassing verklaard in Bijlage C. Deze benadering impliceert dat, nu verdachte heeft gekozen voor de Beoordelingsrichtlijn uitvoering van (water) bodemsaneringen, versie 4.1, vastgesteld op 6 december 2007 (BRL SIKB 7000) heeft te gelden dat het onderdeel Uitvoering van landbodemsanering met conventionele methoden, SIKB-protocol 7001 niet van toepassing is verklaard.

De economische politierechter is van oordeel dat hoewel laatstgenoemd protocol wel een rol kan vervullen in de civielrechtelijke relaties die verdachte heeft met betrekking tot de onderhavige bodemsanering en verdachte ook een morele gehoudenheid heeft om overeenkomstig dit protocol te handelen, het niet benoemen van dit protocol als onderdeel van het toepasselijke brondocument in strafrechtelijke zin tot onduidelijkheid leidt. De economische politierechter overweegt in dat verband dat met name in het bedoelde protocol expliciet de situatie wordt benoemd waaruit volgt dat de milieukundige begeleider daadwerkelijk vanaf het allereerste begin bij de uitvoering van de sanering aanwezig dient te zijn. Voor de wetgever is deze situatie kennelijk niet zodanig urgent dat om die reden het onderdeel benoemd moet worden in bovengenoemde Bijlage C. De economische politierechter begrijpt dit aldus dat bij het gebruik van conventionele methoden (SIKB-protocol 7001), zoals in dit gavel, de reeds aangevangen werkzaamheid niet of niet zodanig onomkeerbaar tot aantasting van de bodem zal leiden dat om die reden afwezigheid van de milieukundige processturing met straf moet worden bedreigd.

De economische politierechter is concluderend van oordeel, dat daarmee niet is voldaan aan de eis ex artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

De economische politierechter zal om die reden verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

DE BESLISSINGEN:

De economische politierechter

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert;

- ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, economische politierechter, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 22 september 2011.