Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BS8688

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
03/700700-10 en (ttzg) 03/855001-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Salduz-verweer minderjarige verdachte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700700-10, 03/855001-11 (ttzgev)

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juli 2011 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de minderjarige

[naam verdachte],

geboren [geboortegegevens verdachte],

wonende [adresgegevens verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 december 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een garage, behorende bij een woning gelegen aan de [woonplaats slachtoffer 1] heeft weggenomen een hoeveelheid alcoholhoudende drank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 24 december 2010 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [woonplaats slachtoffer 2]weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te

nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met voornoemd oogmerk het slot van de (tuin)deur van die woning heeft geforceerd en/of die woning is binnengegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 24 november 2010 tot en met 25 november 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een snorfiets (merk/type [merknaam]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen snorfiets onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 24 november 2010 tot en met 24 december 2010 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, een snorfiets (merk/type [merknaam]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die snorfiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op of omstreeks 30 oktober 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een busje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

5.

hij op of omstreeks 20 augustus 2010 in Lanaken (België) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bladblazer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6.

hij op of omstreeks 27 juni 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een 2 telefoons en/of een portemonnee met inhoud en/of een of meer sleutel(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6]en/of [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

7.

hij op of omstreeks 6 augustus 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [K.laan] heeft weggenomen een laptop en/of een paspoort en/of 2 I-pods, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

In de zaak met parketnummer 03/855001-11:

hij op of omstreeks 20 oktober 2010 in de gemeente Venlo, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 1](agent van politie) en/of [verbalisant 2](hoofdagent van politie) verdachte, als verdachte van het (mede) gepleegd hebben van diefstal danwel heling, in elk geval van het gepleegd hebben van één of meer (op heterdaad) ontdekte strafba(a)re feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door (trachten) te slaan en/of te schoppen.

Beoordeling van de voorvragen

Feit 4

De rechtbank constateert dat het tenlastegelegde onder feit 4 op de dagvaarding een strafbaar feit inhoudt, namelijk vernieling, dat op grond van de artikelen 316, tweede lid, en 353 van het Wetboek van Strafrecht alleen vervolgd kan worden op een klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. Uit het dossier van de strafzaak blijkt dat [slachtoffer 4] aangifte van vernieling tegen zijn zoon heeft gedaan en dat het dossier alleen een aangifte bevat van het strafbare feit zonder toevoeging van een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging (zijnde een klacht). Er is derhalve formeel gezien geen klacht gedaan, wat in beginsel tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden.

Toch staat het ontbreken van een formele klacht naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak niet in de weg aan de vervolging door de officier van justitie van verdachte, omdat [slachtoffer 4] zich als benadeelde partij heeft gevoegd en in zijn voegingsformulier aangeeft dat hij hoopt dat zijn zoon gestraft zal worden. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat [slachtoffer 4] de uitdrukkelijke bedoeling had dat zijn zoon zou worden vervolgd en mag het bestaan van een klacht worden aangenomen. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk.

Feit 7

De raadsvrouw heeft het standpunt ingenomen dat de officier van justitie niet had mogen overgaan tot het dagvaarden van verdachte voor feit 7, omdat daarmee het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. Deze schending is volgens de raadsvrouw gelegen in de omstandigheid dat twee medeverdachten in deze zaak niet zijn vervolgd vanwege gebrek aan bewijs, terwijl er tegen hen juist meer belastend bewijs was dan tegen verdachte.

De rechtbank heeft ook gezien dat twee medeverdachten niet zijn vervolgd, maar verwerpt het verweer dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Voorop gesteld zij dat het openbaar ministerie grote vrijheid toekomt in haar vervolgingsbeslissingen. Wanneer in enig onderzoek de beslissing wordt genomen een bepaalde verdachte wel te vervolgen en andere verdachten niet, ligt aan die vervolging kennelijk een bepaalde waardering van de inhoud van de bewijsmiddelen door de officier van justitie ten grondslag die ertoe leidt dat zij het oordeel van de rechter ten aanzien van de desbetreffende verdachte vraagt. Of haar aanvankelijke inschatting van die inhoud van de bewijsmiddelen juist is, moet vervolgens tijdens het onderzoek ter terechtzitting nog blijken. Het enkele gegeven dat de officier van justitie tegen de andere verdachten aan de hand van die zelfde (aanvankelijke inschatting van de) bewijsmiddelen geen zaak meent te hebben die zij wil voorleggen aan de rechter, brengt nog niet zonder meer met zich mee dat de officier haar vrijheid overschrijdt ten aanzien van degene die zij wel vervolgt.

Ten aanzien van verdachte vindt de rechtbank de vervolgingsbeslissing van de officier van justitie begrijpelijk, gelet op de omstandigheid dat er een redelijke verdenking was dat verdachte bij meerdere concrete diefstallen was betrokken en dat in de (getuigen)verklaringen met betrekking tot de diefstal van feit 7 zijn naam uitdrukkelijk opduikt als mogelijke (mede)dader. Daarmee deelt de rechtbank niet de waardering die de raadsvrouw geeft aan de inhoud van die verklaringen, als zouden die eerder of evenzeer aanleiding geven de anderen te vervolgen in plaats van verdachte, ook niet als meegenomen wordt dat een van hen -kennelijk in algemene zin- eerder in aanraking is gekomen met justitie. In geval van verdachte is dan ook niet gebleken van factoren die tot de conclusie zouden moeten leiden dat het opportuniteitsbeginsel of andere beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden en de officier van justitie is derhalve ontvankelijk in haar vervolging.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht in de zaak met parketnummer 03/700700-10 de feiten 1, 2, 5 en 6 bewezen. Ook acht zij bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid, zoals ten laste gelegd in de zaak met parketnummer 03/855001-11.

Van de andere feiten moet verdachte volgens de officier van justitie worden vrijgesproken omdat het bewijs in die zaken niet toereikend is voor een veroordeling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 tot en met 5 in de zaak met parketnummer 03/700700-10. Ten aanzien van feit 7 heeft de raadsvrouw -bij wijze van subsidiair verweer- ook vrijspraak bepleit.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 6 en de zaak met parketnummer 03/855001-11.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal eerst bespreken welke feiten zij niet wettig en overtuigend bewezen acht. Daarna zal zij de feiten bespreken die zij wél bewezen acht. Daarbij zal zij -voor zover de rechtbank zich daartoe gehouden acht- ingaan op de respectieve nadrukkelijk onderbouwde standpunten van officier van justitie en de verdediging.

De vrijspraken

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte ten laste is gelegd onder de feiten 1, 2, 3 primair, 3 subsidiair, 4, 5 en 7. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Zaak met parketnummer 03/700700-10

Feiten 1 en 2 De inbraak en poging inbraak op 24 december 2010

De officier van justitie acht deze feiten bewezen, omdat de diefstal van flesjes drank uit de woning aan [woonplaats slachtoffer 1] en de poging tot diefstal uit de woning aan [woonplaats slachtoffer 2] kort na elkaar zijn gepleegd en beide woningen dicht bij elkaar zijn gelegen in Maastricht. Daarnaast is verdachte, wiens voorkomen past in de omschrijving door getuigen van de groep van mogelijke daders, kort na de melding van deze feiten en niet ver van de plaats van de delicten aangehouden. Ook was hij in het bezit van diverse flesjes drank, vergelijkbaar met de flesjes die aangever [slachtoffer 1] miste.

De rechtbank constateert dat de bewijsmiddelen uit het dossier waar de officier van justitie op heeft gewezen, een sterk vermoeden opleveren dat verdachte betrokken is geweest bij deze twee feiten. Verdachte heeft echter stellig ontkend dat hij zich hieraan als medepleger heeft schuldig gemaakt. Hij geeft een andere verklaring voor het feit dat hij zich in de buurt van de woningen heeft bevonden en het bezit van de flesjes drank. Deze ontkenning en verklaring acht de rechtbank bepaald niet sterk. Tóch kan de rechtbank niet de conclusie trekken dat verdachte de waarheid niet spreekt of dat zijn verklaring als onaannemelijk ter zijde moet worden gesteld. Daarvoor is het bewijs simpelweg te mager.

Zo acht de rechtbank de beschrijving door getuigen van de groep van mogelijke daders niet concreet genoeg om verdachte aan te wijzen als behorend tot deze groep. Ook van de flesjes drank die verdachte bij zich had, waarvan algemeen bekend is dat deze veelvuldig worden gekocht en genuttigd, kan niet worden vastgesteld dat het specifiek die flesjes waren die uit de woning van [slachtoffer 1] waren gestolen.

Dit brengt dan ook mee dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank moet worden vrijgesproken.

Feit 3 De diefstal, danwel heling van een snorfiets

De rechtbank deelt de conclusie van de officier van justitie en de raadsvrouw dat er voor feit 3 onvoldoende bewijs voorhanden is om verdachte als dief dan wel heler van de snorfiets aan te wijzen. Verdachte werd weliswaar aangetroffen als berijder van de gestolen snorfiets, maar iedere harde aanwijzing dat hij deze zelf gestolen had of dat hij op het moment van voorhanden krijgen wist/moest vermoeden dat de snorfiets gestolen was, ontbreekt.

Feit 4 De vernieling van een bus

Verdachte moet worden vrijgesproken van feit 4, omdat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is, nu verdachte dit feit heeft ontkend en het dossier alleen de aangifte van [slachtoffer 4] bevat.

Feit 5 De diefstal van een bladblazer

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 5. Het dossier bevat belastend bewijs in de vorm van het kort na de diefstal aantreffen van de gestolen bladblazer in de auto waarin verdachte als passagier meereed en waarvan het kenteken door getuigen was waargenomen, alsmede de verklaring van de bestuurder van de auto. De getuigen spreken echter over twee personen in de auto, terwijl er door de politie in Maastricht drie inzittenden worden aangetroffen. Ook biedt de beschrijving van de getuigen van degene die de bladblazer steelt, te weinig aanknopingspunten om specifiek verdachte aan te wijzen. Derhalve kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die de bladblazer heeft gestolen.

Feit 7 De inbraak in een woning op 6 augustus 2010

De rechtbank deelt de conclusie van de officier van justitie en de raadsvrouw dat er voor dit feit onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden is om met zekerheid verdachte aan te wijzen als degene die de ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd. Verdachte heeft immers nadrukkelijk ontkend de diefstal te hebben gepleegd en de verklaringen in het dossier zijn zozeer van horen-zeggen en (op onderdelen) zo vaag dat er geen bewezenverklaring uit kan volgen.

De bewezen te verklaren feiten

Feit 6 Diefstal van goederen in zwembad [naam zwembad]

Vaststaat voor de rechtbank dat verdachte op 27 juni 2010 in het zwembad [naam zwembad] is geweest in Maastricht. Dat heeft verdachte immers ter zitting op 19 juli 2011 verklaard. Ook heeft hij toen verklaard dat hij -samen met [persoon 1]- te zien is op de beelden die gemaakt zijn met beveiligingscamera’s van het zwembad. Verdachte is op de beelden de persoon met het witte petje.

Verdachte heeft echter ontkend dat hij zich aan diefstal heeft schuldig gemaakt. Hij ging naar eigen zeggen slechts mee met [persoon 1], nadat deze gezegd had dat hij zijn telefoons wilde ophalen, maar niet meer wist in welke locker hij deze had opgeborgen. Verdachte stelt dat hij niets heeft gepakt uit de locker waarin [Slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] hun goederen hadden weggeborgen en dat hij slechts in de locker heeft gekeken. Bovendien zou hij niet hebben geweten dat de goederen niet van [persoon 1] waren, maar van andere personen.

De rechtbank acht deze stellingen van verdachte echter leugenachtig. In het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de camerabeelden is namelijk beschreven dat niet alleen te zien is dat [persoon 1] bezig is bij de locker van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6], maar dat ook is te zien dat juist verdachte met zijn handen in de locker rommelt en daar kennelijk iets uit wegneemt. Dit alles speelt zich af om 16:20 uur, terwijl in de minuten daaraan voorafgaand op de beelden te zien is dat verdachte en [persoon 1] aan diverse sloten voelen en diverse lockers, al dan niet met geweld, openen en bekijken. Dit kan voor de rechtbank niets anders betekenen dan dat deze twee op strooptocht waren in lockers waarin zij niets te zoeken hadden en dat verdachte wist dat ook de locker van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] geen spullen bevatte die aan hem of [persoon 1] toebehoorden. Zij zal feit 6 dan ook bewezen verklaren.

Zaak met parketnummer 03/855001-11 Wederspannigheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich op 20 oktober 2010 met geweld heeft verzet tegen twee politieambtenaren, nadat voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat hij was aangehouden. Dit blijkt niet alleen uit wat de desbetreffende ambtenaren hebben beschreven in hun proces-verbaal, maar ook uit de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting op 19 juli 2011.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 6 in de zaak met parketnummer 03/700700-10 en het in de zaak met parketnummer 03/855001-11 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Zaak met parketnummer 03/700700-10, feit 6

hij op 27 juni 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 telefoons en een portemonnee met inhoud en sleutels, toebehorende aan [slachtoffer 6]en/of [slachtoffer 7], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

Zaak met parketnummer 03/855001-11

hij op 20 oktober 2010 in de gemeente Venlo, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren, te weten [verbalisant 1](agent van politie) en [verbalisant 2](hoofdagent van politie) verdachte, als verdachte van het (mede) gepleegd hebben van diefstal dan wel heling hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te slaan en te schoppen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Zaak met parketnummer 03/700700-10, feit 6

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

Zaak met parketnummer 03/855001-11

wederspannigheid, meermalen gepleegd

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is in het kader van deze strafzaak onderzocht door een psychiater en een psycholoog, die van hun onderzoek rapporten hebben opgemaakt. Kort samengevat komen deze gedragsdeskundigen tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat hij als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd ten aanzien van het bewezenverklaarde. De rechtbank neemt de conclusies van de gedragsdeskundigen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over en zal hiermee bij het bepalen van de straf rekening houden. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

De strafoplegging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden op te leggen, met toezicht door de jeugdreclassering als bijzondere voorwaarde. Daarbij heeft de officier van justitie ook rekening gehouden met de conclusies van de gedragsdeskundigen, zij het dat zij de toepassing van het advies van de gedragsdeskundigen tot het opleggen van een voorwaardelijke pij-maatregel niet aan de orde acht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er in de zaak met parketnummer 03/855001-11 sprake is van onherstelbare vormverzuimen. Volgens de raadsvrouw heeft de politie namelijk disproportioneel geweld gebruikt jegens de verdachte tijdens diens aanhouding op 20 oktober 2010. Daarbij is in strijd met de ambtsinstructie gebruik gemaakt van pepperspray op een afstand van korter dan 1 meter van verdachte. Ook heeft verdachte vervolgens geen medische zorg gehad en heeft hij ten onrechte geen bijstand van een advocaat gekregen. Verdachte heeft bij de politie weliswaar afgezien van het gebruik van zijn recht op bijstand, maar onder deze omstandigheden had de politie toch een advocaat moeten laten komen. Deze verzuimen moeten leiden tot strafvermindering.

Verder moet in het voordeel van verdachte worden meegewogen dat verdachte op de goede weg is om zijn leven te beteren en moet rekening worden gehouden met de conclusies van de gedragsdeskundigen. Ook de raadsvrouw acht oplegging van een voorwaardelijke pij-maatregel niet aan de orde. De raadsvrouw vindt de eis van de officier van justitie in dit opzicht passend.

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot het vormverzuimverweer overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft zich met veel geweld verzet tegen zijn aanhouding door de politie. Verdachte, die op de vlucht was geslagen en door de politieambtenaren tot stoppen werd gemaand en vastgepakt, heeft door geen gevolg te geven aan het bevel te stoppen zelf het geweld geïnitieerd dat tegen hem is gebruikt. Het nemen van de verdachte in een klemhouding teneinde hem in bedwang te krijgen, zoals door de agenten is beschreven, moet dan ook als noodzakelijk en proportioneel worden beoordeeld.

Uit de in het dossier beschreven gang van zaken blijkt verder dat verdachte zich vervolgens heftig heeft verzet door gericht te slaan in de richting van de agenten en het verzet was van dusdanige, escalerende aard dat de twee agenten gerechtigd waren om in aard en intensiteit voortschrijdend geweld toe te passen, zoals is gebeurd. Daarbij hebben zij conform hun ambtsinstructie gewaarschuwd dat zij pepperspray zouden gebruiken. Dit is vervolgens ook toegepast en moet evenzeer als proportioneel worden beoordeeld in deze gegeven omstandigheden.

De raadsvrouw stelt dat er mogelijk niet is gewaarschuwd bij de tweede keer dat pepperspray is gebruikt. Dit kan echter niet zonder meer worden geconcludeerd uit het relaas van de agenten. Mocht dit wel zo zijn geweest, dan acht de rechtbank dat niet strijdig met de ambtsinstructie, gelet op het gegeven dat verdachte weer volledig in verzet ging. Zij acht het onder die omstandigheden aannemelijk dat er sprake is geweest van de uitzondering die in de ambtsinstructie is genoemd, die inhoudt dat een waarschuwing achterwege kan blijven als de omstandigheden het geven van een waarschuwing niet toelaten.

De rechtbank is uit de beschreven gang van zaken ook niet gebleken dat er in strijd met de ambtsinstructie op een afstand van minder dan 1 meter gespoten moet zijn met pepperspray door [verbalisant 1], zoals de raadsvrouw stelt. Dit alles brengt met zich mee dat de rechtbank het verweer verwerpt dat er disproportioneel is gehandeld door de politie.

Voorts is de rechtbank onvoldoende gebleken dat aan verdachte ten onrechte geen (noodzakelijke) medische zorg is verleend. De raadsvrouw heeft weliswaar ongedateerde foto’s getoond van het gelaat van verdachte met zichtbare verwondingen, waarvan de rechtbank wil aannemen dat deze op 20 oktober 2010 zijn ontstaan, maar voor het overige is niet gesteld of gebleken dat deze van dusdanige aard waren dat onverwijlde medische zorg noodzakelijk was. De rechtbank ziet daarom niet in waarom het niet verlenen van enige zorg, als dat daadwerkelijk het geval zou zijn geweest, zou moeten leiden tot strafvermindering.

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw dat verdachte bijstand van een advocaat had behoren te krijgen, ook al had hij daar zelf afstand van gedaan. In lijn met haar eerdere uitspraak dienaangaande op 29 april 2010 (gepubliceerd onder LJN-nummer BM2987) stelt de rechtbank voorop dat de jurisprudentie van het EHRM inzake het consultatierecht niet meebrengt dat minderjarigen hoe dan ook geen afstand kunnen doen van hun recht op bijstand/consultatie van een advocaat. Of een minderjarige mag worden gehouden aan de gevolgen van het doen van afstand, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de leeftijd van de verdachte, zijn persoon, opleiding, levenservaring en ervaring met politie en justitie. Daarbij is van belang vast te stellen of verdachte voldoende begreep waar hij recht op had en of hij de consequenties overzag van het niet-uitoefenen van zijn rechten.

Verdachte heeft twee maal, bij zijn aanhouding en bij zijn voorgeleiding, verklaard geen raadsman te willen consulteren, nadat de politie hem op dit recht had gewezen en hem schriftelijk informatie hierover heeft uitgereikt. Verdachte heeft, zo blijkt uit zijn strafblad, eerdere ervaringen gehad met het optreden van politie, justitie en de strafrechter.

Echter verdachte is -aldus de psycholoog die hem in het kader van deze strafprocedure heeft onderzocht- zwakbegaafd en impulsief. Hij heeft een gering inzicht in probleemsituaties en overziet de consequenties van zijn handelen onvoldoende of niet. De verbalisanten hadden weliswaar ten tijde van de aanhouding van verdachte nog niet de beschikking over deze bevindingen van de psycholoog, maar hebben zelf geconstateerd dat verdachte zeer opmerkelijk gedrag vertoonde en zeer moeilijk tot bedaren te brengen was. Verdachte gaf bovendien aan dat hij erg gestrest was, wat gelet op de gang van zaken bij zijn aanhouding niet verwonderlijk was en een nadrukkelijk signaal had moeten zijn om er vanuit te gaan dat verdachte zich onvoldoende rekenschap gaf, dan wel kon geven van de gevolgen van zijn beslissing.

Onder die omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat deze minderjarige verdachte, gelet op zijn verstandelijke vermogens en de gemoedstoestand waarin hij destijds verkeerde, niet gehouden kon worden aan zijn mededeling afstand te doen van zijn consultatierecht. Er had -alvorens verdachte werd gehoord- ondanks de mededelingen van verdachte toch eerst juridische bijstand voor verdachte verzorgd moeten worden.

Dit is een onherstelbaar vormverzuim. De rechtbank zal echter, gelet op de op te leggen straf, hier verder geen consequenties aan verbinden.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op een brutale manier goederen gestolen van anderen. Daarnaast heeft hij zich met veel geweld verzet tegen politieambtenaren. Dit zijn ernstige feiten en de rechtbank heeft in zijn strafblad gezien dat het niet de eerste keer is dat verdachte zich aan dergelijke feiten schuldig heeft gemaakt. Daarbij moet de rechtbank constateren dat het opleggen van werkstraffen en voorwaardelijke straffen er niet toe geleid heeft dat verdachte uit de problemen is gebleven. Dit alles rechtvaardigt voor de rechtbank in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van twee maanden.

Aan de andere kant moet worden meegewogen dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Ook wordt in de rapporten van de gedragsdeskundigen en van de reclassering geadviseerd verplicht toezicht en hulp van de jeugdreclassering op te leggen. Daarbij is ook van groot belang dat het risico op herhaling groot wordt geacht. Dit toezicht kan echter alleen plaatsvinden als er (gedeeltelijk) een voorwaardelijke straf wordt opgelegd.

Verdachte zelf heeft ter zitting duidelijk laten merken dat hij bemoeienis van hulpverleners niet bepaald op prijs stelt en dat hij in staat gesteld moet worden te laten zien dat hij op eigen kracht en met hulp van zijn eigen netwerk uit de justitiële problemen kan blijven. De rechtbank wil hier enerzijds wel in meegaan, omdat zij gezien heeft dat verdachte een start heeft gemaakt in de goede richting, maar heeft er anderzijds niet genoeg vertrouwen in dat verdachte dit gedurende langere tijd zal volhouden zonder professionele, justitiële hulp. Gelet op de rapportages en het strafblad zou een dergelijk vertrouwen misplaatst en naïef zijn. Daarom acht de rechtbank het noodzakelijk voornoemde vrijheidsstraf toch geheel voorwaardelijk op te leggen, opdat verdachte gedurende een proeftijd van twee jaar toezicht van de jeugdreclassering krijgt, ook als dat bemoeienis met zich meebrengt waar verdachte niet voor is. De rechtbank geeft verdachte daarmee de kans die hij wil hebben, maar plaatst ook een flinke stok achter de deur voor het geval hij zich niet aan de aanwijzingen houdt of toch een strafbaar feit zal begaan. Gelet op het advies van de reclassering aan de rechtbank, betekent dit dat verdachte mee moet doen aan het traject ITB HKA in de eerste zes maanden van de proeftijd, als de jeugdreclassering dat noodzakelijk vindt.

De rechtbank ziet, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, geen aanleiding deze voorwaarden op te leggen in het kader van een voorwaardelijke pij-maatregel.

De benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding ter zake van feit 2. De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding ter zake van feit 4. Nu de rechtbank verdachte van deze feiten vrijspreekt, zal zij deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij [slachtoffer 7] vordert een schadevergoeding van € 275,71 ter zake van feit 6. Ter zake van de post internetkosten is de rechtbank van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde en acht zij verdachte aansprakelijk voor die schade, nu verdachte de gsm gestolen heeft waarmee de benadeelde partij van deze dienst gebruik kon maken. Voor een oordeel ten aanzien van de overige posten heeft de rechtbank te weinig onderbouwing om het schadebedrag vast te kunnen stellen en een redelijke en billijke schadevergoeding toe te kennen, nu de benadeelde partij niet ter zitting is verschenen om zijn vordering toe te lichten. De rechtbank zal deze vordering dan ook alleen (hoofdelijk) toewijzen ter zake van de internetkosten en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Voor het toegewezen bedrag zal de schademaatregel worden opgelegd.

De benadeelde partijen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] vorderen een vergoeding voor geleden immateriële schade ter zake van het feit met parketnummer 03/855001-11. De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen, omdat niet is komen vast te staan dat er sprake is van immateriële schade, zoals dat in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is beschreven, noch in de vorm van aantasting in de persoon van de benadeelde partijen door letsel, aantasting van eer en goede naam of anderszins.

Het beslag

De in beslaggenomen, in het dictum te noemen, voorwerpen zullen worden geretourneerd aan de respectieve rechthebbenden.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 77i, 77l, 77v, 77x, 77y, 77z, 77gg, 180, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03/700700-10 onder feit 1, feit 2, feit 3 primair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5, feit 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03/700700-10 onder feit 6 en het in de zaak met parketnummer 03/855001-11 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie van 2 maanden;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich zal gedragen overeenkomstig de door of vanwege de Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt dat de verdachte gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd moet deelnemen aan een ITB HKA-traject en zich moet houden aan de aanwijzingen van zijn begeleiders;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Zaak met parketnummer 03/700700-10 feit 2

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2], [woonplaats slachtoffer 2], in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

Zaak met parketnummer 03/700700-10 feit 4

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4], [woonplaats slachtoffer 4], in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 4] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

Zaak met parketnummer 03/700700-10 feit 6

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 7], [woonplaats slachtoffer 7] te betalen een bedrag van € 127,60;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 7], voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 7] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag jeugddetentie, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door zijn mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Zaak met parketnummer 03/855001-11

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2], [woonplaats verbalisant 2]

- veroordeelt de benadeelde partij [verbalisant 2] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1, [woonplaats verbalisant 1]

- veroordeelt de benadeelde partij [verbalisant 1]in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

Beslag

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp: 8 1.00 STK Sporen, 1875667, schoenafdruk in gips vervaardigd,

aan Politie Regio Limburg Zuid, Forensische Opsporing, Recherche Maastricht;

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp: 7 3.00 STK Beeldplaat, 1875643,

aan [adres];

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp: 1.00 STK Cd-Rom, 1840176, camerabeelden [naam zwembad],

aan [adres]

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp: 2010152557 5 0.02 L Alcohol, BERENTZEN APFEL 1875190, 20% vol;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp: 20300253843/001 3 1.00 STK Lamp, 1875221, zaklantaarn ledlampje, groen/blauw.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. G. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, kinderrechter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.M. Beije, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 2 augustus 2011.