Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR5582

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
03/702663-11 en 03/700341-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren wegens het (mede)plegen van twee gewapende overvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/702663-11 en 03/700341-11 (ttzgev)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte] (Italië) ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 augustus 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

In de zaak met parketnummer 03/702663-11:

Feit 1: samen met een ander of anderen door middel van geweld en onder bedreiging met geweld geld en goederen heeft gestolen van [naam benadeelde partij].

Feit 2: samen met een ander of anderen door middel van geweld en onder bedreiging met geweld geld van [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft gestolen.

In de zaak met parketnummer 03/700341-11:

samen met een ander of anderen door middel van geweld en onder bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] heeft gedwongen tot afgifte van geld en van hen geld heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

In de zaak met parketnummer 03/702663-11

Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie zich voor het bewijs gebaseerd op de aangifte van het slachtoffer [naam benadeelde partij], de medische verklaring over het slachtoffer, de foto’s van diens letsel en de videoconfrontatie tussen het slachtoffer en verdachte, waarbij het slachtoffer volgens de officier van justitie verdachte heeft herkend als één van de overvallers. Verder verwijst de officier van justitie naar de camerabeelden die zijn gemaakt van de overval en tijdens een observatie van verdachte, welke beelden ter terechtzitting zijn bekeken. Zowel de officier van justitie als diverse leden van het observatieteam hebben verdachte herkend van de beelden. Ten slotte heeft de officier van justitie de aandacht gevestigd op de bevindingen van het ‘onderzoek telecommunicatie’. Volgens de officier van justitie blijkt uit deze bevindingen dat een exclusief bij verdachte in gebruik zijnde telefoon zich rond het tijdstip van de overval in de buurt van de plaats delict heeft bevonden.

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie zich voor het bewijs gebaseerd op de aangiftes van de slachtoffers [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2], de medische verklaring over het slachtoffer [naam slachtoffer 2], de foto’s van het door haar opgelopen letsel, de bevindingen van het ‘onderzoek telecommunicatie, waaruit volgens de officier van justitie blijkt dat beide telefoons van verdachte rond het tijdstip van de overval in de buurt van de plaats delict waren, de modus operandi en de match tussen het DNA-mengprofiel dat is aangetroffen op de kartonnen doos die door één van de daders de woning in is gegooid en het DNA-profiel van verdachte. Voor wat betreft het antwoord op de vraag of een DNA-mengprofiel aan het bewijs kan bijdragen, heeft de officier van justitie verwezen naar uitspraken van verschillende rechtbanken en gerechtshoven.

In de zaak met parketnummer 03/700341-11

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het bewijs van dit feit gebaseerd op de aangiftes van [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4], de modus operandi, de bevindingen van het ‘onderzoek telecommunicatie, het - voor verdachte belastende - opgenomen gesprek tussen de aangehouden medeverdachte [naam medeverdachte 1] en zijn bezoek in de P.I. Roermond, de match tussen de haren die zijn aangetroffen op het petje dat één van de overvallers heeft achtergelaten en de haren van verdachte en de uitkomst van een zogenaamde ‘Foslo-confrontatie’, waarbij het slachtoffer [naam slachtoffer 3] verdachte van een foto herkent als één van de overvallers. Voor wat betreft de match tussen de haarprofielen heeft de officier van justitie gesteld dat deze match slechts bijdraagt aan de overtuiging aangezien de gevonden haarprofielen relatief vaak in de DNA-databank voorkomen (respectievelijk 324 en 400 keer). Voor wat betreft de Foslo-confrontatie heeft de officier van justitie aangevoerd dat hoewel niet volgens de richtlijnen is gewerkt en de geconstateerde gebreken afdoen aan de betrouwbaarheid van de uitkomst van de gehouden confrontatie, de uitkomst toch voor het bewijs gebruikt kan worden. In dit geval kan worden volstaan met de enkele constatering dat de gebreken zich hebben voorgedaan, aldus de officier van justitie.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

In de zaak met parketnummer 03/702663-11

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman opgemerkt dat na het bekijken van de camerabeelden die van de overval zijn gemaakt, niet geconcludeerd kan worden dat verdachte één van de overvallers is. Op de beelden die door het observatieteam van verdachte zijn gemaakt, is te zien dat verdachte een ronder gezicht heeft dan de man die op de camerabeelden van de overval is te zien en enigszins mank loopt, dit in tegenstelling tot de overvaller. De resultaten van de videoconfrontatie met aangever [naam benadeelde partij] mogen volgens de raadsman niet voor het bewijs worden gebruikt, nu de richtlijnen niet correct zijn nageleefd. Daar komt nog bij dat helemaal geen sprake is van een herkenning door het slachtoffer [naam benadeelde partij], zoals wel door de officier van justitie is betoogd. Uit de bevindingen van het onderzoek telecommunicatie volgt in het geheel niet dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de overval op [naam benadeelde partij]. Na de overval wordt een telefoonnummer, volgens de officier van justitie in gebruik bij verdachte, op 15 ½ kilometer afstand van de woning van [naam benadeelde partij] getraceerd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman naar voren gebracht dat de resultaten van de videoconfrontatie met het slachtoffer [naam slachtoffer 2] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, nu de richtlijnen niet correct zijn nageleefd. Het feit dat op de verhuisdoos DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen, wil volgens de raadsman nog niet zeggen dat verdachte één van de overvallers is geweest. Het is mogelijk dat verdachte de doos ooit in handen heeft gehad of dat iemand anders het DNA van verdachte op de doos heeft geplaatst.

Uit de bevindingen van het onderzoek telecommunicatie kan niet volgen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze overval.

In de zaak met parketnummer 03/700341-11

De raadsman heeft gewezen op de geringe bewijswaarde van de ‘match’ tussen de in het petje aangetroffen haren en de haren van verdachte. De resultaten van de fotoconfrontatie van het slachtoffer [naam slachtoffer 3] met verdachte dienen volgens de raadsman buiten beschouwing te blijven, nu de fotoconfrontatie niet conform de richtlijnen is verlopen. De raadsman heeft gesteld dat herkenningen weinig bewijswaarde hebben. Dit blijkt volgens de raadsman in de onderhavige zaak uit het feit dat een aanwezige verbalisant heeft verklaard heel iemand anders - dan verdachte - te hebben herkend in de wegvluchtende overvaller. De door de verbalisant herkende persoon bleek later ten tijde van de overval in detentie te hebben verbleven en kon dus de overval niet gepleegd hebben.

De raadsman heeft ook aangevoerd dat het op basis van een vordering ex artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering uitgeluisterde gesprek tussen medeverdachte [naam medeverdachte 1] en zijn bezoek in de penitentiaire inrichting te Roermond, niet voor het bewijs kan worden gebruikt, immers de bij een dergelijke vordering behorende stukken ontbreken in het dossier. Controle of een en ander volgens de wettelijke regels is verlopen is daarom niet mogelijk. Verder komt volgens de raadsman het signalement dat de slachtoffers geven van de dader niet overeen met het uiterlijk van verdachte. Blijkens de bevindingen uit het ‘onderzoek telecommunicatie’ is volgens de raadsman op 12 november 2010 in het geheel niet getelefoneerd met de telefoon van verdachte.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 03/702663-11

Feit 1

Op 26 november 2010 hoort [naam benadeelde partij] omstreeks 10.45 uur de deurbel van zijn woning aan de [adres benadeelde partij]. Hij ziet via de camera een nette man staan en opent de voordeur. De man spreekt [naam benadeelde partij] in de Duitse taal aan en vraagt [naam benadeelde partij] onder meer of hij mag bellen. [naam benadeelde partij] maakt de man duidelijk dat dit niet mag. [naam benadeelde partij] wordt vervolgens van achteren vastgepakt door een tweede man. Deze man is duidelijk groter dan de eerste man. [naam benadeelde partij] wordt in de hal van zijn woning door de twee mannen geslagen en naar de grond gewerkt. De kleine man heeft een wapen bij zich, dat hij doorlaadt. Hij vraagt in het Duits naar geld, goud en een kluis. [naam benadeelde partij] antwoordt dat hij dit niet heeft. De man zegt dat [naam benadeelde partij] moet aangeven waar de spullen zijn, anders zal hij [naam benadeelde partij] doodschieten. Hierbij dreigt de man met het wapen. Op de eerste verdieping krijgt [naam benadeelde partij] voortdurend klappen. De kleine man drukt het pistool in de rug van [naam benadeelde partij]. De grote man tracht [naam benadeelde partij] aan handen en voeten vast te binden. Vervolgens wordt [naam benadeelde partij] meegenomen naar zolder. Zowel op de eerste verdieping als op zolder vragen de overvallers naar geld, goud en een kluis. De kleine man laadt meerdere keren het wapen door, waarbij hij dreigt [naam benadeelde partij] dood te schieten. Op zolder voegt de kleine man nog aan de bedreiging toe dat hij [naam benadeelde partij] in zijn knie schiet als [naam benadeelde partij] niet zegt waar de spullen liggen. De kleine man trekt de beurs van [naam benadeelde partij] met daarin in totaal € 1.500,00 aan bankbiljetten uit diens achterzak. De kleine man stopt het geld en de beurs met inhoud (onder andere een huissleutel en een gelukssteentje) in zijn colbert. Ook pakt de kleine man een zilverkleurig koffertje met daarin een camcorder. De kleine man zegt tegen [naam benadeelde partij] dat hij tien minuten op zolder moet blijven, omdat ze nog iets moeten zoeken. De kleine man richt zijn wapen op de knie van [naam benadeelde partij] en zegt dat hij de knieën van [naam benadeelde partij] kapot zal schieten en [naam benadeelde partij] dood zal schieten. Daarna lopen de beide mannen naar beneden. Nadat de overvallers zijn verdwenen blijken uit de kantoorruimte van de woning van [naam benadeelde partij] bedragen van € 550,00, € 500,00,

€ 150,00 en € 120,00 te zijn ontvreemd. Verder mist [naam benadeelde partij] alle huissleutels en autosleutels.

Door de politie zijn cameraopnames veiliggesteld van een camerabewakingssysteem op de begane grond van de woning van [naam benadeelde partij]. Het gaat om beelden die op 26 november 2010 zijn opgenomen van 09.51 uur tot en met 10.51 uur. De beelden zijn uitgekeken door de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2]. Deze verbalisanten hebben onder meer gezien dat een man in een donkerkleurig pak uit een zilverkleurige personenauto stapt en in de richting van de woning aan de [adres benadeelde partij]loopt en daar aanbelt. De verbalisanten zien op de beelden een tweede persoon uit de auto stappen. Deze tweede persoon loopt ook in de richting van voornoemde woning. De auto wordt vervolgens enkele meters verplaatst. Verder is te zien op welke wijze de beide mannen de woning binnengaan. Eén van de mannen duwt het slachtoffer de hal van zijn woning in. Na ongeveer 15 minuten verlaten de beide mannen de woning weer en stappen vervolgens in de auto. De man in het pak neemt plaats rechtsvoor, de andere man rechtsachter. Ter terechtzitting zijn deze (voor de strafzaak relevante) beelden vertoond.

Aan verbalisant [naam verbalisant 3] worden op 24 januari 2011 door de Regionaal Overvallen Coördinator van de politie Limburg Zuid enkele politiefoto’s ter beschikking gesteld van personen welke betrokken kunnen zijn bij recente woningovervallen. Verbalisant [naam verbalisant 3] ziet dat op deze foto’s een persoon staat afgebeeld welke sterke gelijkenis vertoont met de man die verbalisant [naam verbalisant 3] eerder op de bewakingsbeelden van de overval op [naam benadeelde partij] gezien heeft. Het betreft de foto van [naam verdachte], [naam verdachte], geboren op 4 februari 1956 te [geboortegegevens verdachte]. Bij raadpleging van de politieregisters blijkt dat [naam verdachte] vermoedelijk verblijft bij zijn ex-vrouw en zoon op het adres [adres ex-vrouw verdachte]te Weert.

Op 3 februari 2011 voert de politie een cameraobservatie uit in Weert. Verbalisanten zien op de [adres ex-vrouw verdachte] te Weert een man lopen. Van deze observatie zijn video-opnames gemaakt, die ter terechtzitting zijn vertoond. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de man is, die op de beelden van het observatieteam te zien is.

Verbalisant [naam verbalisant 4] heeft zowel de camerabeelden die op 3 februari 2011 zijn opgenomen door het observatieteam, als de beelden die op 26 november 2010 met de bewakingscamera van aangever [naam benadeelde partij] zijn opgenomen, bekeken. In zijn proces-verbaal schrijft [naam verbalisant 4] dat hij met zekerheid kan zeggen dat de persoon die op beide beelden te zien is, [naam verdachte] - verdachte - is. [naam verbalisant 4] omschrijft de man als een persoon die waggelend/gebrekkig loopt, een “haviksneus” en een kale plek op zijn achterhoofd heeft en donker, dun en naar achteren gekamd haar heeft.

De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat verdachte en de man in het pak die op de camerabeelden van 26 november 2010 gemaakt met de bewakingscamera van aangever [naam benadeelde partij] is vastgelegd en de persoon die op de camerabeelden opgenomen op 3 februari 2011 door een lid van het observatieteam, te zien is, één en dezelfde persoon is. De rechtbank heeft verdachte in het bijzonder herkend aan zijn manier van lopen - verdachte loopt enigszins mank -, aan de vorm van zijn neus en aan de kale plek op zijn achterhoofd.

Verdachte ontkent elke betrokkenheid bij de overval op [naam benadeelde partij].

Overwegingen van de rechtbank

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte de kleine man, zoals aangever [naam benadeelde partij] heeft verklaard, die bij [naam benadeelde partij] heeft aangebeld en die hem heeft bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Zowel de rechtbank als verbalisant [naam verbalisant 4] heeft verdachte herkend als de persoon op de beelden van de bewakingscamera van [naam benadeelde partij]. Uit de aangifte van [naam benadeelde partij] en uit de beelden gemaakt met de bewakingscamera van [naam benadeelde partij] volgt dat verdachte de overval samen met één of meer andere personen heeft gepleegd.

Feit 2

Op 26 oktober 2010 hebben [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] aangifte gedaan van een overval door twee mannen in de woning van [naam slachtoffer 2] aan de [adres slachtoffer 2]. [naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij, nadat zij de voordeur van haar woning had geopend, de woning werd ingeduwd, waarbij zij een kartonnen doos de gang in zag vliegen. Voorts heeft zij verklaard dat zij door één van de mannen meerdere keren met een wapen op haar hoofd werd geslagen. [naam slachtoffer 1] heeft verklaard dat een van de overvallers een geldbedrag, vermoedelijk € 70,00 à

€ 80,00, uit haar beurs heeft gepakt. Beide aangeefsters hebben een signalement van de twee overvallers gegeven.

Tijdens het sporenonderzoek zijn door de politie de linker en rechter insteekopening van de aangetroffen kartonnen verhuisdoos bemonsterd. Blijkens DNA-onderzoek is sprake van een ‘match’ van het op de insteekopeningen aangetroffen DNA-mengprofiel met het DNA-profiel van verdachte.

Verdachte heeft ontkend de overval op [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] te hebben gepleegd.

De rechtbank heeft in het dossier onvoldoende bewijs aangetroffen om verdachte voor dit feit te kunnen veroordelen.

Het op de verhuisdoos aangetroffen DNA-materiaal van verdachte is het enige bewijs dat hem rechtstreeks ‘linkt’ aan deze overval. Andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat verdachte één van de daders van de overval is geweest, heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank is het aangetroffen DNA van verdachte onvoldoende om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen. Uit onderzoek door de politie is naar voren gekomen dat de betreffende verhuisdoos verschillende keren van gebruiker/eigenaar is gewisseld en een lange weg heeft afgelegd alvorens bij de overval te worden gebruikt. Niet valt uit te sluiten dat verdachte ooit de verhuisdoos onder andere omstandigheden in handen heeft gehad.

Daar komt bij dat het door de aangeefsters [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] opgegeven signalement van de overvallers onvoldoende overeen komt met het uiterlijk van verdachte, zoals de rechtbank verdachte ter terechtzitting heeft waargenomen. De omstandigheid dat bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummers rond het tijdstip van de overval in de buurt van de woning zijn getraceerd, zoals door de officier van justitie is aangevoerd, betekent nog niet dat verdachte ook één van de overvallers moet zijn geweest.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de modus operandi bij alle drie de overvallen overeenkomt. De rechtbank heeft evenwel significante verschillen tussen de drie overvallen geconstateerd. De woningoverval op [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] betreft in tijd de eerste overval, de overval op [naam benadeelde partij] de laatste overval en de hierna nog te bespreken overval op [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] de middelste overval. Bij de overval op [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] is de mededader door de politie aangehouden en is vervolgens in voorarrest genomen. Daarmee is uitgesloten dat alle drie de woningovervallen telkens door dezelfde daders zijn gepleegd. Ook de gehanteerde werkwijze bij de drie overvallen verschilt op onderdelen zodat niet van telkens eenzelfde modus operandi kan worden gesproken.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

In de zaak met parketnummer 03/700341-11

Op 12 november 2010 wordt aangebeld bij de toegangsdeur van het pand [A-straat] te Eygelshoven in de gemeente Kerkrade. [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 3] bevinden zich op dat moment in de bedrijfsloods van dit pand. [naam slachtoffer 4] loopt vanuit de bedrijfsloods naar de voordeur in de ontvangstruimte en opent de voordeur. De voordeur wordt met kracht opengeduwd en er stapt een man naar binnen. Deze man houdt een pistool in zijn handen, drukt dit tegen de linkerslaap van [naam slachtoffer 4] en zegt: “waar is de baas?”. Terwijl [naam slachtoffer 4] om [naam slachtoffer 3] roept, komt een tweede man het pand binnen met een pistool bij zich, een petje of een hoed op, een zonnebril op en een sjaal voor zijn gezicht. Deze laatste man drukt zijn pistool ook tegen de linkerslaap van [naam slachtoffer 4]. De eerste man loopt naar de deur van de bedrijfsloods en zet zijn pistool tegen het hoofd van de inmiddels verschenen [naam slachtoffer 3]. De man roept onmiddellijk: “de kluis, de kluis, waar is de kluis, waar is het geld?”. Nadat de man meerdere malen om geld heeft gevraagd, haalt [naam slachtoffer 3] ongeveer € 400,00 uit zijn jaszak en geeft dit aan de man. Beide mannen willen meer geld hebben en daarom neemt [naam slachtoffer 3] hen mee naar de kantoorruimte. [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] worden nog steeds onder schot gehouden. [naam slachtoffer 3] opent een kast. De man die [naam slachtoffer 3] bedreigt en onder schot houdt roept: “geef geld, anders schiet ik je in jouw been”. [naam slachtoffer 3] neemt een envelop met daarin een geldbedrag van ongeveer € 4.500,00 uit een ordner die in de kast staat. De man grist de envelop uit de handen van [naam slachtoffer 3]. De beide mannen blijven ook hierna om geld vragen. De beide mannen en [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] lopen naar de ontvangstruimte, waar de trap naar de bovenverdieping is. Op deze trap staat de tas van [naam slachtoffer 4]. De man die [naam slachtoffer 4] bedreigt pakt de tas en keert deze om. In de handtas zit onder andere een bedrag van ongeveer

€ 1.200,00. Op het moment dat de man bezig is met de tas, melden verbalisanten [naam verbalisant 5] en [naam verbalisant 6] zich bij het pand en maken duidelijk dat zij van de politie zijn. De overvallers vluchten naar de boven het bedrijfspand gelegen woonruimte. [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] hebben verklaard dat de beide overvallers gebroken Nederlands met een buitenlands accent spraken.

Rond het tijdstip van de overval surveilleren de verbalisanten [naam verbalisant 5] en [naam verbalisant 6] in de buurt van het pand van [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] aan de [A-straat] te Eygelshoven. Ter hoogte van het pand zien zij een personenauto met dimlichten aan stilstaan. De bestuurder van de auto geeft aan dat hij wacht op een vriend die in het pand werkzaam is. Als de verbalisanten vervolgens naar zijn rijbewijs vragen, rijdt de bestuurder met hoge snelheid weg.

Daarop besluiten de verbalisanten [naam verbalisant 5] en [naam verbalisant 6] een nader onderzoek in te stellen bij het pand. Nadat [naam slachtoffer 3] de voordeur heeft geopend, deelt hij de verbalisanten mede dat hij wordt overvallen door twee mannen met vuurwapens. De verbalisanten verlaten samen met [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] het pand. Een van de overvallers, een in het zwart geklede man met een petje op, ziet kans te vluchten door zich via het afdak van het pand naar beneden te laten zakken. Verbalisant [naam verbalisant 6] ziet dat deze man tijdens zijn vlucht een petje verliest. De vluchtende man weet te ontkomen. Verbalisant [naam verbalisant 6] raapt het petje op en neemt dit mee naar zijn dienstvoertuig. De andere overvaller, die zich nog in de woning van [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] bevindt geeft zich over aan de politie en wordt door verbalisant [naam verbalisant 5] aangehouden. De aangehouden persoon is [naam medeverdachte 1].

Op 11 februari 2011 wordt tijdens een doorzoeking op het adres [adres ex-vrouw verdachte]te Weert een mobiele telefoon aangetroffen, waarvan het abonneenummer 06-16439446 blijkt te zijn. Met dit toestel dat in gebruik was bij verdachte, zijn op 26 en 27 januari 2011 telefoongesprekken gevoerd. Verbalisant [naam verbalisant] heeft in een drietal door hem beluisterde telefoongesprekken de stem van verdachte herkend. Verdachte noemde zich in deze gesprekken [naam verdachte], [naam verdachte] en [naam verdachte]. In de telefoongesprekken sprak verdachte gebrekkig Nederlands met een Italiaans accent. Verbalisant [naam verbalisant] schrijft in haar proces-verbaal dat het haar ambtshalve bekend is dat verdachte de Nederlandse taal niet machtig is en Duits met een Italiaans accent spreekt.

De tijdens de overval op [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] aangehouden verdachte [naam medeverdachte 1] heeft op 19 mei 2011 in de penitentiaire inrichting te Roermond een gesprek gevoerd met zijn bezoek, welk gesprek door de politie is afgeluisterd. In dat gesprek heeft [naam medeverdachte] het over ‘die Italiaan, die [naam verdachte], die gewoon met een pak, een colbert en een petje komt’. ‘Die Italiaan gaat met een petje op naar binnen’, aldus [naam medeverdachte]. Verder in het gesprek zegt [naam medeverdachte] dat ‘de Italiaan zegt: Oeh politie’ en dat ‘de Italiaan roept: Oh Polizei nicht gut, oh Polizei nicht gut’. Tot slot heeft [naam medeverdachte] verteld dat ‘de Italiaan een petje heeft achtergelaten’ en dat ‘de zaak van A tot Z is opgelost. Het enige dat ze fout hebben is [Z.]’.

In het door de gevluchte overvaller verloren petje zijn haren aangetroffen. Van de haarsporen zijn onvolledige DNA-profielen verkregen. Uit onderzoek is gebleken dat deze haren afkomstig kunnen zijn van verdachte, aangezien deze profielen ‘matchen’ met het DNA-profiel van verdachte. Bij vergelijking van de aangetroffen onvolledige DNA-profielen met 9.567 DNA-profielen van referentiemonsters van personen die zijn opgeslagen in de databank, is gebleken dat de aangetroffen onvolledige DNA-profielen relatief vaak voorkomen: respectievelijk 324 en 400 keer.

Verdachte is met betrekking tot de overval op [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] op 12 november 2010 in totaal vier keer door de politie in de Duitse taal gehoord. Hij heeft iedere betrokkenheid bij dit feit ontkend.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht gelet op bovenstaande voldoende bewijs aanwezig dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de gewapende overval op [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4], waarbij [naam slachtoffer 3] werd gedwongen tot afgifte van ongeveer € 400,00, en daarnaast een totaalbedrag van ongeveer € 5.700,00 heeft ontvreemd. Verdachte heeft dit feit samen met [naam medeverdachte 1] en een onbekend gebleven derde persoon gepleegd. [naam medeverdachte 1] heeft zijn aandeel in de overval, blijkens het in zijn zaak gewezen vonnis, bekend. Uit het afgeluisterde gesprek van [H.] met zijn bezoek in de penitentiaire inrichting leidt de rechtbank af dat een Duits sprekende Italiaan met de naam [naam verdachte] de mededader van [naam medeverdachte 1] is geweest. Uit de tapgesprekken, waarbij de stem van verdachte is herkend, blijkt dat verdachte zichzelf soms [naam verdachte] ([naam verdachte]) noemt. Bij één van de getapte en naderhand beluisterde telefoongesprekken relateert de verbalisant dat verdachte gebrekkig Nederlands met een Italiaans accent spreekt, van Italiaanse komaf is en Duits met een Italiaans accent spreekt. [naam medeverdachte] heeft het met zijn bezoek over een petje dat zijn mededader verloren heeft op de plaats delict. Het petje dat bij de overval door de politie is veiliggesteld kan gekoppeld worden aan verdachte. Dit laatste draagt naar het oordeel van de rechtbank overigens slechts bij aan de overtuiging dat verdachte één van de daders is, nu de match van verdachte met het petje niet heel sterk is. De opmerking van [naam medeverdachte] dat ”de zaak helemaal is opgelost, met uitzondering van [Z.]”, klopt met de inhoud van het dossier. Immers één van de verbalisanten dacht dat de ontkomen dader [Z.] was. Later bleek evenwel dat [Z.] ten tijde van de overval op [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] was gedetineerd.

Het verweer van de raadsman dat de inhoud van het afgeluisterde gesprek tussen [naam medeverdachte 1] en zijn bezoek niet voor het bewijs mag worden gebruikt vanwege het ontbreken van stukken die zien op de vordering ex artikel 126l Sv - de rechtbank begrijpt dit aldus, dat in de visie van de raadsman de voor het afluisteren benodigde machtiging ontbreekt -, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Zelfs al zou een machtiging ontbreken, dan nog is verdachte daardoor niet in zijn privacybelangen geschaad. Immers verdachte kan zich niet met kans op succes op bewijsuitsluiting beroepen bij mogelijke onregelmatigheden bij het afluisteren van derden, in casu [naam medeverdachte 1] en zijn bezoek.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

In de zaak met parketnummer 03/702663-11:

1.

op 26 november 2010 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een beurs met inhoud en een koffer inhoudende een camcorder en een of meer bankpasjes en sleutels en een bedrag aan geld, toebehorende aan [naam benadeelde partij], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam benadeelde partij] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededader die [naam benadeelde partij] hebben geslagen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam benadeelde partij] hebben gericht en gericht gehouden en dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp meermalen hebben doorgeladen en dat hij, verdachte, tegen die [naam benadeelde partij] heeft gezegd dat hij hem dood zou schieten of door zijn knieën zou schieten en dat verdachtes mededader doende is geweest de armen en de benen van die [naam benadeelde partij] vast te binden en dat hij, verdachte, aan die [naam benadeelde partij] heeft gevraagd waar het geld, het goud en de kluis waren;

In de zaak met parketnummer 03/700341-11:

op 12 november 2010 te Eygelshoven, gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, te weten (ongeveer) Euro 400,-, en door geweld en bedreiging met geweld met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, te weten (ongeveer) 5700 euro, toebehorende aan [naam slachtoffer 3], welke afpersing en welke diefstal werden voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader, na opening van de voordeur door [naam slachtoffer 4] voornoemd met kracht de voordeur verder hebben opengeduwd en (vervolgens) binnen zijn getreden in de woning en dat hij, verdachte, en zijn mededader een vuurwapen tegen het hoofd van voornoemde [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 3] hebben gedrukt en een vuurwapen in de richting van die [naam slachtoffer 3] en die [naam slachtoffer 4] gericht hebben gehouden en daarbij hebben gezegd "waar is de baas" en "geef geld" en "waar is de kluis" en "geef geld anders schiet ik je in een been".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

In de zaak met parketnummer 03/702663-11:

Feit 1

medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

In de zaak met parketnummer 03/700341-11:

medeplegen van afpersing

en

medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaren met aftrek van de tijd waarin verdachte in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie is bij het bepalen van zijn strafeis uitgegaan van de richtlijn voor strafvordering overvallen op woningen en bedrijven van 1 november 2010 van het openbaar ministerie. Op grond van deze richtlijn geldt als uitgangspunt voor een woningoverval een gevangenisstraf van 3 jaar. In de richtlijn worden strafverzwarende omstandigheden genoemd, zoals recidive en het dreigen met een vuurwapen.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat de strafeis disproportioneel hoog is, mede gelet op de straffen die voor soortgelijke feiten in het buitenland plegen te worden opgelegd.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. Bij de strafoplegging overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft samen met één of meer anderen twee brute gewapende overvallen gepleegd: een woningoverval op [naam benadeelde partij] en een overval op [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] in hun woning/bedrijfspand. In beide gevallen werden de slachtoffers in de beschermde omgeving van hun woning, bij uitstek de plaats waar men zich rustig en veilig zou moeten kunnen voelen, door verdachte en zijn mededader(s) gedwongen tot afgifte van geld en/of hebben verdachte en zijn mededader(s) geld en goederen gestolen. Bij de overvallen hebben verdachte en/of zijn mededader(s) gebruik gemaakt van vuurwapens dan wel een op een vuurwapen gelijkende voorwerp.

Verdachte heeft zijn eigen financiële motieven voorop laten staan. Hij heeft geen oog gehad voor met name de psychische schade die hij door zijn toedoen bij de slachtoffers teweeg zou kunnen brengen. De slachtoffers hebben, zo blijkt onder andere uit de schriftelijke slachtofferverklaringen, de overvallen als zeer beangstigend ervaren. Het mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat feiten als deze een grove aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers inhouden. Te verwachten valt dat de slachtoffers nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van deze traumatische ervaringen. Daar komt nog bij dat dergelijke feiten in de samenleving gevoelens van onveiligheid en onrust veroorzaken.

In het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) van februari 2011 is een strafmaat vastgesteld voor een overval op een woning waarbij sprake is van licht geweld/bedreiging, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar. De rechtbank zal deze straf als uitgangspunt nemen voor de bestraffing van de onderhavige overvallen. Daarbij heeft de rechtbank ook gelet op de gevangenisstraf van drie jaren die door deze rechtbank aan de mededader [naam medeverdachte 1] is opgelegd ter zake de overval op [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4]. Dat betekent dat de rechtbank voor de beide bewezenverklaarde overvallen uitgaat van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 jaren.

Als strafverzwarend element neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om professioneel uitgevoerde overvallen met meerdere slachtoffers. Bij de overvallen is grof geweld uitgeoefend en zijn zware bedreigingen geuit. Zo is er geslagen met een (nep)vuurwapen en zijn de slachtoffers ernstig geïntimideerd. Verdachte heeft zelfs niet geschroomd om zijn (nep)vuurwapen tegen het hoofd van een van de slachtoffers te zetten respectievelijk om zijn (nep)vuurwapen door te laden. Ook het strafblad van verdachte weegt strafverzwarend. Verdachte is reeds eerder veroordeeld wegens geweldsdelicten.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er factoren zijn die strafverminderend zouden kunnen of moeten werken. De rechtbank heeft die niet gevonden.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend.

6 De benadeelde partijen

In de zaak met parketnummer 03/702663-11:

Feit 1

De benadeelde partij [naam benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 5.330,51 (bestaande uit

€ 4.230,51 aan materiële schade en € 1.100,00 aan immateriële schade).

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de vordering tot een bedrag van

€ 5.315,51 kan worden toegewezen. De officier van justitie heeft daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. De benadeelde partij moet naar de mening van de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van de post ‘extra trui in beslag genomen’ ad € 15,00.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu verdachte moet worden vrijgesproken van het het feit waarop de vordering betrekking heeft. Subsidiair is de raadsman van mening dat zich in het dossier geen bewijs bevindt, dat de door het slachtoffer [naam benadeelde partij] gevorderde contanten - in totaal € 2.820,00 - in de woning waren. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus, dat de raadsman afwijzing van dit deel van de vordering bepleit. De overige gevorderde bedragen, waaronder het bedrag van € 1.100,00 ter zake geleden immateriële schade, acht de raadsman reëel.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks tot een bedrag van € 5.315,51 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de hoogte van het door [naam benadeelde partij] gevorderde geldbedrag van € 2.820,00.

De benadeelde partij zal ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 15,00 voor de post ‘extra trui in beslag genomen’ niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien deze schade niet het rechtstreeks gevolg is van de overval op 26 november 2010.

Het door verdachte te betalen bedrag van € 5.315,51 wordt vermeerderd met de wettelijke rente, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 26 november 2010 is ontstaan. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Feit 2

De benadeelde partijen [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] vorderen een schadevergoeding van respectievelijk € 4.032,31 en € 1.700,00 ter zake feit 2.

Gelet op het feit dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit zal worden vrijgespro-ken, kunnen de benadeelde partijen [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] niet in hun vorderingen worden ontvangen. Dat betekent dat zij in hun vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

7 Het beslag

De rechtbank zal de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen sim-kaart.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het in de zaak met parketnummer 03/702663-11 onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het in de zaak met parketnummer 03/702663-11 onder 1 en het in de zaak met parketnummer 03/700341-11 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomene, te weten een simkaart (T-Mobile), nummer 1893127;

Benadeelde partijen

In de zaak met parketnummer 03/702663-11

Feit 1

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij], [adres benadeelde partij], te betalen een bedrag van

€ 5.315,51, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 november 2010 tot aan de dag van volledige vergoeding;

- verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij] voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam benadeelde partij] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 61 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2010;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] vervalt en omgekeerd.

In de zaak met parketnummer 03/702663-11

Feit 2

- verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 2], [adres slachtoffer 2], in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], [adres slachtoffer 1], in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Becker-Hartenhof, voorzitter, mr. J.H. Klifman en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 augustus 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging, in de zaak met parketnummer 03/702663-11 ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 november 2010 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een beurs met inhoud en/of een koffer inhoudende een camcorder en/of een of meer bankpasjes en/of een of meer sleutels en/of een bedrag aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam benadeelde partij] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam benadeelde partij] heeft geslagen en/of gestompt en/of een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam benadeelde partij] heeft gericht en/of gericht gehouden en dat pistool, in elk geval dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp meermalen heeft doorgeladen en/of tegen die [naam benadeelde partij] gezegd dat hij hem dood zou schieten of door zijn knieën zou schieten en/of doende is geweest de armen en/of de benen van die [naam benadeelde partij] vast te binden en/of aan die [naam benadeelde partij] gevraagd waar het geld, het goud en de kluis waren;

2.

hij op of omstreeks 26 oktober 2010 te Merkelbeek, gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 80 euro, in elk geval een bedrag aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam slachtoffer 2] met een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op en/of tegen haar hoofd heeft geslagen en/of tegen die [naam slachtoffer 2] heeft geroepen "dit is een overval, ik wil geld, ik schiet je in je voet of in je knie" en/of die [naam slachtoffer 2] bij haar haren heeft vastgepakt en/of vervolgens de woonkamer in heeft getrokken en/of die [naam slachtoffer 2] op een bankstel heeft doen plaatsnemen en/of een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam slachtoffer 1] heeft gericht en/of vervolgens die [naam slachtoffer 1] naar de keuken en de woonkamer geleid en op een bankstel heeft doen plaatsnemen;

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 03/700341-11 ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 12 november 2010 te Eygelshoven, gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten (ongeveer) Euro 400,-) en/of door geweld en/of bedreiging met geweld met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (te weten (ongeveer) 5700 euro), in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke afpersing en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, na opening van de voordeur door [naam slachtoffer 4] voornoemd met kracht de voordeur verder heeft/hebben opengeduwd en/of (vervolgens) binnen is/zijn getreden in de woning en/of dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een vuurwapen tegen het hoofd van voornoemde [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 3] heeft/hebben gedrukt en/of een vuurwapen in de richting van die [naam slachtoffer 3] en/of die [naam slachtoffer 4] gericht heeft/hebben gehouden en daarbij heeft/hebben gezegd "waar is de baas" en/of "geef geld" en/of "waar is de kluis" en/of "geef geld anders schiet ik je in een been".

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummers: 03/702663-11 en 03/700341-11 (ttzgev)

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 19 augustus 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte] (Italië) ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

Omdat verdachte blijk heeft gegeven niet de Nederlandse, doch wel de Italiaanse taal te verstaan, heeft de uitspraak plaats met bijstand van een persoon, opgevende te zijn de heer [G.], wonende te Eindhoven, zijnde een in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk in de Italiaanse taal. Al hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertolkt.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman is mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals.