Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR4400

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-07-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
436720 CV EXPL 11-6998
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De uitleg die werknemer aan het schrijven geeft, dat de omzetting van het non-concurrentiebeding in een relatiebeding jegens alle concurrenten van werkgever geldt, houdt geen stand. Uitleg conform Haviltex. Onvoldoende aanleiding of grond om het schrijven anders (contra preferentem) uit te leggen. Belangenafweging, geen schorsing non-concurrentiebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0659
Prg. 2011/238

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Zaak/rolnr.: 436720 CV EXPL 11-6998

Typ.: CJ

Vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 Rv d.d. 25 juli 2011

i n z a k e

[eiser],

wonende aan de [adres],

eiser, hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde mr. B.M.M. Custers te Roermond,

t e g e n

de besloten vennootschap [gedaagde],

gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres],

gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde mr. K.M.L.J. Verboeket te Brunssum.

1. Het verloop van de procedure

1.1 [eiser] heeft een dagvaarding ingediend en zijn vordering ter zitting d.d. 21 juli 2011 gewijzigd en aan de hand van een pleitnota toegelicht.

1.2 [gedaagde] heeft ter zitting verweer gevoerd conform de aldaar ingediende conclusie van antwoord / pleitnota.

1.3 De inhoud van voormelde stukken geldt als hier herhaald en ingevoegd.

1.4 Vervolgens is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is gesteld op heden.

2. De beoordeling

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen onder meer het volgende vast.

2.2 [eiser] is op [datum] bij [gedaagde] in dienst getreden, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en per 1 december 2007 voor onbepaalde tijd, in de functie van [functie] van de vestiging van [gedaagde] te [plaats sub 1], tegen een salaris van € 2.231,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

2.3 In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen, waarin het desbetreffende artikel 12 als volgt luidt:

“Het is werknemer zonder schriftelijke toestemming van werkgever verboden om gedurende de dienstbetrekking, alsmede gedurende één jaar na het einde van de dienstbetrekking binnen geheel Limburg, tegen vergoeding of om niet, voor derden of voor eigen rekening, direct of indirect, soortgelijke werkzaamheden en / of diensten te verrichten c.q. aan te bieden als werkgever. Onder soortgelijke werkzaamheden wordt verstaan werkzaamheden die verband houden met de uitoefening van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, werving en selectie, personeelszorg en ander vormen van werkzaamheden die door werkgever ten tijde van beëindiging van de arbeidsovereenkomst worden uitgeoefend.

Bij overtreding van dit beding verbeurt werknemer ten gunste van werkgever een direct opeisbare boete van € 5.000,-- per gebeurtenis en tevens € 125,-- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van werkgever om van werknemer volledige schadevergoeding te vorderen.”

2.4 De dienstbetrekking bij [gedaagde] is van de zijde van [eiser] door opzegging op 1 april 2011 beëindigd. De opzegging hield verband met de indiensttreding van [eiser] bij Top Office te [plaats sub 2]. Partijen zijn met elkaar in overleg getreden in verband met de overstap van [eiser] naar Top Office te [plaats sub 2], hetgeen heeft geresulteerd in de navolgende afspraken welke schriftelijk zijn vastgelegd in een door partijen ondertekend schrijven van 1 maart 2011 (productie 3 bij dagvaarding):

“(…)

Echter geven wij jou toestemming om je werkzaamheden vanuit de vestiging van Top Office te [plaats sub 2] te gaan uitvoeren. [gedaagde] zal geen nakoming van het concurrentiebeding vorderen voor zover je werkzaamheden zal blijven verrichten ten behoeve van Top Office te [plaats sub 2]. Indien je arbeidsovereenkomst met Top Office eindigt vóór 1 april 2012, dan zal [gedaagde] alsnog haar rechten laten gelden op het overeengekomen concurrentiebeding. Dit betekent dat je wederom in overleg dient te treden met [gedaagde] mocht je bij een concurrent van [gedaagde] een dienstverband willen aanvaarden.

Verder willen wij middels dit schrijven jouw concurrentiebeding, met als restrictie bovengenoemde voorwaarden omzetten naar een relatiebeding (...)”.

2.5 Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [gedaagde] - na wijzing van eis - bij wege van voorlopige voorziening bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- primair [gedaagde] te verbieden op welke manier dan ook [eiser] te belemmeren in dienst te treden van concurrenten op straffe van een dwangsom;

- subsidiair indien er sprake is van een rechtsgeldig concurrentiebeding het concurrentiebeding geheel, althans gedeeltelijk te schorsen, met dien verstande dat het concurrentiebeding wordt omgezet in een relatiebeding zodat het [eiser] wordt toegestaan in dienst te treden bij Stadion Personeelsdiensten in de functie van [functie];

- veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.6 [eiser] heeft hiertoe - kort en zakelijk samengevat - gesteld dat hij recent een aanbod van Stadion Personeelsdiensten [plaats sub 3] heeft gekregen en daar in dienst wil treden in de functie van [functie]. [gedaagde] heeft te kennen gegeven dat door indiensttreding van [eiser] bij Stadion Personeelsdiensten [plaats sub 3] het tussen partijen overeengekomen non-concurrentiebeding zal worden overtreden. [eiser] stelt zich echter op het standpunt dat er geen sprake meer is van een non-concurrentiebeding daar dit middels het door partijen ondertekende schrijven van 1 maart 2011 is omgezet in een relatiebeding, zodat het hem derhalve vrij staat in dienst te treden bij Stadion Personeelsdiensten [plaats sub 3].

2.7 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna - voor zover relevant - nader zal worden ingegaan.

2.8 Uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat het gaat om een spoedeisende zaak waarin, gelet op het belang van [eiser], een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist.

2.9 In het kader van deze procedure dient beoordeeld te worden of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat gerechtvaardigd is daarop door toewijzing van de vordering vooruit te lopen. Daarbij moet de kantonrechter thans uitgaan van de voorshands vaststaande feiten met de beperkte toetsing daarvan (zonder nadere bewijsvoering) die in deze procedure in beginsel slechts mogelijk is.

2.10 Tussen partijen is niet in geschil dat het non-concurrentiebeding tussen [gedaagde] en [eiser] rechtsgeldig is overeengekomen, zodat hiervan zal worden uitgegaan.

2.11 De vraag die eerst voorligt is of met de omzetting van het non-concurrentiebeding in een relatiebeding het non-concurrentiebeding is komen te vervallen. Voor beantwoording van deze vraag is van belang na te gaan welke uitleg dient te worden gegeven aan het schrijven van 1 maart 2011. Partijen verschillen daarover van mening. Op grond van het Haviltex-criterium dient bij de uitleg niet alleen te worden gelet op de bewoordingen van de overeenkomst, maar komt het ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan dit schrijven mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de uitleg van het schrijven zijn derhalve alle omstandigheden van het geval van belang, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich brengen. Met inachtneming van dit uitgangspunt oordeelt de kantonrechter als volgt.

2.12 De kantonrechter overweegt voorshands dat de tekst van voormeld schrijven en derhalve de inhoud en de strekking daarvan voor [eiser] wel degelijk helder en duidelijk moet zijn geweest. De daarin opgenomen bepaling “[gedaagde] zal geen nakoming van het concurrentiebeding vorderen voor zover je werkzaamheden zal blijven verrichten ten behoeve van Top Office te [plaats sub 2]” dient taalkundig bezien aldus te worden uitgelegd dat alleen als (voor zover) [eiser] werkzaamheden ten behoeve van Top Office te [plaats sub 2] verricht [gedaagde] geen nakoming van het non-concurrentiebeding zal vorderen. Aangezien in deze zinsnede uitsluitend en specifiek Top Office te [plaats sub 2] wordt genoemd, valt niet in te zien en bevat de tekst van het schrijven overigens ook verder geen aanwijzingen op grond waarvan kan worden vastgesteld, zoals [eiser] stelt, dat [gedaagde] eveneens geen nakoming van het non-concurrentiebeding zal vorderen indien [eiser] werkzaamheden verricht ten behoeve van andere concurrenten van [gedaagde]. Een dergelijke uitleg vloeit evenmin voort uit de daarop volgende zinsneden “Indien uw arbeidsovereenkomst met Top Office eindigt vóór 1 april 2012, dan zal [gedaagde] alsnog haar rechten doen gelden op het overeengekomen concurrentiebeding” en “Verder willen wij middels dit schrijven jouw concurrentiebeding, met als restrictie bovengenoemde voorwaarden omzetten naar een relatiebeding”. Taalkundig bezien en uit de gebruikte bewoordingen (voor zover, alsnog, met als restrictie bovengenoemde voorwaarden) volgt naar het oordeel van de kantonrechter onmiskenbaar dat de strekking van het schrijven van 1 maart 2011 is dat het tussen partijen overeengekomen non-concurrentiebeding enkel is komen te vervallen en is omgezet in een relatiebeding voor de periode dat [eiser] bij Top Office te [plaats sub 2] in dienst is. De door [eiser] voorgestane interpretatie vloeit ook niet logischerwijs voort uit hetgeen aan de totstandkoming van het schrijven van 1 maart 2011 is voorafgegaan. Voorts heeft [eiser] ook geen feiten en / of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat partijen een andere bedoeling hadden met het schrijven van 1 maart 2011 of dat [eiser] op grond van uitlatingen of gedragingen van [gedaagde] de bepalingen in het schrijven van 1 maart 2011 op andere wijze heeft begrepen of had mogen begrijpen. Daar komt bij dat aan de zijde van [gedaagde] ter zitting onweersproken is gesteld dat een en ander niet alleen op schrift is gesteld, maar ook duidelijk tussen partijen is besproken, zodat de bedoeling van partijen helder is geweest. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat [eiser] ook geen plausibele uitleg geeft van de inhoud, die het schrijven volgens hem dan zou hebben. Anders dan [eiser] stelt, is er voorts onvoldoende aanleiding of grond om het schrijven van 1 maart 2011 anders (contra preferentem) uit te leggen.

2.13 Gezien het vorenstaande kan de (ruimere) uitleg die [eiser] aan het schrijven van 1 maart 2011 geeft noch uit de tekstuele inhoud van dat schrijven noch uit overige omstandigheden worden afgeleid. Nu de omzetting van het non-concurrentiebeding in een relatiebeding enkel heeft te gelden voor de periode dat [eiser] in dienst is bij Top Office te [plaats sub 2], heeft het tussen partijen eerder overeengekomen non-concurrentiebeding haar gelding behouden ten aanzien van andere concurrenten van [gedaagde]. Nu uit het voorgaande volgt dat het non-concurrentiebeding niet is komen te vervallen, ligt de primaire vordering voor afwijzing gereed.

2.14 Ten aanzien van de subsidiaire vordering geldt ingevolge artikel 7:653 lid 2 BW dat de kantonrechter een overeengekomen non-concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk kan vernietigen (in het kader van de onderhavige voorlopige voorziening: schorsen) wanneer de werknemer in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever door dat beding onbillijk wordt benadeeld. De vraag of [gedaagde] [eiser] ten aanzien van de door hem eventueel verrichte werkzaamheden bij Stadion Personeelsdiensten kan en mag houden aan het non-concurrentiebeding dan wel of er aanleiding bestaat om (vooruitlopende op een eventueel nog aanhangig te maken beslissing van de kantonrechter in een bodemprocedure) het non-concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk ten gunste van [eiser] ter zijde te schuiven, zal derhalve moeten worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging.

2.15 Voor wat betreft deze belangenafweging moet naar het oordeel van de kantonrechter worden geoordeeld dat - onder de ter zitting van 21 juli 2011 door [gedaagde] genoemde omstandigheden welke door of namens [eiser] niet althans niet overtuigend genoeg zijn weersproken - [gedaagde] een evident zwaarwegend belang heeft bij handhaving van het non-concurrentiebeding. Het gaat immers om de bescherming van haar bedrijfsdebiet. Door [gedaagde] is ter zitting onder meer gesteld dat Stadion Personeelsdiensten [plaats sub 3] in dezelfde branche opereert als [gedaagde] en dat zij beide gericht zijn op hetzelfde marktsegment (de industriële, bouwkundige en technische kant). Er is sprake van een directe concurrent van [gedaagde], terwijl Top Office te [plaats sub 2] geen directe concurrent is. Daarnaast is volgens [gedaagde] tevens van belang dat [eiser] bij een eventuele indiensttreding bij Stadion Personeelsdiensten [plaats sub 3] eveneens de functie van [functie] zal gaan bekleden. Verder heeft [eiser] tijdens zijn werkzaamheden voor [gedaagde] geacquireerd vanuit het filiaal van [gedaagde] te [plaats sub 1] en ook in en om de directe omgeving van [plaats sub 3]. Voorts neemt [eiser], indien hij naar Stadion Personeelsdiensten zou overstappen, nieuwe informatie mee, waarover oude werknemers die al in het verleden de overstap van [gedaagde] naar Stadion Personeelsdiensten hebben gemaakt niet beschikken. [gedaagde] voegt daaraan toe dat in het verleden de huidige eigenaren van Stadion Personeelsdiensten gebruik hebben gemaakt van stukken afkomstig uit dossiers van [gedaagde], waardoor [gedaagde] haar werkzaamheden anders heeft moeten inrichten om de concurrentie voor te blijven. Verder zijn er ook diverse stukken aangepast, de interne communicatie en bedrijfsvoering verbeterd, cijfers en andere managementinformatie transparant beschikbaar gesteld voor kantoormanagers en heeft [eiser] zitting genomen in de personeelsvertegenwoordiging waar actuele en gevoelige bedrijfsinformatie wordt besproken. Met de eventuele indiensttreding bij Stadion Personeelsdiensten [plaats sub 3] is sprake van overtreding door [eiser] van het tussen partijen geldende non-concurrentiebeding.

Het daartegenoverstaande belang van [eiser] bij schorsing van het non-concurrentiebeding acht de kantonrechter van minder zwaar gewicht, waarbij de kantonrechter ook heeft meegewogen dat het [eiser] zelf is geweest die ervoor heeft gekozen om de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] op te zeggen en [gedaagde] [eiser] bovendien al tegemoet is gekomen door [eiser] toestemming te geven om bij Top Office te [plaats sub 2] in dienst te treden. Dat [eiser] momenteel bij Top Office het contact met klanten mist en graag een baan zou willen hebben die beter aansluit op zijn wensen en dat hij door indiensttreding bij Stadion Personeelsdiensten [plaats sub 3] in de toekomst meer doorgroeimogelijkheden zou hebben, dient aldus minder zwaar te wegen dan het belang van [gedaagde] dat haar kennis en relaties niet worden uitgewonnen.

2.16 Gegeven hetgeen hiervoor is overwogen acht de kantonrechter de kans dat in een bodemprocedure het non-concurrentiebeding in stand zal worden gelaten beduidend groter dan dat dit beding (geheel of gedeeltelijk) zal worden vernietigd. Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat thans dan ook onvoldoende aanleiding om het non-concurrentiebeding bij wege van voorlopige voorziening geheel of gedeeltelijk te schorsen ten gunste van [eiser] dan wel om te zetten in een relatiebeding. De kantonrechter verwacht ook niet dat het reeds door [gedaagde] geografisch gelimiteerde non-concurrentiebeding qua geldigheidsduur in de bodemprocedure zal worden beperkt, nu de duur van één jaar niet als onredelijk lang kan worden beschouwd. De subsidiaire vordering komt evenmin voor toewijzing in aanmerking.

2.17 Het vorenstaande brengt met zich dat de gevraagde voorlopige voorzieningen zullen worden geweigerd met veroordeling van [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.

3. De beslissing

De kantonrechter:

weigert de gevraagde voorzieningen;

veroordeelt [eiser] in de aan de zijde van [gedaagde] gerezen proceskosten, welke tot op heden worden begroot op € 200,00 salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. A.J. Henzen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.