Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR4397

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
431556 AZ VERZ 11-118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover vereist. Werkgever heeft werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan bedrog en onacceptabel gedrag ten aanzien van (vrouwelijke) collega's. De door de werkgever aangevoerde feiten rechtvaardigen deze beschuldigingen echter absoluut niet. Hoewel deze constatering eigenlijk zou moeten leiden tot afwijzing van het verzoek, is dit toch toegewezen omdat werknemer twijfel heeft uitgesproken of voortzetting van de arbeidsovereenkomst nog redelijk en zinvol is. De houding van werkgever dat zij in elk geval niet bereid is hervatting van de werkzaamheden te bespreken of die serieus in overweging te nemen, wordt verdisconteerd in een forse vergoeding voor de werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0663
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer: 431556 AZ VERZ 11-118

typ: AodK

Beschikking van 6 juli 2011

in de zaak

DHL FINANCE SERVICES BV,

gevestigd en kantoorhoudend te [adres],

verzoeker,

hierna te noemen: DHL,

gemachtigde: mr. P.J.A.A. Wassen, advocaat te Landgraaf

tegen

[verweerder],

wonend te [adres],

verweerder,

hierna te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. J.G.M. Spronken, werkzaam bij FNV Bondgenoten, Individuele Dienstverlening, te Weert.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn de volgende processtukken ingediend:

- verzoekschrift met in totaal zeventien producties;

- verweerschrift met vier producties.

Op 9 juni 2011 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter gelegenheid daarvan hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

Daarna is uitspraak bepaald.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1. [verweerder] – geboren op [geboortedatum] – is sedert [datum] krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst bij DHL. Sedert 3 februari 2011 bekleedt [verweerder] de functie van [functie].

2.2. DHL heeft [verweerder] op 8 april 2011 op non-actief gesteld en op 11 april 2011 heeft zij hem op staande voet ontslagen. [verweerder] heeft tijdig de nietigheid daarvan ingeroepen en zich uitdrukkelijk beschikbaar gesteld om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten.

3. GESCHIL

3.1. DHL stelt – kort en voor zover van belang – het volgende.

[verweerder] lapt de regels voor de werktijden aan zijn laars en zijn gedrag – met name jegens vrouwelijke collega's – is onacceptabel. Hij is diverse malen (officieel) gewaarschuwd en gewezen op zijn tekortkomingen en ongewenst gedrag, maar verbetering blijft uit. Na de constatering dat [verweerder] ondanks uitdrukkelijke instructie ten eigen bate misbruik gemaakt heeft van de declaratieregeling, heeft DHL [verweerder] op staande voet ontslagen.

3.2. Voor het geval mocht blijken dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] na 11 april 2011 nog bestaat heeft DHL heeft de kantonrechter verzocht deze te ontbinden, primair op grond van dringende reden en subsidiair wegens verandering in de omstandigheden, zonder toekenningen van een vergoeding aan [verweerder], met verwijzong van [verweerder] in de kosten van deze procedure.

3.3. [verweerder] heeft tegen verzoek gemotiveerd verweer gevoerd, waarop – voor zover nodig – hieronder nader zal worden ingegaan.

4. BEOORDELING

4.1. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met een opzegverbod.

4.2. Bij de beoordeling van het voorliggende verzoek dienen de navolgende omstandigheden in aanmerking te worden genomen.

- Het betreft een [leeftijd] werknemer, OR-lid, die gedurende [aantal] jaar in dienst is van DHL. Uit het dossier blijkt geenszins van enige kritiek op zijn inhoudelijk functioneren.

- Begin van dit jaar is [verweerders] vorige functie – in het kader van een reorganisatie – komen te vervallen en is hij na interne sollicitatie in zijn huidige functie van [functie] aangesteld. Niet gebleken is dat de incidenten die thans over de daaraan voorafgaande jaren aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd, van enige betekenis zijn geweest bij de beslissing [verweerder] al dan niet in deze nieuwe functie aan te stellen.

Daarmee moet het gewicht dat DHL thans aan die incidenten toekent al in belangrijke mate worden gerelativeerd.

- Anders dan DHL betoogt, kan niet gezegd worden dat de functie van [verweerder] vergelijkbaar is met een bancaire functie op grond waarvan extra zware integriteitseisen aan het uitoefenen van deze functie verbonden zouden zijn.

Verweerder heeft onbetwist gesteld dat hij belast is met gegevensverwerking op het gebied van tarieven, facturen en rekeningnummers. In die functie heeft hij niets van doen met geldzaken. Verweerder verricht geen betalingen en heeft daartoe geen enkele bevoegdheid.

Onder deze omstandigheden kan niet gesteld woorden dat deze functie vergelijkbaar is met een bancaire functie, zoals door DHL gesteld.

Dit laat onverlet dat een nauwkeurige en zorgvuldige functie-uitoefening van groot belang is, zoals eveneens door DHL is gesteld.

4.3. Beoordeling van het ontslag op staande voet

Nadat [verweerder] door DHL op 8 april op non-actief is gesteld, werd hij bij brief van 11 april 2011 op staande voet ontslagen. Daaraan lagen blijkens deze brief de navolgende omstandigheden ten grondslag:

"gebaseerd op onze bevindingen, hebben wij een onderzoek ingesteld naar de feiten omtrent de verdenking van bedrog bij het doen van declaraties, bedrog bij het opvolgen van werktijdinstructies en omtrent de persoonlijke interactie met directe afgevaardigde van onze klant".

"Het onderzoek heeft uitgewezen dat de verdenking gegrond is. U heeft ondanks uitdrukkelijke instructie, ten eigen bate, misbruik gemaakt van de declaratieregeling en uw werktijden zijn niet overeenkomstig het bedrijfsreglement. Bovendien is uw bejegening van de afgevaardigde van onze klant onheus en schadelijk voor de relatie met de desbetreffende klant".

Ter zake verwijst de kantonrechter allereerst naar hetgeen dienaangaande is besproken bij de mondelinge behandeling in kort geding inzake de vordering tot loondoorbetaling d.d. 6 juni jl. en het vonnis dat ter zake op 14 juni 2011 is gewezen.

Vastgesteld moet worden dat deze zwaar aangezette beschuldigingen absoluut niet gerechtvaardigd worden door de feiten waarop DHL deze baseert.

Bedrog bij declaraties behelst immers dat door middel van misleiding of een andere valse voorstelling van zaken ten onrechte vergoeding van (niet) gemaakte kosten is bedongen en verkregen, kortom fraude is gepleegd. Daarvan is echter geen sprake. [verweerder] heeft – evenals een collega – bij de terugreis op het vliegveld een fles Remy Martin gekocht en deze gedeclareerd. De aard van de besteding staat duidelijk op de overgelegde bon vermeld en die bon is ook door [verweerder] ingediend. DHL heeft deze uitgave niet onder de noemer lunch- of foodkosten geaccepteerd en dat is haar goed recht. Men had dan ook kunnen volstaan met een waarschuwing aan [verweerder] dat dit soort uitgaven ongewenst was en dat hij zich daarvan diende te onthouden.

Met bedrog heeft dit echter niets te maken, omdat het oogmerk tot misleiding niet aanwezig was.

- Dit geldt op vergelijkbare wijze ten aanzien van het gestelde bedrog bij het opvolgen van werktijdinstructies.

Indien er sprake van is geweest, dat [verweerder] zijn werktijden niet correct in acht nam – voorshands is niet komen vast te staan dat dit in ernstige mate het geval is geweest nu er immers geen effectief controlesysteem blijkt te bestaan – had DHL hem een vermaning dienen te geven en bij herhaling had zij daaraan zo nodig verdergaande consequenties kunnen verbinden. Dat is niet gebeurd.

De kwalificatie "bedrog" is in dit verband in ieder geval misplaatst,nu niet gebleken is dat [verweerder] DHL daarbij op enigerlei wijze heeft misleid.

- Bij de mondelinge behandeling heeft DHL duidelijk gemaakt dat het derde onderdeel van de ontslagreden voor haar zwaar heeft gewogen. Dit betrof dan de onheuse bejegening door [verweerder] van "een afgevaardigde van onze klant", hetgeen schadelijk is geweest voor de relatie met de desbetreffende klant.

Bij deze voorstelling van zaken denkt men natuurlijk aan een medewerker van een externe relatie(klant), maar daarvan blijkt geen sprake te zijn. Het gaat om een medewerkster van een zusterorganisatie van DHL (mevrouw [naam]), die in het kader van overdracht van werkzaamheden met [verweerder] diende samen te werken. In dat verband is vast komen te staan dat [verweerder] tegen haar een kennelijk niet al te vriendelijke opmerking heeft gemaakt, waarover deze medewerkster zich nadien bij haar chef heeft beklaagd. Uit productie 11 bij het verzoekschrift – waarvan de status overigens volstrekt onduidelijk is gebleven – blijkt niet dat het verweer van [verweerder] voorafgaande aan het ontslag op staande voet op deugdelijke wijze is onderzocht. De weergave van mevrouw [naam] is kennelijk zonder meer voor de juiste gehouden.

Onder deze omstandigheden kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat dit incident geen ontslag op staande voet kan rechtvaardigen.

Bij gelegenheid van de eerder genoemde mondelinge behandeling heeft de kantonrechter dan ook als zijn voorlopig oordeel uitgesproken dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de aangevoerde redenen voor een ontslag op staande voet in een bodemprocedure voldoende valide zullen worden geacht.

4.4. De overige incidenten die aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd, dateren respectievelijk van oktober 2006, mei 2008 en januari 2009. Deze blijken bij nader onderzoek niet bijzonder ernstig van aard. Bij de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het veelal gaat over een "onprofessionele wijze van communiceren" die [verweerder] door DHL verweten wordt. In de gevallen dat het klachten over zijn communicatie met collega's betreft, valt het op dat DHL niet of nauwelijks rekening lijkt te houden met hetgeen [verweerder] ter zake heeft aangevoerd. Bijvoorbeeld blijkt uit productie 2 bij verweerschrift dat [verweerder] zich voor het incident in 2006 heeft verontschuldigd bij de betrokken medewerkster en dat daarna de lucht tussen partijen was geklaard.

Niettemin wordt dit zelfde incident vijf jaar na dato mede aan het verzoek tot ontbinding ten grondslag gelegd.

4.5. Daarnaast blijken aan [verweerder] verweten gedragingen, die op zichzelf als ernstig gekwalificeerd kunnen worden, zoals:

"… het niet vertrouwelijk omgaan met informatie die hem als OR-lid … wordt toevertrouwd". (zie 4.10 verzoekschrift)

en

"…een eigen commerciële activiteit die bestaat uit het tegen betaling – illegaal – verspreiden van CD-DVD-titels".

op geen enkele wijze te kunnen worden hard gemaakt en/of volstrekt niet met feiten te kunnen worden onderbouwd. DHL stelt weliswaar dat [verweerder] zich daaraan schuldig heeft gemaakt, maar uit het dossier blijkt geenszins dat deze verwijten op een deugdelijke manier met hem zijn besproken, laat staan dat de daaraan enig effectief onderzoek is gewijd.

Een werkgever die zijn werknemer van dergelijke ernstige zaken beschuldigt, laadt een zware verantwoordelijkheid op zich. De kantonrechter is van oordeel dat deze beschuldigingen slechts gerechtvaardigd zijn indien deze komen vast te staan na een deugdelijk onderzoek, met inachtneming van hoor en wederhoor, zodat de betrokkene de gelegenheid krijgt zich te verweren.

Van dit alles is niets gebleken en de kantonrechter acht het dan ook verwijtbaar dat een werknemer op deze ondeugdelijke grondslagen met ontslag wordt bedreigd.

4.6. Het verzoek tot ontbinding zou derhalve dienen te worden afgewezen, maar ter zitting is gebleken dat deze optie weinig perspectief biedt, ook voor [verweerder], die weliswaar graag zijn baan wil behouden, maar eveneens twijfel heeft uitgesproken of die voortzetting nog redelijk en zinvol kan zijn.

4.7. DHL heeft zonder meer te kennen gegeven dat zij niet bereid is hervatting van de werkzaamheden te bespreken of die serieus in overweging te nemen.

De financiële consequenties van deze opstelling dienen voor haar rekening te komen.

4.8. Gezien het vorenstaande is de kantonrechter voornemens de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden en daarbij aan [verweerder] een vergoeding toe te kennen.

De kantonrechter zal DHL als de geheel in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure veroordelen.

4.9. Het voornemen is de ontbinding uit te spreken per 1 augustus 2011 en daarbij ten laste van DHL aan [verweerder] een vergoeding toe te kennen ex aequo et bono van € 45.000,00 bruto. DHL wordt in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk vrijdag 15 juli 2011 om 17.00 uur haar verzoek in te trekken middels schriftelijke mededeling hiervan aan de griffier. Ook in dat geval acht de kantonrechter termen aanwezig DHL in de kosten van deze procedure te veroordelen.

5. BESLISSING

Voor het geval DHL haar verzoek niet uiterlijk op 15 juli 2011 om 17.00 uur haar verzoek heeft ingetrokken:

- ontbindt – voor zover deze nog mocht bestaan – de arbeidsovereenkomst tussen DHL en [verweerder] per 1 augustus 2011;

- kent daarbij aan [verweerder] ten laste van DHL een vergoeding toe van € 45.000,00 bruto;

- veroordeelt - voor zover nodig - DHL tot betaling van dit bedrag tegen bewijs van kwijting aan [verweerder] of aan een door hem aan te wijzen derde;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- veroordeelt DHL in de aan de zijde van [verweerder] gerezen proceskosten tot op heden begroot op € 400,00 salaris gemachtigde.

Voor het geval DHL haar verzoek uiterlijk op 15 juli 2011 om 17.00 uur heeft ingetrokken:

- veroordeelt DHL in de aan de zijde van [verweerder] gerezen proceskosten tot op heden begroot op € 400,00 salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.A.F. Coenegracht, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.