Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR3502

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
391294 CV EXPL 10-4126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PGB. Zorgovereenkomst is i.c. een arbeidsovereenkomst. Overeengekomen arbeidsduur. Recht op loon over niet gewerkte uren?

Niet aangetoond dat aanvullend mondeling overeengekomen is dat geen recht bestaat op loon voor zover dat loon hoger is dan het PGB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0616
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 391294 CV EXPL 10-4126

typ: RW

vonnis van 27 april 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonend te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. A.A. Bouman, medewerkster van DAS Rechtsbijstand te Rijswijk

tegen

[gedaagde], in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige],

wonend te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. J.J.H.S. Thomassen, adovcaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Partijen hebben achtereenvolgens de navolgende processtukken gewisseld:

- exploot van dagvaarding van 26 augustus 2010 met producties;

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

Vervolgens is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader vastgesteld is op heden.

MOTIVERING

[eiseres] vordert [gedaagde] bij - vonnis uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van:

a. het overeengekomen loon van € 5.260,00 bruto “per maand” onder overlegging van een deugdelijke bruto/nettospecificatie, vermeerderd met alle emolumenten tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd zal zijn;

b. de wettelijke verhoging over het aan [eiseres] toekomende loon;

c. de wettelijke rente over de onder a en b genoemde bedragen vanaf het moment van opeisbaar worden van die bedragen tot de dag van algehele voldoening;

d. de kosten van dit geding.

[eiseres] stelt dat zij op [datum] voor onbepaalde tijd in dienst getreden is van

[gedaagde] op grond van een met [gedaagde] gesloten zorgovereenkomst. Het overeengekomen maandloon bedraagt volgens [eiseres] € 900,00 bruto, bij een uurloon van € 20,00 bruto en een arbeidsduur van tien uur per week. De zorgovereenkomst ziet op de persoonlijke verzorging van de minderjarige dochter van [gedaagde] ([minderjarige]; hierna: [naam minderjarige]). [eiseres] stelt dat zij in de periode januari 2009 tot september 2009 geen loon ontvangen heeft van [gedaagde]. Zij heeft haar werkzaamheden daarom gestaakt in september 2009. [eiseres] wenst geen aanspraak te maken op het loon over de maand augustus 2009 aangezien ze in die maand geen werkzaamheden verricht heeft. Over de maanden juni en juli 2009 maakt zij aanspraak op beloning van/voor de door haar gewerkte uren (19 uur per maand). [eiseres] voert dienaangaande aan dat [gedaagde] haar in de maand juni 2009 verteld heeft dat [naam minderjarige] op grond van een nieuwe indicatiestelling slechts recht had op vier uur betaalde zorg per week. [eiseres] stelt om die reden minder te zijn gaan werken om [gedaagde] niet te veel financieel te belasten. [eiseres] vordert derhalve een bedrag van € 5.260,00 bruto (5 x € 900,00 + 38 x € 20,00). Naast dit bedrag vordert [eiseres] de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de hoofdsom en de verhoging.

Bij antwoord voert [gedaagde] aan dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst omdat er geen gezagsverhouding bestaat tussen [eiseres] en [gedaagde]. Aangezien de gevorderde hoofdsom de grens van € 5.000,00 overschrijdt, is de kantonrechter volgens [gedaagde] niet bevoegd. [gedaagde] stelt dat [eiseres] nooit (meer dan) vijf uur per week gewerkt heeft. Zij verwijst daarvoor naar artikel 6 van de overeenkomst. [gedaagde] voert daarnaast aan dat [eiseres] niet het overeengekomen aantal uren zorg per week verleend heeft, aangezien [eiseres] tijdens die uren schoonmaakwerkzaamheden in de woning van haar moeder in dezelfde straat verrichtte. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] in 2009 vier uur zorg per week verleend. [gedaagde] betoogt dat zij in maart 2009 de toenmalige vriend van [eiseres] telefonisch medegedeeld heeft dat, bij toewijzing van de aanvraag van een PGB (de kantonrechter begrijpt: persoonsgebonden budget) met betrekking tot het jaar 2009, het aantal vergoede zorguren verminderd zou worden. [eiseres] heeft daarop (in aanwezigheid van mevrouw [naam sub 1]) [gedaagde] medegedeeld dat zij haar uren in afwachting van die beslissing niet zou aanpassen. In de loop van 2009 stelt [gedaagde] vernomen te hebben dat het zorgbudget voor 2009 op circa € 4.000,00 vastgesteld is. [gedaagde] biedt gespecificeerd bewijs aan van de afspraak tussen haar en [eiseres] dat [eiseres] “maximaal aan vergoeding zou ontvangen hetgeen [gedaagde] in het kader van het PGB voor het inkopen van zorg zou ontvangen”. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de wettelijke verhoging aangezien de zorgvergoeding niet als loon aangemerkt kan worden. De gevorderde rente over de wettelijke verhoging vindt volgens haar geen steun in de wet of de jurisprudentie.

Bij repliek stelt [eiseres] dat de zorgovereenkomst als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd dient te worden. [eiseres] voert aan gewerkt te hebben op maandag tot en met vrijdag van acht tot negen uur ’s morgens en op maandag tot en met donderdag van drie tot vier uur ’s middags. Eerst in juni 2009 heeft [eiseres] naar eigen zeggen van [gedaagde] vernomen dat [gedaagde] (bedoeld zal zijn: [naam minderjarige]) recht had op vier uur per week betaalde zorg. [eiseres] is vervolgens vanaf juni 2009 onverplicht minder uren voor [gedaagde] gaan werken om laatstgenoemde niet te veel financieel te belasten. [eiseres] stelt in de periode daarvoor “als gebruikelijk haar werkzaamheden verricht” te hebben en nimmer door [gedaagde] erop gewezen te zijn dat “zij teveel uren werkte waar geen loon tegenover zou staan”. [eiseres] betwist dat zij tijdens de zorguren bij haar moeder werkzaamheden verricht heeft. Wel stalde zij haar brommer bij haar moeder, waarna zij naar [gedaagde] ging. [eiseres] persisteert bij haar vordering, die zij voor wat betreft het gevorderde onder a. heeft gewijzigd in die zin dat het bedrag van € 5.260,00 niet meer als een brutobedrag per maand gevorderd wordt, maar als een eenmalig bedrag.

Bij dupliek volhardt [gedaagde] in haar stelling dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Het is volgens [gedaagde] een vrije keus van [eiseres] geweest om de zorguren niet aan te passen in afwachting van de beslissing van de SVB omtrent de zorguren 2009, terwijl [eiseres] wist dat [gedaagde] niet in staat was met haar bijstandsuitkering de kosten te dragen. [gedaagde] biedt bewijs aan van haar stelling dat [eiseres] tijdens de contractueel overeengekomen uren werkzaamheden heeft verricht bij haar moeder. Voorts herhaalt zij het bij antwoord aangeboden bewijs (de te horen getuige noemt zij bij dupliek “[naam sub 2]”) en persisteert zij bij haar betwisting van de wettelijke verhoging.

Vaststaat dat partijen een overeenkomst gesloten hebben op grond waarvan [eiseres] aan [naam minderjarige] tien uur per week zorg verleent tegen een uurloon van € 20,00 bruto en een overeengekomen maandloon van € 900,00 bruto. De overeenkomst vermeldt onder punt 9 dat van maandag tot en met donderdag gewerkt zal worden van acht tot negen uur, derhalve in totaal vijf uur per week. De overeenkomst dient naar het oordeel van de kantonrechter aangemerkt te worden als een arbeidsovereenkomst. Er blijkt genoegzaam uit dat [eiseres] persoonlijk de overeengekomen uren diende te werken tegen betaling door [gedaagde] van een overeengekomen loon en dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen [gedaagde] (in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam minderjarige]) en [eiseres]. De kantonrechter is derhalve op grond van artikel 93 aanhef en onder c Rv in dezen bevoegd.

Niet in geschil is dat [gedaagde] aan [eiseres] geen loon meer betaald heeft met ingang van januari 2009.

Partijen zijn een vast maandloon van € 900,00 bruto overeengekomen. Hoewel de arbeidsovereenkomst op dat punt onduidelijk is, zijn partijen het erover eens dat daarbij overeengekomen is dat [eiseres] gehouden was tien uur per week te werken. De kantonrechter zal dan ook als vaststaand aannemen dat partijen een werkweek van tien uur overeengekomen zijn. [eiseres] kan dan niet volhouden dat zij over de maanden januari tot en met mei 2009 recht heeft op € 900,00 bruto per maand. Bij repliek heeft zij immers aangevoerd dat zij gebruikelijk werkte van maandag tot en met vrijdag van 08:00 tot 09:00 en op maandag tot en met donderdag van 15:00 tot 16:00. Naar eigen zeggen werkte [eiseres] normaliter derhalve negen uur per week. Gesteld noch gebleken is dat zij een uur per week minder werkte door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van [gedaagde] behoort te komen. Er is dan geen grond om van het bepaalde in artikel 7:627 BW af te wijken.

De kantonrechter zal derhalve voor wat betreft de periode januari 2009 tot en met mei 2009 uitgaan van negen gewerkte uren per week.

Op grond van de stelling van [eiseres] met betrekking tot de in de maanden juni en juli 2009 gewerkte uren, zal de kantonrechter uitgaan van negentien gewerkte uren per maand.

[gedaagdes] verweer dat [eiseres] nooit meer dan vijf uur per week gewerkt heeft, moet in het licht van de door partijen opgestelde overeenkomst waarin een werkweek van tien uur bedongen is, als niet aannemelijk van de hand gewezen worden. [gedaagde] concretiseert die stelling bij dupliek ook niet maar wordt juist vager door te stellen dat [eiseres] structureel de contractueel overeengekomen uren niet gewerkt heeft. Hoeveel uren [eiseres] dan wel gewerkt heeft, laat [gedaagde] in het midden. [gedaagde] zal voorts niet toegelaten worden tot het aanbieden van nader bewijs nu door haar niet gesteld is dat uit dat bewijs de juistheid van de (in eerste instantie door haar bepleite) vijf uur per week zal blijken. Wel zou uit dat bewijs gelet op de stellingen van [gedaagde] kunnen blijken dat [eiseres] tijdens zorguren (ook) bij haar moeder geweest is, maar dat gegeven is op zichzelf genomen niet in tegenspraak met de hiervoor conform de stellingen van [eiseres] vastgestelde uren tijdens welke [eiseres] wel gewerkt heeft en welke uren inderdaad qua omvang structureel minder waren dan de overeengekomen tien uur per week. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat en waarom een gebruikelijk lager aantal uren dan de tien per week die bij arbeidsovereenkomst bedongen waren of de negen die [eiseres] verantwoordt, niet voor haar rekening en risico komen in de zin van artikel 7:628 BW.

Als verweer tegen de gevorderde hoofdsom beroept [gedaagde] zich nog op een van de arbeidsovereenkomst afwijkende/aanvullende overeenkomst. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

[gedaagdes] bij antwoord ingenomen stelling dat met [eiseres] afgesproken is dat [gedaagde] al hetgeen zij van de SVB in het kader van het PGB-budget voor door [eiseres] te verlenen zorg zou ontvangen, aan [eiseres] zou betalen (onder aftrek van de verplichte inhoudingen), laat onverlet dat partijen hiermee geen van de arbeidsovereenkomst afwijkende afspraak hebben gemaakt voor het geval dat budget niet toereikend zou zijn, zoals kennelijk in 2009 het geval was. Vervolgens stelt [gedaagde] dat [naam sub 1] (of [naam sub 2]?) aanwezig was toen [eiseres] haar mededeelde dat zij haar uren in afwachting van de beslissing van de SVB inzake de zorguren niet zou aanpassen. Ook uit deze gestelde mededeling blijkt niet dat partijen een afwijkende/aanvullende overeenkomst gesloten hebben. Integendeel. Met die mededeling is hooguit gezegd dat [eiseres] onverkort uitvoering wenste te geven aan de arbeidsovereenkomst. Vervolgens biedt [gedaagde] bewijs aan door [naam sub 1]/[naam sub 2] als getuige te horen omdat overeengekomen zou zijn dat [eiseres] maximaal zou ontvangen hetgeen in het kader van het PGB voor het inkopen van zorg door [gedaagde] zou worden ontvangen. [gedaagde] doelt hiermee kennelijk op de hiervoor vermelde mededeling van [eiseres], waaruit evenwel (zoals reeds gezegd) geen afwijkende overeenkomst afgeleid kan worden. Al bij al zijn de stellingen van [gedaagde] op dit onderdeel van haar verweer niet consistent en steekhoudend genoeg om haar tot bewijslevering toe te laten.

Op grond van voorgaande overwegingen is van de hoofdsom derhalve toewijsbaar het loon over de maanden januari 2009 tot en met mei 2009, uitgaande van negen gewerkte uren per week, en het loon over de maanden juni en juli 2009, uitgaande van negentien gewerkte uren per maand. Omdat het loon onbetwist € 20,00 bruto per uur bedraagt, wordt de toe te wijzen hoofdsom als volgt berekend:

januari t/m mei: 9 x € 20,00 x 52 x 5/12 = € 3.900,00 bruto

juni en juli : 19 x € 20,00 x 2 = € 760,00 bruto

totaal: € 4.660,00 bruto

De wettelijke verhoging van 50% over voornoemd bedrag is eveneens toewijsbaar, zodat naast de hoofdsom een bedrag van € 2.330,00 toegewezen zal worden. Voor matiging is geen grond, nu daar van de zijde van [gedaagde] geen beroep op gedaan is.

De wettelijke rente over de gevorderde hoofdsom en de wettelijke verhoging is eerst toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding aangezien [gedaagde] door de daad van dagvaarding vanaf die dag in verzuim is en [eiseres] geen concrete vóór die dag gelegen verzuimdatum genoemd heeft. Het verweer van [gedaagde] dat de gevorderde rente over de wettelijke verhoging geen steun in de wet of de jurisprudentie vindt, moet worden verworpen. De wettelijke rente is op grond van artikel 6:119 BW immers toewijsbaar nu er sprake is van vertraging in de voldoening van de wettelijke verhoging en [gedaagde] geen concrete jurisprudentie heeft genoemd op grond waarvan dit onderdeel van de vordering afgewezen zou moeten worden. Die jurisprudentie is de kantonrechter ook niet bekend.

Als de merendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] verwezen worden in de kosten van dit geding.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde] - onder afgifte van een deugdelijke bruto/nettospecificatie voor het loonbestanddeel - om tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 6.990,00 bruto aan [eiseres] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2010 tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de datum van dit vonnis begroot op € 688,89, bestaande uit € 400,00 aan salaris gemachtigde,

€ 208,00 aan vastrecht en € 80,89 aan explootkosten.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.