Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR3447

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
. AWB 11 / 298 e.a.
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nieuwe vergoedingsregeling voor de diensthondengeleiders bij de politie, van de afkoopregeling is de hoogte afhankelijk van de vroegere aanspraken. Verweerder telt bij de oude aanspraken maandelijks € 30,= op omdat het korps het voer verstrekte, hierdoor wordt het afkoopbedrag lager dan eisers wensen. Argumenten van eisers verworpen: een geldelijke vergoeding om het voer zelf te kopen zou bij de bepaling van de hoogte van de oude aanspraken ook zijn meegeteld. Voerkosten hoeven niet individueel te worden berekend, geen rentecompensatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2011 in de zaken tussen

1. AWB 11 / 298, [eiser 1], wonend te [...], besluit van 3 februari 2011,

2. AWB 11 / 299, [eiser 2], wonend te [...], besluit van 27 januari 2011,

3. AWB 11 / 300, [eiser 3], wonend te [...], besluit van 27 januari 2011,

4. AWB 11 / 301, [eiser 4], wonend te [...], besluit van 31 januari 2011,

5. AWB 11 / 302, [eiser 5], wonend te [...], besluit van 27 januari 2011,

6. AWB 11 / 303, [eiser 6], wonend te [...], besluit van 27 januari 2011,

7. AWB 11 / 304, [eiser 7], wonend te [...], besluit van 31 januari 2011,

8. AWB 11 / 305, [eiser 8], wonend te [...], besluit van 27 januari 2011,

9. AWB 11 / 306, [eiser 9], wonend te [...], besluit van 27 januari 2011,

10. AWB 11 / 307, [eiser 10], wonend te [...], besluit van 27 januari 2011,

11. AWB 11 / 308, [eiser 11], wonend te [...], besluit van 27 januari 2011,

12. AWB 11 / 309, [eiser 12], wonend te [...] (Duitsland), besluit van 3 februari 2011,

13. AWB 11 / 320, [eiser 13], wonend te Spaubeek, besluit van 21 januari 2011,

14. AWB 11 / 335, [eiser 14], wonend te [...], besluit van 21 januari 2011,

15. AWB 11 / 336, [eiser 15], wonend te [...], besluit van 7 februari 2011,

16. AWB 11 / 352, [eiser 16], wonend te [...] (Duitsland),

besluit van 21 januari 2011,

17. AWB 11 / 353, [eiser 17], wonend te [...] (België), besluit van 21 januari 2011,

18. AWB 11 / 367, [eiser 18], wonend te [...], besluit van 27 januari 2011,

19. AWB 11 / 377, [eiser 19], wonend te [...], besluit van 21 januari 2011,

20. AWB 11 / 388, [eiser 20], wonend te [...], besluit van 21 januari 2011,

21. AWB 11 / 389, [eiser 21], wonend te [...], besluit van 21 januari 2011,

22. AWB 11 / 390, [eiser 22], wonend te [...], besluit van 27 januari 2011,

23. AWB 11 / 529, [eiser 23], wonend te [...], besluit van 17 februari 2011,

en

de korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.P.C.W. Tummers).

Procesverloop

Bij primaire besluiten heeft de Bureauchef P&O aan eisers meegedeeld welke maandelijkse vergoeding en tegemoetkoming zij ontvangen voor diensthonden op grond van de voor hen geldende landelijke Regeling voorzieningen hondengeleiders politie (de Regeling) per 1 januari 2010. Voorts is het bedrag bepaald dat aan eenmalige tegemoetkoming wordt toegekend. Aangezien over de periode van 1 januari 2010 tot 1 november 2010 is vergoed op grond van de tot dan geldende regeling is een individuele specificatie verstrekt van de nabetaling dan wel vordering.

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde, grotendeels gelijkluidende, besluiten is op de bezwaren van eisers beslist.

Eisers hebben tegen laatstgenoemde besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 juli 2011.

Ter zitting zijn verschenen:

Eisers 3 en 6, mr. N.D. Dane, gemachtigde van eisers 1 tot en met 12,

eisers 14 en 15,

eiser 17, mr. N.H. Mulhof, gemachtigde van eisers 16 en 17,

eiser 18,

eisers 19 en 20, mr. S.B. De Jong, gemachtigde van eisers 19 tot en met 21,

eiser 22,

mr. M.J. Pullens, gemachtigde van eiser 23.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.C.W. Tummers.

Overwegingen

Eisers zijn werkzaam bij de Politieregio Limburg Zuid als hondengeleider. Zij ontvingen sinds 2001 op basis van lokale afspraken een maandelijkse vergoeding als vergoeding voor het verzorgen van de diensthond in eigen tijd. Daarnaast konden de gemaakte onkosten worden gedeclareerd. Deze vergoeding bedroeg € 160,= bruto (ƒ 350,=) per maand, dat is ongeveer € 90,= netto.

Met ingang van 1 januari 2010 is de Regeling van kracht. Bij brief van 10 augustus 2010 is eisers de keus gegeven om te opteren voor handhaving van de oude korpsafspraken over vergoeding, dit voor het tijdvak van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015, dan wel te kiezen voor toepassing van de Regeling met ingang van 1 januari 2010. Eisers hebben allen gekozen voor toepassing van de Regeling.

Per 1 januari 2010 is de Regeling in de plaats getreden van de tot dan geldende regelingen. De vergoedingen van eisers zijn per die datum als volgt vastgesteld:

- Op basis van artikel 2 van de Regeling een maandelijkse vergoeding van € 100,= netto per diensthond voor de verzorging en ter compensatie van de kosten voor voer en aanverwante producten, ontsmettings- en schoonmaakprodukten, water en elektriciteit en van klein verzorgingsmateriaal zoals bijvoorbeeld een hondenborstel. De vergoeding wordt maandelijks met € 30,= netto verminderd over het tijdvak van januari tot en met oktober 2010 omdat het korps in dit tijdvak enkele van deze kosten, waaronder het voer, voor zijn rekening heeft genomen.

- Op basis van artikel 3 van de Regeling een maandelijkse vergoeding van € 240,= bruto per hondengeleider voor de permanente verantwoordelijkheid. Verrekening vindt plaats met de uitkering van € 160,= bruto per maand per diensthond over het tijdvak van 1 januari 2010 tot 1 oktober 2010.

- Op basis van artikel 14 van de Regeling als afkoopregeling een bruto eenmalige tegemoetkoming waarin alle financiële tegemoetkomingen en vergoedingen in het kader van verzorging en onderhoud zijn meegenomen. De hoogte hiervan is gerelateerd aan de totale hoogte van de maandelijkse aanspraak op 31 december 2009. Het bedrag wordt naar rato toegekend over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009.

- Overige kosten, bijvoorbeeld voor dierenarts en certificering, blijven voor rekening van de werkgever.

Verweerder heeft bij de berekening van de eenmalige tegemoetkoming op grond van artikel 14 van de Regeling de aan eisers over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 dan wel over die periode naar rato verleende vergoeding van € 90,= netto per maand verhoogd met een bedrag van € 30,= vanwege de maandelijkse verstrekking van voer door het korps aan eisers. Hierdoor komt de totale aanspraak per maand op € 120,= en valt de tegemoetkoming in de categorie > € 100,= tot en met € 150,= per maand, wat leidt tot een eenmalige tegemoetkoming van € 3.468,=.

Eisers zijn het oneens met de uitleg van verweerder van artikel 14 van de Regeling. Zij voeren aan dat € 30,= voor het voer niet mag worden meegerekend bij de maandelijkse aanspraak tot 1 januari 2010. Dit zou betekenen dat de totale aanspraak per maand komt in de categorie tot en met € 100,= per maand, wat weer leidt tot een eenmalige tegemoetkoming van € 4.954,=.

Tot 2010 werden de kosten van een diensthond vergoed op basis van een beslisdocument van 27 juli 2007, tot stand gekomen op basis van een brief van de matrixhouder hondengeleiders district Maastricht, [matrixhouder], van 3 april 2001. De inhoud van dit beslisdocument bezien in samenhang met deze brief kan worden beschouwd als een algemeen geaccepteerde regeling. Volgens die vroegere regeling werden de exploitatiekosten van een diensthond in zijn geheel betaald door de politieorganisatie. Het ging hierbij om de kosten voor de dierenarts, voer, pension en dressuurmiddelen. Daarnaast ontvingen de hondengeleiders een maandelijkse tegemoetkoming van € 160,= en werd het voer in natura uitgekeerd.

Op grond van artikel 14 van de Regeling is sprake van een eenmalige tegemoetkoming waarvan de hoogte afhangt van de maandelijkse aanspraak van de hondengeleider op 31 december 2009.

De rechtbank stelt vast dat in de Regeling bij de daarin opgenomen bedragen niet is vermeld of het om netto of bruto bedragen gaat.

Gelet op de aard van de eenmalige tegemoetkoming is de rechtbank van oordeel dat het bij de bedragen opgenomen in de rechterkolom van artikel 14, tweede lid, onder Hoogte tegemoetkoming in € gaat om bruto bedragen. Dit betekent voorts dat verweerder door bij de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming per maand (linkerkolom) uit te gaan van netto bedragen, eisers in elk geval niet tekort heeft gedaan.

Eisers hadden op de peildatum van 31 december 2009 recht op een vergoeding van € 90,= per maand voor het verzorgen van de diensthond in eigen tijd. Bij die vergoeding heeft verweerder ter bepaling van de maandelijkse aanspraak zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Regeling een bedrag van € 30,= per maand opgeteld voor het door de dienst verstrekte voer.

De rechtbank overweegt dat een niet centrale inkoop van het voer met een verstrekking in natura ongetwijfeld ertoe zou hebben geleid dat de hondengeleiders een geldelijke vergoeding zouden hebben ontvangen om het voer zelf te kopen. Voor de rechtbank staat vast dat deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de maandelijkse aanspraak per 31 december 2009 zou zijn meegeteld. Dit betekent dat de op 31 december 2009 bestaande aanspraak op verstrekking van voer in natura eveneens dient te worden meegeteld bij de toegekende tegemoetkoming van ongeveer € 90,= netto (€ 160,= bruto). Eisers hebben niet hard kunnen maken dat artikel 14 van de Regeling alleen ziet op vroegere financiële vergoedingen en niet op een vergoeding in natura.

De totale tegemoetkoming valt hiermee in de in artikel 14 van de Regeling genoemde categorie > € 100,= tot en met € 150,=, zodat het uitgangspunt voor de eenmalige tegemoetkoming als bedoeld in artikel 14 van de Regeling terecht is gesteld op € 3.468,=.

De mail van een ambtenaar van het ministerie, waarin deze aangeeft dat de € 30,= niet dient te worden bijgeteld, kan niet worden gezien als een uitspraak van het bevoegd gezag en legt dan ook geen gewicht in de schaal. Ook het beroep van eisers op de in de zogeheten A4 special Regeling voorzieningen hondengeleiders opgenomen tekst mag eisers niet baten. In de A4 is opgenomen dat deze is bedoeld om de politiekorpsen op een snelle manier kort en bondig te informeren en dat aan de in de A4 opgenomen informatie geen rechten kunnen worden ontleend. De rechtbank verwerpt deze beroepsgronden.

Voor wat betreft de bepaling van de hoogte van het bedrag aan voer, aangevoerd door eisers [eiser 12] en [eiser 15], overweegt de rechtbank als volgt. Het voedsel is niet per hond, maar collectief ingekocht. Dat de maandelijkse verstrekking van het voer kan worden begroot op een waarde van € 30,= heeft verweerder met de verstrekte gegevens over de jaren 2008, 2009 en (deels) 2010 voldoende aannemelijk gemaakt. Er bestaat geen aanleiding om de kosten individueel te berekenen. De rechtbank stelt vast dat, ook met de door eiser [eiser 15] gestelde lagere voerkosten, de totale maandelijkse aanspraak nog boven de € 100,= uitkomt, zodat ook dan de tegemoetkoming juist zou zijn vastgesteld. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder gerechtigd was tot verrekening van de in 2010 op basis van de oude regeling uitgekeerde maandelijkse vergoedingen, aangezien anders een dubbele vergoeding zou worden ontvangen. De rechtbank verwerpt deze door eiser [eiser 15] opgeworpen beroepsgrond.

Aangevoerd is dat de (na)betalingen met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2010 pas hebben plaatsgevonden in de tweede helft van oktober 2010, waarvoor het daardoor ontstane renteverlies dient te worden gecompenseerd.

Verweerder heeft ter zitting erop gewezen dat de per 1 januari 2010 ingaande Regeling pas op 28 mei 2010 in de Staatscourant is gepubliceerd.

De rechtbank stelt vast dat in deze publiekrechtelijke regeling een aantal vergoedingen zijn vastgesteld, maar dat hierin geen bepalingen over toe te kennen rente zijn opgenomen. Na publicatie van de Regeling in de Staatscourant mag verweerder enige tijd worden gegund voor de administratieve verwerking. Bij brieven van 10 augustus 2010 is eisers eerst de mogelijkheid gegeven om te kiezen voor handhaving van de oude korpsafspraken dan wel te kiezen voor toepassing van de Regeling met ingang van 1 januari 2010. Nadat eisers allen voor de laatste mogelijkheid hadden gekozen, heeft verweerder in oktober 2010 de primaire besluiten genomen. Met deze behandeltijd is verweerder binnen redelijke grenzen gebleven.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verweerder hierover inhoudelijk in het bestreden besluit heeft opgenomen door eisers onvoldoende gemotiveerd is betwist en dat eisers deze beroepsgrond onvoldoende hebben onderbouwd. Hetgeen eisers hebben betoogd, kan dan ook niet leiden tot het door hen beoogde resultaat.

De rechtbank vermag echter niet in te zien dat eisers dit punt in bezwaar niet konden opwerpen, omdat hen immers pas bij de primaire besluiten duidelijk werd hoe de hoogte van de aan hen toekomende tegemoetkoming werd vastgesteld en dat daarbij geen rentecompensatie werd berekend. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder eisers dus op dit punt niet niet-ontvankelijk moeten verklaren maar het bezwaar ook op dit onderdeel ongegrond moeten verklaren.

Het beroep is gegrond. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien en het bezwaar in zoverre het betreft het renteverlies ongegrond verklaren. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten, voor zover het bezwaar van eisers tegen het niet toekennen van rentecompensatie niet-ontvankelijk is verklaard;

verklaart de bezwaren tegen het niet toekennen van rentecompensatie ongegrond;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels, voorzitter en mr. Y.J. Klik en

mr. H.J.O. Martens, leden, in tegenwoordigheid van drs. F.A.W. van Gils, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2011.

F.A.W. van Gils P.J.M. Bruijnzeels

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.