Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR2386

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
AWB 10/1968
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekken uitkering vanwege weigering medewerking aan tweede huisbezoek. Domino effect. Verweerder baseert de redelijke grond bij het beoogde tweede huisbezoek op een melding van een bijstandsconsulent en de bevindingen van het eerste huisbezoek. De melding van de bijstandsconsulent was ontoereikend om een redelijke grond te vormen voor het eerste huisbezoek. Informed consent ontbreekt. Bevindingen eerste huisbezoek moeten dus buiten beschouwing blijven en melding bijstandsconsulent vormt ook bij tweede huisbezoek geen redelijke grond voor twijfel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/1968

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2011 in de zaak tussen

[eiser] te Heerlen, eiser

(gemachtigde: mr. R.A. Wijnands),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. Konen).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers bijstandsuitkering ingetrokken.

Bij besluit van 10 november 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door [dhr A], als waarnemer van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser ontvangt sinds 20 juni 2008 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een melding van een bijstandsconsulent dat mogelijk sprake is van een samenwoning, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand. Op

15 september 2009 is door een sociaal rechercheur in bijzijn van een inkomensconsulent een bezoek gebracht aan de woning van eiser, alwaar ook[naam] is aangetroffen. Zowel eiser als [naam] hebben een verklaring afgelegd. Met eiser is afgesproken dat zij beiden zullen worden uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de dienst. Vanwege omstandigheden aan de kant van verweerder is het niet meer tot een uitnodiging gekomen. Op 11 juni 2010 hebben twee sociaal rechercheurs getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op het adres van eiser. Dit is niet doorgegaan omdat eiser zijn medewerking heeft geweigerd.

Verweerder heeft de bijstandsuitkering met ingang van 11 juni 2010 ingetrokken, omdat eiser de inlichtingen- en medewerkingsverplichting zou hebben geschonden en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.

Eiser voert - kort samengevat - aan dat geen sprake was van informed consent ten aanzien van het eerste huisbezoek, zodat er geen redelijke grond bestond voor het tweede huisbezoek. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van een inbreuk op het huisrecht geen sprake is nu eiser vrijwillig toestemming heeft gegeven voor het huisbezoek nadat hem de reden was uitgelegd.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Indien de belanghebbende de inlichtingen- of de medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer de uitspraak van 26 april 2011 (LJN: BQ2795), is geen sprake van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan

- dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de intrekking heeft gebaseerd op het feit dat eiser geen medewerking heeft verleend aan het beoogde tweede huisbezoek. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder de redelijke grond voor het tweede huisbezoek aanwezig heeft geacht op grond van de melding van de bijstandsconsulent in samenhang bezien met de bevindingen van het eerste huisbezoek. De melding bestond daaruit dat gedurende de begeleiding bij het re-integratietraject van eiser is geconstateerd dat [naam] regelmatig bij eiser is om hem te steunen en dat eiser meerdere malen erop is gewezen dat, indien sprake is van een gezamenlijke huishouding, hij dit moet doorgeven.

De rechtbank is van oordeel dat de melding met de hiervoor weergegeven inhoud op zich onvoldoende concrete feiten en omstandigheden oplevert om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid van de opgave van eiser omtrent zijn woon- en leefsituatie. Het gaat hier om constateringen die zijn gedaan in een ander kader dan dat van de bijstandverlening, te weten het re-integratietraject. In het dossier zijn hiervan geen verdere stukken aanwezig zodat aard, inhoud en frequentie van de contacten tussen eiser en zijn vriendin niet verder zijn omschreven en er ook geen gespreksverslag is van hetgeen met eiser is besproken. De bij de uitstroomconsulent gerezen twijfel omtrent de woon- en leefsituatie kon weliswaar ook bij de bijstandsconsulent twijfel doen ontstaan over de woon- en leefsituatie van eiser, maar dit had aanleiding moeten vormen om een nader onderzoek te doen met minder ingrijpende methoden, zoals gehoren, observaties en het opvragen van gegevens van bijvoorbeeld energieverbruik alvorens zonodig tot een huisbezoek werd overgegaan. De rechtbank verwijst nog naar de uitspraak van de CRvB van 21 september 2010 (LJN: BN8775).

Eiser had in elk geval eerst kunnen worden uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de dienst waarna - zo nodig aansluitend - een huisbezoek kon worden afgelegd.

Dit betekent dat een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op

15 september 2009 ontbrak. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser bij het huisbezoek op 15 september 2009 is voorgehouden dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de bijstand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de door eiser op

15 september 2009 ondertekende verklaring alsmede naar hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard. Nu voorafgaand aan het binnentreden in de woning niet duidelijk is gemaakt dat het niet geven van toestemming geen gevolgen heeft voor de verdere verlening van bijstand, is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van eiser dat ten aanzien van dit huisbezoek niet is voldaan aan de eis van “informed consent” juist is.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat met het huisbezoek van 15 september 2009 een inbreuk op het huisrecht van eiser is gemaakt, zodat het huisbezoek als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB brengt de omstandigheid dat een huisbezoek een onrechtmatig karakter draagt in gevallen als het onderhavige, waarin een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek ontbreekt, mee dat de bevindingen van dat huisbezoek in beginsel niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van degene jegens wie dat huisbezoek onrechtmatig is. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om in het geval van eiser van dit uitgangspunt af te wijken. Dat betekent dat de verklaringen die eiser en [naam] tijdens het huisbezoek op 15 september 2009 hebben afgelegd niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van eiser. Ook hetgeen is aangetroffen tijdens het huisbezoek kan niet in de beoordeling worden betrokken.

Dit betekent dat aan het beoogde tweede huisbezoek enkel de hiervoor reeds besproken melding van de bijstandsconsulent ten grondslag gelegd kan worden en dat gelet op het hiervoor weergegeven oordeel over deze melding eveneens geen redelijke grond bestond voor het beoogde huisbezoek op 11 juni 2010, zodat eiser zonder gevolgen zijn medewerking aan dit huisbezoek had mogen weigeren. Eiser kan dan ook niet worden tegengeworpen dat hij geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen aan het tweede huisbezoek. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er geen sprake is van een schending van de op eiser rustende medewerkingsverplichting.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet tevens aanleiding om het primaire besluit van 29 juni 2010 te herroepen.

De rechtbank merkt op dat eiser tijdens de beroepsprocedure geen verzoek tot schadevergoeding heeft gedaan. Het in bezwaar gestelde, dat eiser voornemens is civielrechtelijke stappen te ondernemen, kan niet worden opgevat als een verzoek om toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,- (enkel 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 437,- en een wegingsfactor 1).

De rechtbank merkt hierbij op dat van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen sprake is als tussen degene aan wie de rechtsbijstand wordt verleend en de rechtsbijstandverlener een familierelatie bestaat.

Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-herroept het besluit van 29 juni 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,- aan eiser te vergoeden;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 437,-, te betalen aan de griffier.

De uitspraak is gedaan door mr. Y.J. Klik, voorzitter, en mrs. A.W.P. Letschert en

Th.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. I.H.J. van Neer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2011.

w.g. I. van Neer w.g. Y. Klik

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 juli 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.