Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR1949

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-05-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
03/700077-11 en 03/640770-08 (VTVV)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: (1) Voor 'onder zich hebben' in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht is een feitelijke heerschappij over het goed niet steeds voldoende. Er moet een bepaalde verhouding van de verdachte ten opzichte van het goed bestaan. Meestal zal er sprake zijn van een toevertrouwd zijn, of van een rechtsverhouding waaruit noodzakelijk voortvloeit dat de verdachte de goederen onder zich had.

(2) Uit het dossier blijkt dat verdachte zijn geld had toevertrouwd aan zijn zus en dat hij haar toestemming nodig had om over zijn geld te kunnen beschikken. Gelet hierop kan gesproken worden van geld dat aan de zus van verdachte toebehoorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummers: 03/700077-11 + 03/640770-08 (vtvv)

Datum uitspraak: 30 mei 2011

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 mei 2011 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks van 13 juli 2010 tot en met 14 september 2010 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een televisie (merk [MERKNAAM]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij in of omstreeks de periode van 27 juli 2010 tot en met 19 september 2010 in het arrondissement Maastricht, een kentekenplaat, [XXXXXX], heeft verworven, voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde kentekenplaat wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2010 tot en met 18 oktober 2010 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een schaftkeet heeft weggenomen een schoffelmachine en/of en bladblazer en/of een heggeschaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij op of omstreeks 6 november 2010 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (kinder)fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5.

hij op of omstreeks 23 januari 2011 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten (ongeveer) Euro 5,-), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, bij de voordeur van de woning van [naam slachtoffer 4] stond en schreeuwde: "Geef me geld, want dat heb ik nodig. Maak de deur open. Ik wil naar binnen" en/of "Maak die deur open. Ik sla hem nu in" en/of "Nog vijf

Euro. Het is niet genoeg" en/of "Ik heb een mes bij mij. Ik steek de autobanden van jouw auto lek, alle vier" en/of "Dan trap ik de deur in", althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

6.

hij op of omstreeks 23 januari 2011 in de gemeente Kerkrade opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een voordeur van een woning, gelegen aan de [S.straat]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

7.

hij op of omstreeks 23 januari 2011 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [N.straat], heeft weggenomen een televisie en/of een hoeveelheid geld (te weten (ongeveer) Euro 140,-) en/of 19 pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Tengevolge van een kennelijke omissie staat in de dagvaarding in regel 1 van het onder 1 ten laste gelegde achter omstreeks niet vermeld de periode;

De rechtbank herstelt deze omissie, aangezien dit mogelijk is zonder dat verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

Verweren

Feit 1

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte tijdens de vakantie van zijn moeder rechtmatig in haar woning verbleef. Verdachte had toen de beschikking en de feitelijke heerschappij over hetgeen zich in het woonhuis bevond, dus ook over de televisie. Op het moment dat verdachte besloot zich de televisie toe te eigenen, had hij deze dus al anders dan door misdrijf onder zich. Daarom kan in deze zaak geen sprake zijn van diefstal doch uitsluitend (wellicht) van het in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht vervatte misdrijf “verduistering”. Verduistering is echter niet ten laste gelegd. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van feit 1.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet gebleken is dat verdachte op het moment dat hij besloot zich de televisie toe te eigenen deze televisie reeds "onder zich had" in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht. Voor "onder zich hebben" in de zin van dat artikel is een feitelijke heerschappij over het goed niet steeds voldoende. Er moet een bepaalde verhouding van de verdachte ten opzichte van het goed bestaan. Meestal zal er sprake zijn van een toevertrouwd zijn, of van een rechtsverhouding waaruit noodzakelijk voortvloeit dat de verdachte de goederen onder zich had. Zo een rechtsverhouding kan bijvoorbeeld bestaan als men zich de belangen van anderen bij wijze van zaakwaarneming heeft aangetrokken. Nergens blijkt uit dat deze verhouding in het onderhavige geval heeft bestaan Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Feit 5

De raadsman van verdachte heeft ter verdediging aangevoerd dat niet kan worden gesproken van een wederrechtelijke bevoordeling nu het geld waarover de zus van verdachte beschikte niet aan haar toebehoorde maar van verdachte zelf was. De zus beheerde immers verdachtes geld en het was verdachte alleen te doen om de beschikking te krijgen over zijn eigen geld. Omdat het niet zo kan zijn dat verdachte zijn eigen geld afhandig kan maken, moet verdachte worden vrijgesproken van feit 5.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat voor een uitleg van het delictsbestanddeel 'aan een ander toebehoren' het niet doorslaggevend is of het eigendomsrecht naar civielrechtelijke begrippen al dan niet bij de verdachte heeft berust. De rechtspraak laat toe dat voor strafrechtelijke doeleinden begrippen worden ontwikkeld en gehanteerd die afwijken van hetgeen op andere rechtsgebieden wordt aangenomen, zo ook in dit geval. Uit het dossier blijkt dat verdachte zijn geld had toevertrouwd aan zijn zus en dat hij haar toestemming nodig had om over zijn geld te kunnen beschikken. Gelet hierop kan gesproken worden van geld dat aan de zus van verdachte, [naam slachtoffer 4], toebehoorde. Gezien de beschreven gezagsverhouding met betrekking tot het geld, had verdachte anders dienen te handelen dan feitelijk is geschied.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De vrijspraak

Feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd. Het dossier bevat immers geen bewijs waaruit de rechtbank kan afleiden dat verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de kentekenplaat wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 13 juli 2010 tot en met 14 september 2010 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een televisie (merk [MERKNAAM]), toebehorende aan [naam slachtoffer 1];

3.

hij in de periode van 10 oktober 2010 tot en met 18 oktober 2010 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een schaftkeet heeft weggenomen een schoffelmachine en een bladblazer en een heggenschaar, toebehorende aan [naam slachtoffer 2];

4.

hij op 6 november 2010 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kinderfiets, toebehorende aan [naam slachtoffer 4];

5.

hij op 23 januari 2011 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten 5,- euro), toebehorende aan [naam slachtoffer 4], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, bij de voordeur van de woning van [naam slachtoffer 4] stond en schreeuwde: "Geef me geld, want dat heb ik nodig. Maak de deur open. Ik wil naar binnen" en/of "Maak die deur open. Ik sla hem nu in" en/of "Ik heb een mes bij mij. Ik steek de autobanden van jouw auto lek, alle vier" en/of "Dan trap ik de deur in";

6.

hij op 23 januari 2011 in de gemeente Kerkrade opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een voordeur van een woning, gelegen aan de [S.straat], toebehorende aan [naam slachtoffer 4], heeft vernield;

7.

hij op 23 januari 2011 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [N.straat], heeft weggenomen een televisie en 19 pakjes sigaretten, toebehorende aan [naam slachtoffer 6].

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3, 5, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

PM

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1, Feit 3, Feit 4 en Feit 7:

diefstal , meermalen gepleegd

Feit 5:

afpersing

Feit 6:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1, 3, 4, 5, 6 en 7 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Voorts heeft hij gevorderd aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf een verplicht reclasseringstoezicht, een meldingsgebod en een behandelverplichting te verbinden.

De raadsman heeft geadviseerd een lagere straf dan geëist op te leggen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft vier diefstallen, een afpersing en een vernieling gepleegd. Verdachte geeft daarmee blijk geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en geen rekening te houden met de schade die hij anderen toebrengt. Om zijn drugsverslaving te bekostigen denkt hij alleen maar aan zijn eigen hachje. Het is bovendien betreurenswaardig om te zien dat hij zijn eigen zus, die bereid is om hem met zijn financiën te helpen, bedreigt met geweld om zodoende geld voor drugs te krijgen. De hulp die hij onder meer van zijn zus en moeder krijgt, wordt door hem op geen enkele waarde geschat. Het voorgaande rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het strafblad van 13 april 2011 waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake vermogensdelicten is veroordeeld.

[S.], reclasseringswerker bij de Mondriaan Zorggroep, heeft op 12 mei 2011 een voorlichtingsrapport uitgebracht omtrent de persoon van de verdachte. In dit rapport staat weergegeven dat verdachte een verstandelijk beperkte jongeman is die zijn middelengebruik neigt te bagatelliseren. Er is sprake van een gedragsproblematiek en hij kan niet budgetteren. Verdachte mist inzicht en heeft onvoldoende copingvaardigheden om zijn problemen zelfstandig te kunnen oplossen. Hij toont de wil om te veranderen. Gestreefd dient te worden naar volledige abstinentie, een zinvolle dagbesteding, huisvesting in de vorm van begeleid wonen en een goed contact met zijn familie zonder van hen afhankelijk te zijn.

Ter terechtzitting heeft [S.] verklaard dat verdachte geschikt is bevonden om geplaatst te worden in een 24-uurs begeleide woonvoorziening van de MOV (Stichting Maatschappelijk Opvang Voorzieningen). Die plaatsing kan binnen enkele weken geschieden. Van daaruit kan worden bekeken welke behandelingen verdachte dient te ondergaan binnen de Specialistische Zorg van Dichterbij.

De reclassering adviseert de rechtbank om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij een verplicht reclasseringstoezicht, een meldingsgebod en een behandelverplichting als bijzondere voorwaarden worden gesteld.

Het vorenstaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is.

De door de officier van justitie geëiste straf is naar het oordeel van de rechtbank passend, en zij zal die strafeis ook volgen.

De rechtbank acht het van groot belang dat verdachte gaat werken aan zijn gedrags- en verslavingsproblematiek. Daarom zal de rechtbank verplicht reclasseringstoezicht, een meldingsgebod en een ambulante behandelverplichting als bijzondere voorwaarden stellen bij het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 310, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van een geldboete van € 200,-, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 21 juli 2010, gewezen onder parketnummer 03/640770-08.

De officier van justitie en de raadsman van verdachte stellen zich op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen, gezien verdachtes financiële situatie.

De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen omdat zij de tenuitvoerlegging op dit moment niet gepast acht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3, 5, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 maanden;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot 4 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit dan wel de volgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich binnen 5 dagen na onherroepelijk worden van het vonnis telefonisch meldt bij Mw. [S.] van de justitiële Verslavingszorg, bereikbaar op 046-4571064. Hierna dient verdachte zich gedurende 2 jaar bij de justitiële Verslavingszorg te melden, zo frequent als de justitiële Verslavingszorg dit nodig acht;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te laten behandelen (ambulant) binnen de Specialistische Zorg van Stichting Dichterbij;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- wijst af de vordering strekkende tot de tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 21 juli 2010 voorwaardelijk opgelegde geldboete.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. M.E. Kramer en

mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 30 mei 2011.