Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR1485

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
AWB 09 / 1476
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft op 24 oktober 2008 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van zijn vier kinderen. Hij heeft daarbij aangegeven dat de Caisse nationale des prestations familiales du Grand-Duché de Luxembourg (Caisse) hem bij besluit van 10 november 2008 heeft meegedeeld dat hij per 1 oktober 2005 geen recht meer heeft op Kindergeld uit Luxemburg.

In het onderhavige geding is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten eiser met ingang van het vierde kwartaal van 2007 kinderbijslag toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 1476

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser]

wonend te Maastricht, eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 16 juli 2009

Kenmerk: 1317.26.274

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 16 maart 2011 plaatsgehad.

Ter zitting is eiser in persoon verschenen en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door A.F.L.B. Metz, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

2. Overwegingen

Eiser heeft op 24 oktober 2008 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van zijn vier kinderen. Hij heeft daarbij aangegeven dat de Caisse nationale des prestations familiales du Grand-Duché de Luxembourg (Caisse) hem bij besluit van 10 november 2008 heeft meegedeeld dat hij per 1 oktober 2005 geen recht meer heeft op Kindergeld uit Luxemburg. Daarom heeft de Caisse over de periode van 1 oktober 2005 tot en met 29 februari 2008 de onverschuldigd betaalde Kindergeld en Kinderbonus van eiser teruggevorderd tot een bedrag van (totaal) € 42.342,94.

Bij besluit van 15 december 2008 heeft verweerder eiser met terugwerkende kracht van één jaar kinderbijslag toegekend en wel met ingang van het vierde kwartaal van 2007.

Bij brief van 21 januari 2009 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij is het niet eens met de ingangsdatum. Volgens hem heeft hij vanaf oktober 2005 recht op kinderbijslag uit Nederland. De medewerkers van de SVB met wie hij eind 2008 heeft gesproken hebben bevestigd dat hij over een periode van drie jaar met terugwerkende kracht recht heeft op kinderbijslag.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder is uit zijn gegevens niet gebleken dat hij eind 2008 telefonisch contact met eiser heeft gehad. Pas ná de beslissing van 15 december 2008 heeft eiser op 9 januari 2009 uitgebreid telefo¬nisch contact gehad waarbij hem uitleg is gegeven over zijn recht op kinderbijslag in Neder¬land en Luxemburg. Over de periode voorafgaand aan het vierde kwartaal van 2007 kan eiser alleen kinderbijslag krijgen, indien er sprake is van een bijzonder geval én van hardheid. Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat hij ervan uitging dat hij, als hij in Luxemburg bleef werken, ook recht op Luxemburgse kinderbijslag zou blijven behouden. Echter, eiser heeft essentiële gegevens zoals het wonen en werken in Nederland niet tijdig verstrekt, waardoor zijn recht op kinderbijslag niet (tijdig) beoordeeld kon worden door de Luxemburgse of de Nederlandse kinderbijslagorganisaties. Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep leidt enkele onbekendheid met de wettelijke bepalingen niet tot een bijzonder geval net zo min als onvoldoende activiteit van de betrokkene.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij op basis van de informatie die hij telefonisch en via internet had verkregen in 2005 tot de conclusie was gekomen dat hij recht bleef houden op Luxemburgse kinderbijslag, doordat hij in Luxemburg in dienstbetrekking bleef. Hij heeft daarom geen kinderbijslag in Nederland aangevraagd. Naar nu blijkt is eiser destijds foutief geïnformeerd. Verweerders medewerkers hebben eind 2008 bevestigd dat het standpunt van de Luxemburgse autoriteiten juist is en dat eiser recht heeft op Nederlandse kinderbijslag. Hij heeft toen expliciet gevraagd of hij dan over de gehele periode van drie jaar met terugwerkende kracht recht had op Nederlandse kinderbij¬slag, hetgeen toen is bevestigd. Verweerders besluit impliceert dat hij gedurende twee jaar noch in Luxemburg noch in Nederland recht heeft op kinderbijslag, hetgeen niet gerechtvaar¬digd is.

In het onderhavige geding is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten eiser met ingang van het vierde kwartaal van 2007 kinderbijslag toe te kennen.

In artikel 14, eerste lid, van de AKW is bepaald dat de SVB op aanvraag vaststelt of een recht op kinderbijslag bestaat.

In artikel 14, derde lid, van de AKW is bepaald dat het recht op kinderbijslag niet vroeger kan ingaan dan één jaar, voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van het bepaalde in de vorige volzin.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser de kinderbijslag overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, derde lid, van de AKW heeft toegekend, namelijk met ingang van de datum die één jaar voorafgaat aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens hetwelk de aanvraag is ingediend.

Eiser heeft verweerder verzocht een langere terugwerkende kracht toe te passen, hetgeen verweerder heeft geweigerd, omdat er geen sprake is van een bijzonder geval.

Volgens het beleid van de SVB is er sprake van een bijzonder geval:

-indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;

-indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen, uitkering of kinderbijslag én deze onbekendheid verschoonbaar was.

Dit beleid is in de jurisprudentie aanvaard (zie onder andere de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 maart 1984, 30 januari 1991 en 29 april 1993). Op grond van dit beleid wordt in elk voorkomend geval aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden bezien of het geval als bijzonder kan worden aangemerkt. Beoordeeld wordt of het complex van omstandigheden in onderlinge samenhang een bijzonder geval oplevert.

De volgende - niet limitatief opgesomde - gevallen kunnen zich voordoen:

-De aanvraag is te laat ingediend omdat de aanvrager als gevolg van geestelijke gestoordheid of een zware lichamelijke handicap niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen (zie bijvoorbeeld CRvB 6 oktober 1992). In deze situatie wordt echter geen bijzonder geval aangenomen, indien van betrokkene redelijkerwijs gevergd mocht worden dat hij zich liet vertegenwoordigen.

-De te late aanvraag is een aantoonbaar gevolg van onjuiste en/of onvolledige voorlich¬ting door een publiekrechtelijk orgaan en betrokkene had redelijkerwijs niet aan die voorlichting hoeven twijfelen (zie CRvB 14 juni 1960 en 10 mei 1989).

-De te late aanvraag is een gevolg van onbekendheid met rechten, welke voortvloeien uit verdragsbepalingen of uit bijzondere nationale bepalingen (CRvB 15 november 1995). Hoofdregel is, dat onbekendheid met de wet of een internationale regeling niet zonder meer leidt tot het aannemen van een bijzonder geval, tenzij blijkt van een bijkomende omstandigheid op grond waarvan betrokkene niet op de hoogte kon zijn van zijn wettelijke rechten (zie hiervoor bijvoorbeeld CRvB 27 september 1983).

De SVB leidt uit de stand van de jurisprudentie af dat de volgende situaties geen bijzonder geval opleveren:

-een fout van de belangenbehartiger van de betrokkene (CRvB 17 november 1965 en 25 mei 1966);

-onvoldoende activiteit van de betrokkene (CRvB 16 november 1966 en 27 september 1967);

-het niet-aangetekend verzenden van stukken door de betrokkene;

-onvoldoende oplettendheid van de betrokkene;

-enkele onbekendheid met de wettelijke bepalingen (CRvB 9 januari 1963 en 27 september 1983);

-een noodgedwongen verblijf in het buitenland;

-niet kunnen lezen en schrijven, terwijl men over voldoende hulp kan beschikken;

-niet op de hoogte zijn van gepubliceerde beleidswijzigingen en voldoende bekend geworden jurisprudentie vormt na verloop van een bepaalde termijn - in het algemeen een jaar - geen verschoonbare onbekendheid en derhalve geen bijzonder geval (CRvB 12 november 1993 en 29 april 1993).

Eiser stelt zich kennelijk op het standpunt dat de te late aanvraag een gevolg is geweest van onjuiste en/of onvolledige voor¬lichting door een publiekrechtelijk orgaan en dat hij redelijkerwijs niet aan die voorlichting had hoeven twijfelen.

De rechtbank overweegt dat eiser deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Verwijzing naar de met de SVB gevoerde telefoongesprekken is daarvoor niet toereikend. Overigens was ten tijde van het voeren van die telefoongesprekken de aanvraag al ingediend en was daarop ook al beslist. Op basis daarvan kan de aanvraag dus niet te laat zijn ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank moet op grond van de stukken worden geconcludeerd dat er sprake is geweest van onvoldoende activiteit en onvoldoende oplettendheid van de kant van eiser in de periode van zijn voorgenomen verhuizing naar Nederland in het jaar 2005.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat eiser niet heeft aangetoond dat hij door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat is geweest tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen noch dat hij onbekend was met zijn mogelijke recht op kinderbijslag én deze onbekendheid verschoonbaar was.

Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat door verweerder ten aanzien van eiser uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij eiser gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Noch uit hetgeen eiser heeft aangevoerd noch uit de overige beschikbare gegevens valt af te leiden dat van de zijde van de SVB toezeggingen zijn gedaan omtrent een verder terugwerkende kracht dan één jaar.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht en op goede gronden besloten eiser met ingang van het vierde kwartaal van 2007 kinderbijslag toe te kennen.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.E.A. Willemsen, voorzitter, J.N.F. Sleddens en T.G. Klein, leden, in tegenwoordigheid van C.A.M. Kavelaars, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011, zijnde de voorzitter buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

w.g. C. Kavelaars w.g. -

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.