Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR1472

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 1135
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft verweerder op 21 september 2009, dus voordat voormelde etagewoning in beeld kwam, verzocht hem in aanmerking te brengen voor een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wet maatschappelijke onder¬steuning (Wmo). De aanleiding voor die aanvraag was met name het feit dat er in de woning aan de [adres] sprake was van vocht en schimmel, hetgeen volgens eiser nadelige gevolgen had voor zijn gezondheid, nu hij CARA-patiënt is.

Bij besluit van 26 oktober 2009 heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen, omdat hij is verhuisd naar een voor hem niet-adequate woning (aan de [adres]). Eiser was op het moment van de verhuizing al bekend met het feit dat het traplopen voor hem problemen zou gaan opleveren. Desondanks is hij naar die woning verhuisd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 1135

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser]

wonend te Beek, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 27 mei 2010

Kenmerk: 81092700/20194818-368250

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 16 maart 2011 plaatsgehad.

Ter zitting is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door J.B. Bogaart, advocaat te Geleen, en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door K.M.H. Ummels-Schmitz.

2. Overwegingen

Eiser is op 15 januari 2009 verhuisd naar een zolderetage aan [adres] te Geleen. Op 5 oktober 2009 kreeg hij een etagewoning aangeboden te Beek, welke woning hij heeft geaccepteerd. Op 30 oktober 2009 is hij met zijn partner naar die woning verhuisd.

Eiser heeft verweerder op 21 september 2009, dus voordat voormelde etagewoning in beeld kwam, verzocht hem in aanmerking te brengen voor een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wet maatschappelijke onder¬steuning (Wmo). De aanleiding voor die aanvraag was met name het feit dat er in de woning aan de [adres] sprake was van vocht en schimmel, hetgeen volgens eiser nadelige gevolgen had voor zijn gezondheid, nu hij CARA-patiënt is.

Bij besluit van 26 oktober 2009 heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen, omdat hij is verhuisd naar een voor hem niet-adequate woning (aan de [adres]). Eiser was op het moment van de verhuizing al bekend met het feit dat het traplopen voor hem problemen zou gaan opleveren. Desondanks is hij naar die woning verhuisd.

Bij brief van 19 november 2009 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft aangevoerd dat de woning aan de [adres] in een deplorabele staat verkeerde, waaraan de verhuurder na een bouwcontrole niets heeft gedaan. Niet het traplopen maar de staat van de woning was voor eiser het doorslaggevende argument om naar een andere woning te verhuizen. Het slechte binnenmilieu en de bouwtechnische gebreken van de woning hebben eisers luchtwegklachten verergerd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. De aanvraag is volgens verweerder terecht afgewezen, zij het dat de motivering moet worden aangepast. Eiser is verhuisd naar Beek, omdat de woning niet voldeed aan de wettelijke eisen, met name met betrekking tot het binnenklimaat van de woning. Dit slechte binnen¬milieu kan bij iedereen die een dergelijke woning bewoont tot gezondheids¬klachten leiden, dus ook bij mensen zonder een beperking. De benodigde aanpassingen in het appartement betroffen aanpassingen die door de verhuur¬der moesten worden gedaan in het kader van de wettelijke eisen die aan een huurwoning worden gesteld. In deze situatie kan geen beroep worden gedaan op de compensatieplicht van de gemeente.

In het onderhavige geding is de vraag aan de orde of verweerder eisers aanvraag terecht heeft afgewezen op de grond dat die aanvraag geen betrekking heeft op een voorziening op het gebied van maatschappe¬lijke ondersteuning. De verhuizing was volgens verweerder niet het gevolg van belem¬meringen die eiser als gevolg van zijn beperking (CARA) bij het gebruik van de woning ondervond, maar van de deplorabele staat waarin het appartement verkeerde, los van eisers beperkingen.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat zijn situatie wel degelijk valt binnen het bereik van de definitie van maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo. Verweerder volhardt ten onrechte in zijn stand¬punt dat de reden voor eisers verhuizing enkel en alleen gelegen was in de deplorabele staat van de woonruimte en niet kan worden toegeschreven aan eisers medische beperkingen. De verhuizing had niet alleen te maken met de uitermate slechte onderhouds¬staat van de woonruimte, als gevolg waarvan eisers medische toestand ver¬slechterde, maar ook met de medische beperking zelf, te weten zijn CARA-problematiek.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo is bepaald dat het college van burge¬meester en wethouders ter compensatie van de beperkingen, die een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, in zijn zelfredzaamheid en zijn maat¬schappelijke participatie ondervindt, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren en zich te verplaatsen in en om de woning. In artikel 4, tweede lid, van de Wmo is bepaald dat het college daarbij rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzie¬ningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

In artikel 26, tweede lid, van de Wmo is bepaald dat de motivering van een beslissing op bezwaar vermeldt op welke wijze de genomen beslissing bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psycho¬sociaal probleem.

De rechtbank heeft op grond van een rapport van de afdeling Medische Milieukunde van de GGD Zuid-Limburg van 30 juli 2009 vastgesteld dat in eisers woning sprake was van een slecht binnen¬klimaat, hetgeen werd veroorzaakt door een combi¬natie van een bouwtechnisch kwaliteitsprobleem in het appartement (slechte onderhouds¬staat, mogelijke lekkages), de aanwezigheid van een geiser zonder afvoer in de badkamer, slecht onderhoud van de woning en te weinig ventilatiecapaciteit. Bij bewoners van huizen waar vocht en schimmel voor¬komen treden meer klachten op aan de lucht¬wegen dan bij bewoners van huizen waar geen vocht en schimmelplekken aanwezig zijn, aldus de GGD.

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de door eiser gestelde verslechtering in zijn gezondheids¬toestand op 26 oktober 2009 is besproken met de GGD-arts, die vervolgens aangaf dat niet is gebleken van een acute noodzaak (voor verhuizing) door een plotse achter¬uitgang (in eisers gezondheids¬toestand). Volgens de GGD-arts bestond er op basis van de Wmo geen indicatie voor een verhuiskostenvergoeding.

De rechtbank merkt op dat het onderzoek dat aan dit medische advies ten grondslag is gelegd niet als voldoende zorgvuldig kan worden gekenschetst. Er is immers geen informatie inge¬wonnen bij de artsen bij wie eiser onder behandeling staat. Daardoor is niet vast komen te staan of en zo ja in hoeverre eisers gezond¬heidstoestand sedert zijn verhuizing naar de Burgemeester Lemmens¬straat is verslechterd en in hoeverre een mogelijke verslechtering het gevolg was van de invloed van vocht en schimmel op zijn luchtweg¬klachten.

De vraag of verweerders medisch adviseur een dergelijk onderzoek ten onrechte heeft achter¬wege gelaten is volgens verweerder echter niet relevant. Verweerder stelt zich kennelijk op het standpunt dat hij een mogelijke verslechtering van eisers gezondheidstoestand niet behoefde te onderzoeken, omdat ook personen zonder beperkingen in een dergelijk appar¬tement klachten zouden hebben gekregen.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het oorzakelijk verband tussen eisers beper¬kingen in de vorm van luchtwegklachten en zijn verhuizing naar Beek in feite niet door verweerder wordt bestreden.

Verweerder heeft zich – uiteindelijk – onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (LJN AA8627) op het standpunt gesteld dat hij, ongeacht de constatering van objectief aantoonbare beperkingen, niet gehouden is om een verhuis¬kostenvergoeding te verstrekken, indien de ondervonden problemen van vocht en schimmel te wijten zijn aan achterstallig onderhoud dan wel het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de daaromtrent geldende wettelijke eisen. Dit beginsel lijdt naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep uitzondering, indien:

-de betrokkene goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen; en

-er met het oog op de gezondheidstoestand van de betrokkene binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht was op opheffing van die gebreken.

Volgens verweerder voldeed eiser niet aan de voorwaarden om een uitzondering op voormeld beginsel te maken, aangezien er binnen een aanvaardbaar tijdsbestek zicht was op ophef¬fing van de gebreken aan de woning. Eiser had immers appartement 5C kunnen aanvaarden of, gelet op het feit dat de verhuurder aanpassingen (rookmelders en afdopping van de geiser) had gedaan in appartement 5B, in appartement 5B kunnen blijven wonen. De verhuurder wilde nog een boiler plaatsen, maar dat wilden eiser en zijn partner niet meer.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op dat standpunt gesteld. De rechtbank kan uit de gedingstukken niet opmaken of appartement 5C in zoveel betere staat verkeerde dan appartement 5B. Bovendien ontbrak er een dragende muur in appartement 5B, hetgeen wellicht ook gevaar voor appartement 5C opleverde. Verder kan het plaatsen van rookmelders en het afdoppen van een geiser niet beschouwd worden als een effectief middel ter bestrijding van vocht en schimmel.

De rechtbank overweegt dat eiser voldoende heeft ondernomen om de verhuurder te bewegen de gebreken aan de woning op te heffen; hij heeft er in ieder geval allerlei instanties bij gehaald. Op grond van de gedingstukken kan niet onomstotelijk worden geconcludeerd dat er met het oog op eisers gezondheidstoestand binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijds¬bestek uitzicht was op opheffing van voornoemde gebreken. Voor eiser was het derhalve medisch noodzakelijk om naar andere woonruimte uit te zien.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat die aanvraag geen betrekking heeft op een voorziening op het gebied van maatschappe¬lijke ondersteuning. De verhuizing was naar het oordeel van de rechtbank een gevolg van de belem¬meringen die eiser als gevolg van zijn beperking (CARA) bij het gebruik van de woning ondervond. De rechtbank kan zich niet verenigen met ver¬weerders standpunt dat eisers verhuizing uitsluitend het gevolg is geweest van de deplorabele staat waarin zijn appartement verkeerde en dat zijn beperkingen daarbij niet relevant zijn. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de gebreken aan de woning aanvankelijk niet direct op te merken waren, maar pas zijn geconstateerd in de loop van het jaar 2009, toen eiser daar al een aantal maanden woonachtig was.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering dat besluit niet dragen. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met voormeld artikel 26, tweede lid, van de Wmo alsmede met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet Bestuurs¬recht (Awb) dat voor¬schrijft dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deug¬delijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing moet worden vermeld. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd.

Het beroep is gegrond.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,--. Omdat aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

3. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier;

-bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.E.A. Willemsen, voorzitter, J.N.F. Sleddens en T.G. Klein, leden, in tegenwoordigheid van C.A.M. Kavelaars, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011, zijnde de voorzitter buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

w.g. C. Kavelaars w.g. –

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 10 juni 2011

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.