Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR1265

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
003/700022-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer en noodweerexces, omdat niet aannemelijk is geworden dat binnen dan wel buiten de woning van verdachte een noodweersituatie is ontstaan die het rechtvaardigde dat verdachte zich verdedigde dan wel waardoor verdachte verontschuldigbaar te ver is gegaan in zijn verdediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700022-11

Datum uitspraak: 3 mei 2011

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 april 2011 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de het Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 08 januari 2011 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes broer, van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in het lichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 08 januari 2011 in de gemeente Heerlen aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes, broer, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze [naam slachtoffer] opzettelijk meermalen althans eenmaal met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te steken;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 08 januari 2011 te Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], zijnde zijn verdachtes broer, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam slachtoffer] opzettelijk meermalen althans eenmaal met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 08 januari 2011 te Heerlen opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [naam slachtoffer], zijnde verdachtes broer, meermalen, althans eenmaal met een mes in het lichaam heeft gestoken/gesneden waardoor deze [naam slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 08 januari 2011 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes broer, van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, meermalen in het lichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

PM

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert een op strafbaar feit op dat moet worden gekwalificeerd als volgt.

primair:

poging tot doodslag.

De aanwezigheid van een strafuitsluitingsgrond: noodweer/noodweerexces

In de nacht van vrijdag 7 januari 2011 op zaterdag 8 januari 2011 verblijft [naam slachtoffer], zoals deze wel vaker deed, in de woning van de verdachte. Omstreeks 22.00 uur, 01.00 uur en tussen 06.30-08.00 uur komt het telkens tot ruzie tussen hem en verdachte.

Bij de ruzie die plaats vond tussen 6.30 en 8.00 uur komt het tot een steekincident tussen beiden. Verdachte heeft met een stanleymes eerst in de woning en daarna buiten zijn broer diverse steekwonden toegebracht.

De raadsman heeft ten aanzien van het handelen van verdachte binnen en buiten de woning een beroep op noodweer, althans noodweerexces, gedaan. Volgens hem voelde verdachte zich bedreigd door zijn broer. Er was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar. Dat gevaar heeft een noodweersituatie opgeleverd die verdachtes handelen rechtvaardigt, althans verontschuldigt. Bovendien heeft de broer ter terechtzitting verklaard dat hij verdachte heeft aangevallen. Verdachte zag daarbij geen andere uitweg dan zijn broer met het mes te steken.

Ten aanzien van wat zich vervolgens buiten de woning heeft afgespeeld, voert de raadsman eveneens aan dat verdachte zich slechts heeft verdedigd dan wel dat hij daarbij verontschuldigbaar te ver is gegaan.

Volgens de officier van justitie was binnen geen sprake van een noodweersituatie. Het toetsingsmoment hiervoor is het moment waarop verdachte het stanleymes pakte. Met het pakken van het mes droeg verdachte bij aan het escaleren van de situatie. Het pakken van het mes is een agressief moment. Er blijkt niet waardoor verdachte zich bedreigd voelde, noch dat hij niet de woning had kunnen verlaten.

Nu de officier van justitie ten aanzien van hetgeen zich buiten heeft afgespeeld vrijspraak vordert, omdat zijns inziens niet kan worden vastgesteld wat er toen is gebeurd, laat hij zich niet uit over het beroep op noodweer(-exces) voor zover dat ziet op hetgeen zich buiten heeft afgespeeld.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte en zijn broer [naam slachtoffer] diverse keren tijdens het vooronderzoek zijn gehoord en beiden ook op de terechtzitting als verdachte respectievelijk getuige verklaringen hebben afgelegd. Beiden hebben daarbij niet consistent verklaard en hebben zichzelf tegengesproken. Zowel verdachte als zijn broer heeft daarbij verklaard dat [naam slachtoffer] in de nacht van 7 op 8 januari 2011 dronken was. Volgens [naam slachtoffer] had hij toen minimaal ¾ fles Bacardi gedronken.

[naam slachtoffer] heeft voorts meer keren te kennen gegeven dat hij zich veel van wat er toen is gebeurd niet meer kan herinneren en verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens zijn eerdere verklaringen in de war was.

Al deze omstandigheden brengen mee dat de rechtbank de verklaringen van de beide broers niet slechts voor de vraag of het tenlastegelegde bewezen kan worden, maar ook voor de bespreking van het beroep op noodweer(-exces) met de nodige behoedzaamheid zal gebruiken.

Over de vraag of bij het steken door verdachte van zijn broer op twee momenten, te weten eerst binnen en daarna buiten, sprake was van noodweer dan wel noodweerexces, overweegt en oordeelt de rechtbank als volgt.

De broer van verdachte verblijft vaker bij verdachte in de woning. Daar komt het geregeld tot ruzie tussen de broers. Meestal blijft het bij woorden, soms gaan ze ook met elkaar op de vuist. Zo ook in de nacht van vrijdag 7 op zaterdag 8 januari 2011.

Bij die ruzie is het echter uiteindelijk niet alleen bij vuistslagen gebleven. Er is door verdachte toen gestoken met een stanleymes. En dat meer keren en op twee plekken: eerst binnen en daarna buiten de woning.

Het steken vond plaats bij de laatste ruzie (tussen 06.30 uur en 08.00 uur) van de reeks ruzies die in die nacht tussen de broers plaats vond. De broers schreeuwden en scholden rond die tijdstippen. Getuigen hoorden woorden als: ‘Jij gaat de bak in. Ik ga nu naar de politie. Ik breng jou eerst naar het ziekenhuis en daarna ga jij de bak in’, ‘Kom maar op met dat mes. Steek dan’, Ik maak je af en begraaf je hier onder de grond’, ‘Ik maak je koud, je gaat het ziekenhuis in, je gaat onder de grond, ik ga morgen aangifte doen bij de wouten. Je hebt me bedreigd met een mes’.

Die hevige woordenwisselingen waren voor geen van de getuigen reden om de politie te bellen. Op een bepaald moment heeft de ruzie zich naar buiten verplaatst. Pas toen daarna een knal en een luid glasgerinkel te horen was, was dat aanleiding voor een van de getuigen om de politie te bellen. Deze was rond 08.15 uur ter plaatse. Verdachte was toen niet aanwezig en zijn broer lag met veel snijwonden in de slaapkamer op de eerste verdieping.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de situatie in de woning voor verdachte zo bedreigend is geweest dat hij, geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf zijn broer heeft mogen steken met een stanleymes.

Daaromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens verdachte heeft hij zowel na de ruzie van 22.00 uur als na de ruzie van 01.00 uur het huis verlaten en daarmee een eind gemaakt aan de ruzie. Niet is gebleken dat verdachte die keuze niet ook heeft gehad tijdens de ruzie in de vroege ochtend. Ook is niet gebleken dat de broer van verdachte, anders dan bij de eerdere ruzies, een voorwerp in handen heeft gehad, om dat tegen zijn broer te gebruiken. De gebodenheid van de verdediging is om die reden niet aannemelijk geworden.

De rechtbank heeft er daarbij ook acht op geslagen dat uit de verklaringen van verdachte het bestaan hebben van een noodweersituatie ook niet aannemelijk wordt. De rechtbank heeft zich afgevraagd en heeft ook aan verdachte gevraagd waardoor deze ruzie tussen de broers verschilde van de ruzies tussen hen die daaraan voorafgingen en waarom verdachte zich tijdens deze ruzie op een gegeven moment zo bedreigd voelde dat hij het stanleymes pakte. Verdachte heeft hierop geen concreet antwoord kunnen geven.

Wel heeft verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij de hele situatie met zijn broer zat was. Bij de politie heeft hij verder bevestigd dat het zijn kan dat er toen iets bij hem geknapt is. Ook heeft hij daar verklaard dat hij zijn broer niet meer wil zien en hem niet meer in de woning wil hebben. Ten slotte heeft verdachte toen ook verklaard dat zijn broer gebloed heeft als een rund, maar dat hij op geen enkele wijze hulp heeft verleend. Bij de politie heeft hij hierover verklaard: ‘Hij had toch zelf een ambulance kunnen bellen … of de buren hadden kunnen bellen’.

Na het incident binnen, heeft de ruzie zich buiten voortgezet. Verdachte heeft verklaard dat hij daar toen zijn broer met zwaaiende bewegingen heeft gestoken, omdat deze op hem afkwam met slaande en schoppende bewegingen. Uitgaande van de lezing van verdachte, verwerpt de rechtbank echter ook ten aanzien van hetgeen zich buiten heeft afgespeeld het beroep op noodweer. Verdachte heeft deze situatie zelf in het leven geroepen. Hij heeft immers binnen het stanleymes gepakt toen de ruzie nog uit een woordenwisseling bestond en heeft daarmee zijn broer gestoken. Verdachte heeft daarbij verklaard dat zijn broer helemaal kwaad werd, toen hij, verdachte, hem - in de woning - gestoken had. Verdachte heeft met het pakken van het stanleymes de ruzie laten escaleren en met het gebruik van dat mes de situatie nog meer op scherp gezet. Als, zoals door verdachte is verklaard, de broer achter verdachte aan naar buiten is gelopen, dan heeft verdachte door zijn handelen daaraan bijgedragen en kan hij zich daarom niet met succes op noodweer beroepen.

Verder acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat hij zijn broer buiten de woning niet kon ontvluchten, niet geloofwaardig. Verdachte heeft geen omstandigheden aangevoerd, die aannemelijk maken dat hij niet in staat is geweest weg te rennen. Er zijn ook verder geen aanwijzingen dat verdachte niet in staat is geweest om een nieuwe confrontatie uit de weg te gaan dan wel om de confrontatie op andere, minder gewelddadige, wijze aan te gaan.

Daar komt bij dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat verdachte binnen dan wel buiten de woning in een zodanig emotionele staat verkeerde dat hij niet meer goed wist wat hij deed dan wel dat hij zich niet meer in de hand had.

Op grond van het voorafgaande overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat binnen dan wel buiten de woning van verdachte in de vroege ochtenduren van 8 januari 2011 een noodweersituatie is ontstaan, die het rechtvaardigde dat verdachte zich verdedigde dan wel waardoor verdachte verontschuldigbaar te ver is gegaan in zijn verdediging.

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer en noodweerexces.

Nu ook overigens geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden is zowel het feit als verdachte strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit onder meest subsidiair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De raadsman heeft ten aanzien van de gehele tenlastelegging vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving. Tevens is rekening gehouden met het gewelddadig karakter van het bewezenverklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde poging tot doodslag heeft plaatsgevonden nadat er al gedurende langere tijd tussen verdachte en zijn broer, het slachtoffer, veelvuldig sprake was van ruzie waarbij ook soms over en weer fysiek geweld werd gebruikt.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat niet is gebleken van het bestaan van bijzondere omstandigheden waardoor verdachte – anders dan bij eerdere ruzies – bij deze ruzie met zijn broer is overgegaan tot het gebruik maken van een stanleymes om zijn broer daarmee meerdere steekwonden toe te brengen. Dat het slachtoffer daardoor niet levensgevaarlijk gewond is geraakt, is een omstandigheid die buiten de invloed van verdachte is gelegen.

Het bovenstaande in aanmerking nemend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden. Ter voorkoming van recidive zal zij hiervan 6 maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaar.

Gelet op het door de Reclassering uitgebrachte advies, zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijke deel van de straf.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 maanden;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot 6 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het aan veroordeelde opgelegde onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. M.B. Bax en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 3 mei 2011.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700022-11

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 3 mei 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter zitting van 19 april 2011 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen.