Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BR1195

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
03/700007-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard wordt het medeplegen van het aanwezig hebben van MDMA en amfetamine.

Het verweer dat de doorzoeking onrechtmatig was, wordt door de rechtbank verworpen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het aantreffen van de verdovende middelen feitelijk in de woning woonde waar de middelen werden aangetroffen. Dat betekent dat de aangetroffen verdovende middelen zich bevonden in de machtssfeer van verdachte. Degene die de beschikkingsmacht heeft over de woning, kan in beginsel verantwoordelijk worden gehouden voor de aanwezigheid van wat zich daarin bevindt. Voorts kan diegene geacht worden wetenschap te hebben van hetgeen aldaar aanwezig is. De feiten en omstandigheden die verdachte heeft aangevoerd om haar standpunt te onderbouwen, dat zij geen weet had van de aanwezigheid van de aangetroffen verdovende middelen in haar eigen woning, overtuigen de rechtbank niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700007-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 april 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. J.P.H. Timmermans, advocaat te Beek.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 april 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander ongeveer 8665 gram harddrugs aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij baseert haar opvatting op de processen-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid, het proces-verbaal van doorzoeking van de woning van verdachte, de NFI-rapportages, de tapgesprekken en de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de doorzoeking in de woning van verdachte onrechtmatig was. De raadsman heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Uit de door verdachte ondertekende schriftelijke toestemmingsverklaring, op grond waarvan de verbalisanten de woning aan de [adres 2] te Geleen hebben doorzocht, blijkt dat de toestemming tot doorzoeking niet is afgegeven voor voormeld adres, maar voor het adres [adres 1] te Geleen. De verbalisanten hadden aldus geen toestemming van verdachte om de woning aan de [adres 2] binnen te treden en ter in beslagneming te doorzoeken. Nu de toestemming en daarmee de bevoegdheid voor de verbalisanten om binnen te treden in de woning aan de [adres 2] ontbrak, dient tot de conclusie te worden gekomen dat het binnentreden in de woning aan de [adres 2] onrechtmatig heeft plaatsgevonden, met als gevolg dat de vondst van de verdovende middelen in voornoemde woning onrechtmatig is en van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Indien de rechtbank van oordeel is dat voornoemde vormfout kan worden “opgeheven” door de machtiging tot binnentreden, dan is de doorzoeking nog steeds onrechtmatig, omdat de verbalisanten in hun onderzoek in de woning verder zijn gegaan dan waartoe zij op basis van de machtiging tot binnentreden gerechtigd waren. De verbalisanten hebben een luik geopend. In de ruimte die zich achter het luik bevond troffen zij een grote doos aan. Zij hebben deze doos uit de ruimte getrokken en geopend en in de doos troffen zij een draagtas aan. Deze draagtas hebben zij vervolgens uit de doos gehaald en geopend. In de draagtas bevond zich wederom een doos, welke zij uit de draagtas hebben gehaald en opengemaakt. Deze handelingen dienen als doorzoeken te worden gekwalificeerd. Nu de verbalisanten op grond van de machtiging tot binnentreden slechts de bevoegdheid hadden om zoekend rond te kijken, en dus niet om de woning te doorzoeken, dient de doorzoeking als onrechtmatig te worden gekwalificeerd. Het aantreffen van de verdovende middelen is een rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige doorzoeking en dient daarom te worden uitgesloten van het bewijs.

De raadsman komt tot de conclusie dat, nu het aantreffen van de verdovende middelen van het bewijs moeten worden uitgesloten, het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en vrijspraak dient te volgen.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen in haar woning. De raadsman heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Uit het dossier is gebleken dat verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1] een gescheiden leven leidden en dat verdachte niet op de hoogte was van de activiteiten van medeverdachte [naam medeverdachte 1]. Bij verdachte bestond slechts het vermoeden dat er iets niet klopte, maar zij heeft nooit geweten wat er precies aan de hand was. Bovendien lagen de verdovende middelen niet open en bloot in de woning van verdachte, maar in een doos achter een luik in de kelder. Nu verdachte niet wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat er in de woning verdovende middelen aanwezig waren, dient zij te worden vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde feit.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen, die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Op grond van een drietal meldingen van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) en nader onderzoek door de politie rees het vermoeden dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] harddrugs vervoerde naar het buitenland. Op basis van dat vermoeden werd door de officier van justitie opdracht gegeven om de telefoons van medeverdachte [naam medeverdachte 1] en ene [P.C.] af te luisteren. Aan een aantal afgeluisterde gesprekken nam ook verdachte deel. Uit de afgeluisterde gesprekken bleek onder meer het volgende:

Telefoongesprek van 27 december 2010 tussen [P.C.] en verdachte:

“Er wordt over gesproken dat [R.] het huis aanhoudt maar dit niet kan betalen, op papier. De vrouw zegt dat hij nu ook helemaal betaald dus dat gaat gewoon door. [R.] is dit moment weg, want hij zal toch geld moeten hebben. [P.C.]vraagt of hij met “de oom” onderweg is. NN vrouw zegt dat hij alleen onderweg is. [P.C.]vraagt of het met de zwarte zakken is die hij hem gebracht heeft. De vrouw zegt dat ze dat niet weet. NN vrouw zegt dat hij haar niet veel meer verteld. [P.C.]zegt dat het natuurlijk een risico is want NN vrouw weet heel veel. [P.C.]zegt dat als het straks echt fout gaat en je wil hem een hak zetten…dan…maar of dat wijsheid is. NN vrouw zegt dat ze zich daar zelf ook mee heeft. [P.C.]zegt dat het het ergste is voor de kinderen.”

Telefoongesprek van 1 januari 2011 tussen verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1]:

“[R.] belt [naam verdachte]en zegt dat zij met elkaar moeten praten. Haar vader en [F.]zijn domme dingen aan het vertellen. [R.] zegt dat zij met elkaar moeten praten en dat zij moet uitkijken wat zij allemaal gaat vertellen. Hij zegt dat [F.]zich afvraagt waar zij dit allemaal van doen. [F.]heeft een goede baan en begrijpt niet waar zij dit allemaal van doen. Een haar vader is ook al aan het vissen. Die zegt dat er iets niet klopt en dat daar meer achter zit en dat hebben ze verteld tegen ome [Z.]. Deze zei toen let op dat [naam verdachte]niets verkeerds vertelt want anders kruipen ze daarover heen. [R.] zegt dat [B.] heeft gezegd dat hij moet doen wat hij altijd doet: gewoon zijn mond houden en niet in discussie gaan. Maar [F.]moet niet dom beginnen te doen want anders zorgt [R.] wel dat hij problemen krijgt, niet met hem, maar wel met iemand anders.”

Op 2 januari 2011 werd medeverdachte [naam medeverdachte 1] op grond van overtreding van de Opiumwet buiten heterdaad aangehouden. Na de aanhouding van medeverdachte [naam medeverdachte 1] begaven de verbalisanten zich naar de woning van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1], gelegen op de [adres 2] te Geleen. Op het moment dat de verbalisanten bij de voordeur van voornoemde woning stonden, kwam verdachte aangereden. Door verbalisant [naam verbalisant] werd aan verdachte de machtiging tot binnentreden getoond en het doel van het binnentreden verteld. Verdachte gaf toestemming om de woning binnen te treden en liet de verbalisanten vervolgens de woning binnen. Verdachte gaf eveneens toestemming tot doorzoeking van de woning. Daartoe ondertekende zij een schriftelijk verklaring Toestemming onderzoek woning en inboedel.

Tijdens de doorzoeking in de woning gelegen aan de [adres 2] zag verbalisant [M.] in de kelder van de woning een luik in een van de wanden van de keldermuur. Verbalisant [M.] opende het luik en zag in de ruimte achter het luik een grote doos van een opblaasbaar zwembad liggen. De verbalisant trok de doos uit de ruimte en zag een draagtas met daarin een kartonnen doos staan. Na opening van de doos bleek dat in de doos vier doorzichtige zakken met daarin grijze pillen zaten, welke pillen waren voorzien van een kroontje als logo. De aangetroffen pillen werden in beslag genomen. Tijdens de doorzoeking werd eveneens een flesje met blauwe vloeistof, voorzien van het opschrift “Sixty Nine”, aangetroffen en in beslag genomen. Naar aanleiding van het aantreffen van voornoemde pillen, werd verdachte aangehouden op grond van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.

Een viertal monsters van de inbeslaggenomen pillen werd onderworpen aan een MMC kleur-reactietest, waarbij het volgende werd waargenomen:

1. Monster van partij van 2856 gram voorzien van de SIN-code: AACV6547NL:

Reageert positief op de aanwezigheid van: XTC;

2. Monster van partij van 1419 gram voorzien van de SIN-code: AACV6546NL:

Reageert positief op de aanwezigheid van: XTC;

3. Monster van partij van 1416 gram voorzien van de SIN-code: AACV7267NL:

Reageert positief op de aanwezigheid van: XTC;

4. Monster van partij van 2857 gram voorzien van de SIN-code: AACV7266NL:

Reageert positief op de aanwezigheid van: XTC.

Ook een monster van de vloeistof van het inbeslaggenomen flesje werd onderworpen aan een MMC-kleurreactie-test, waarbij het volgende werd waargenomen:

Monster van vloeistof voorzien van de SIN-code: AACL2987NL:

Reageert positief op de aanwezigheid van: GHB.

NFI-rapportages inzake de identificatie van verdovende middelen

Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), gedateerd 1 februari 2011, is gebleken dat de vier monsters van de inbeslaggenomen pillen, voorzien van de SIN-codes: AACV6547NL, AACV6546NL, AACV7267NL en AACV7266NL, elk MDMA bevatten, welk middel is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

Voorts is uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), gedateerd 31 januari 2011, gebleken dat de inbeslaggenomen blauwe vloeistof (in totaal 19,1 gram), voorzien van SIN-code: AACL2987NL, amfetamine en MDMA bevat, welke middelen zijn vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij samen met medeverdachte [naam medeverdachte 1], haar echtgenoot, op de [adres 2] te Geleen woont. Verdachte wist naar eigen zeggen niet dat er verdovende middelen in de woning aanwezig waren. Zij was er wel van op de hoogte dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] vaker in Duitsland en België auto’s huurde en daarmee regelmatig naar het buitenland ging om dingen te bezorgen. Hij bleef dan meestal twee dagen weg. Verdachte vond dit vreemd en had het vermoeden dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] dingen vervoerde die niet klopten. Zij dacht dat het om wiet ging. Verdachte had dit vermoeden, omdat zij een keer een voor haar onbekende lege sporttas in de garage van hun woning had zien staan, welke tas erg naar wiet stonk. Medeverdachte [naam medeverdachte 1] had weleens tegen haar gezegd dat hoe minder zij wist, hoe beter. Verdachte leidde daaruit ook af dat dingen niet klopten. Verdachte wist naar eigen zeggen niet welke spullen medeverdachte [naam medeverdachte 1] bezorgde en wat zijn inkomsten waren. Zij verklaarde wel dat alle grote uitgaven door medeverdachte [naam medeverdachte 1] werden gedaan en dat de duurdere goederen in de woning door hem waren gefinancierd.

De overwegingen van de rechtbank

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de doorzoeking onrechtmatig was, omdat de door verdachte getekende schriftelijke toestemmingsverklaring voor de doorzoeking van de woning niet zag op de woning gelegen aan de [adres 2] te Geleen, maar op de woning gelegen aan de [adres 1] te Geleen.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.

Naar aanleiding van de aanhouding van medeverdachte [naam medeverdachte 1] zijn acht verbalisanten naar de woning gelegen aan de [adres 2] gegaan, met als doel de woning binnen te treden ter inbeslagneming van verdovende middelen, goederen betrokken bij de handel in verdovende middelen, grote geldbedragen en boekhouding. De verbalisanten beschikten daartoe over een door de hulpofficier van justitie afgegeven machtiging tot binnentreden. In het proces-verbaal van bevindingen betreffende de doorzoeking in de woning op voornoemd adres wordt door de verbalisanten gerelateerd dat verdachte in haar auto kwam aanrijden op het moment dat zij voor de woning aan de [adres 2] stonden. Verbalisant [naam verbalisant] heeft aan verdachte de machtiging tot binnentreden getoond. Hij heeft haar tevens het doel tot binnentreden medegedeeld. Verdachte liet de verbalisanten vervolgens de woning binnen. Verder wordt in voornoemd proces-verbaal gerelateerd dat verdachte toestemming gaf tot doorzoeking van de woning en dat zij daartoe een schriftelijke verklaring Toestemming onderzoek woning en inboedel tekende. Ook in het proces-verbaal van binnentreden in de woning op de [adres 2] wordt door verbalisant [naam verbalisant] gerelateerd dat de woning met toestemming van verdachte werd doorzocht. Verdachte heeft zelf tijdens de verhoren bij de politie, noch ter terechtzitting, betwist dat de verbalisanten met haar toestemming de woning aan de [adres 2] hebben doorzocht.

De rechtbank heeft geconstateerd dat op de schriftelijke verklaring Toestemming onderzoek in woning en inboedel het adres [adres 1] te Geleen staat vermeld, op welk adres verdachte blijkens de Gemeentelijke Basisadministratie vanaf 1 januari 2011 staat ingeschreven.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het feit dat [adres 1] te Geleen als adres staat vermeld op de schriftelijke toestemmingsverklaring op zichzelf niet tot gevolg heeft dat de doorzoeking in de woning aan de [adres 2] als onrechtmatig dient te worden gekwalificeerd.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit de feitelijke gang van zaken, zoals hiervoor omschreven, in samenhang bezien met het feit dat verdachte voorafgaand aan de terechtzitting op geen enkel moment heeft betwist dat de verbalisanten met haar toestemming de woning hebben doorzocht, kan worden afgeleid dat het voor verdachte duidelijk was dat de woning aan de [adres 2] zou worden doorzocht. Voorts wordt in zowel het proces-verbaal van binnentreden in de woning, als in het proces-verbaal van bevindingen betreffende de doorzoeking in de woning, gerelateerd dat verdachte toestemming had gegeven om de woning aan de [adres 2] te doorzoeken. De rechtbank gaat er, gelet op vorenstaande, van uit dat verdachte [naam verdachte] toestemming heeft gegeven om de woning aan de [adres 2] te doorzoeken. De doorzoeking is dan ook, ondanks de foute vermelding in de schriftelijke toestemmingsverklaring, rechtmatig geschied.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de doorzoeking in de woning aan de [adres 2] rechtmatig is geschied, dient zij te beoordelen of verdachte de in de woning aangetroffen verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet wist, dan wel redelijkerwijs kon vermoeden dat in de woning verdovende middelen aanwezig waren. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van de activiteiten van medeverdachte [naam medeverdachte 1] en dat indien verdachte al wetenschap had van zijn activiteiten, deze wetenschap enkel zag op het vervoeren van verdovende middelen door [naam medeverdachte 1] en dus niet op de aanwezigheid van verdovende middelen in haar woning. Voorts is door de raadsman aangevoerd dat de verdovende middelen niet open en bloot in de woning lagen en dat verdachte het luik dat toegang verschafte naar de ruimte waar de verdovende middelen werden aangetroffen, nog nooit had geopend.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het aantreffen van de verdovende middelen feitelijk in de woning op de [adres 2] te Geleen woonde. Dat betekent dat de aangetroffen verdovende middelen zich bevonden in de machtssfeer van verdachte. Degene die de beschikkingsmacht heeft over zoals in dit geval de woning en de daarbij behorende kelder, kan in beginsel verantwoordelijk worden gehouden voor de aanwezigheid van wat zich daarin bevindt. Voorts kan diegene geacht worden wetenschap te hebben van hetgeen aldaar aanwezig is. De feiten en omstandigheden die verdachte heeft aangevoerd om haar standpunt te onderbouwen dat zij geen weet had van de aanwezigheid van de aangetroffen verdovende middelen in haar eigen woning, overtuigen de rechtbank niet.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij het vermoeden had dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] dingen vervoerde die niet klopten en dat zij dacht dat het om wiet ging. Verdachte kwam tot dit vermoeden doordat zij een keer een voor haar onbekende sporttas in de garage van haar woning had zien staan, welke tas erg naar wiet stonk. Voorts heeft verdachte verklaard dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] weleens tegen haar heeft gezegd dat hoe minder zij wist, hoe beter. Ook daaruit leidde verdachte af dat er dingen niet klopten.

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken van 27 december 2010 en 1 januari 2011, blijkt naar het oordeel van de rechtbank, dat verdachte wel degelijk op de hoogte was van de drugsgerelateerde activiteiten van medeverdachte [naam medeverdachte 1]. Zo zegt [P.C.] in het telefoongesprek van 27 december 2010 tegen verdachte dat zij veel weet en dat zij medeverdachte [naam medeverdachte 1] een hak kan zetten als zij dat wil. Verdachte reageert daarop door te zeggen dat zij zich daar zelf ook mee heeft. In het telefoongesprek van 1 januari 2011 wordt door medeverdachte [naam medeverdachte 1] tegen verdachte gezegd dat zij moet uitkijken met wat zij allemaal gaat vertellen, omdat haar vader en [F.]niet begrijpen waar zij het allemaal van doen en dat zij denken dat er iets niet klopt.

De rechtbank acht op grond van de verklaring van verdachte en voornoemde afgeluisterde telefoongesprekken, aannemelijk dat zij op de hoogte was van de drugsgerelateerde activiteiten van medeverdachte [naam medeverdachte 1]. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdachte bij de politie noch ter zitting een verklaring heeft willen geven voor de inhoud van voornoemde telefoongesprekken, waar dit, gelet op die inhoud en de overige inhoud van het dossier, wel voor de hand had gelegen. Nu verdachte aleens eerder een sporttas in de garage van haar woning had zien staan, welke tas sterk naar wiet rook en zij op de hoogte was van de drugsgerelateerde activiteiten van medeverdachte [naam medeverdachte 1], had verdachte naar het oordeel van de rechtbank zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de woning aan de [adres 2] verdovende middelen aanwezig waren, temeer nu medeverdachte [naam medeverdachte 1] ook in voornoemde woning woonde. Verdachte heeft zich daarvan niet gedistantieerd.

De rechtbank acht, gelet op het proces-verbaal van bevindingen betreffende de doorzoeking, de afgeluisterde telefoongesprekken, de NFI-rapportages en de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie, het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 2 januari 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8548 gram, van een materiaal bevattende MDMA en 19,1 gram van een materiaal bevattende MDMA en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine, middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte op te leggen een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek in overeenstemming met artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft bij haar vordering rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte de zorg heeft over twee jonge kinderen en dat zij een blanco strafblad heeft.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft samen met een ander ruim 8,5 kilo harddrugs opzettelijk aanwezig gehad in haar eigen woning. In die woning woonde verdachte met haar echtgenoot en medeverdachte [naam medeverdachte 1] en hun twee jonge kinderen.

Verdachte heeft zich niet gedistantieerd van de drugsgerelateerde activiteiten van haar echtgenoot, hoewel zij daarvan op de hoogte was. Zij heeft gedoogd dat er een grote hoeveelheid verdovende middelen in haar woning aanwezig was.

Het is een feit van algemene bekendheid dat met name harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving in ernstige mate schade wordt berokkend. Daarbij komt dat de drugs in de woning van verdachte lagen, waar ook jonge kinderen wonen. De kans dat haar kinderen op enig moment met de drugs in aanraking zouden komen, is, mede gelet op het feit dat ze kennelijk naast het opblaaszwembadje van de kinderen werden bewaard, niet denkbeeldig. Dat verdachte niet alleen de gezondheid van harddruggebruikers, maar mogelijk ook van haar eigen gezin in gevaar heeft gebracht, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank bij het vaststellen van de hoogte van de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens het uittreksel van de justitiële documentatie niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Volgens de zogeheten landelijke oriëntatiepunten betreffende de invoer van harddrugs (artikel 2 onder A van de Opiumwet), die bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf in dit soort zaken doorgaans als uitgangspunt worden gehanteerd, en de in de vaste jurisprudentie van het Gerechtshof Den Bosch naar aanleiding daarvan vastgestelde rekenmodus wanneer het gaat om het bezit (artikel 2 onder C van de Opiumwet) van harddrugs, geldt voor de aanwezigheid ruim 8,5 kilo harddrugs in beginsel een gevangenisstraf van 22 maanden (categorie standaard).

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met het opleggen van een werkstraf en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank tevens acht geslagen op het feit dat verdachte ter zitting geen blijk heeft gegeven in te zien dat haar handelen niet alleen strafwaardig is, maar ook essentieel is voor het in stand houden van de illegale activiteiten van haar echtgenoot; immers zij was als medebewoonster, echtgenote én moeder van hun kinderen als geen ander in de gelegenheid hem te verbieden de drugs waarvan ze minst genomen vermoedde dat hij die vervoerde, in hun eigen woning op te slaan.

De rechtbank houdt bij de op te leggen straf rekening met de omstandigheid dat verdachte de zorg heeft over twee minderjarige kinderen en het feit dat de echtgenoot van verdachte en vader van deze kinderen bij vonnis van de rechtbank van heden tot een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld. Gelet op de uiterst laakbare houding van verdachte acht de rechtbank desondanks een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de duur van die gevangenisstraf evenwel aanzienlijk worden gematigd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het bovendien noodzakelijk dat naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijke straf wordt opgelegd. Dit dient verdachte er van te weerhouden dat zij in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten zal plegen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend is.

6 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde telefoon aan de rechthebbende.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende:

2009150325 1 stuk GSM, Nokia 6233, 1877895.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 02 januari 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk

geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8665

gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA

en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA

(=MDEA) en amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/700007-11

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 22 april 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman/vrouwe mr. J.P.H. Timmermans, advocaat te Beek.