Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ8260

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 139
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW3907, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt voorop dat de SAOZ te beschouwen is als een onafhankelijke deskundige op het gebied van onroerend goed en dat verweerder in beginsel op een door de SAOZ uitgebracht advies mag afgaan. Dit is slechts anders indien moet worden geoordeeld dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Een taxatierapport is volgens de rechtbank geen deskundigenadvies waarmee het advies van de SAOZ kan worden weerlegd.

De rechtbank is voorts niet gebleken dat de totstandkoming van het advies onzorgvuldig is geschied of dat er anderszins reden is te oordelen dat verweerder dat advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. In beroep is in dit verband onder meer aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit niet op het advies van de SAOZ heeft mogen baseren, omdat daarin door uit te gaan van de planschaderegeling in artikel 49 van de WRO en de jurisprudentie die onder de werking van die bepaling tot stand is gekomen, een onjuist uitgangspunt is gehanteerd bij de vaststelling of sprake is van schade op grond van artikel 30 van de Rwc. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 22 juli 2009 (LJN BJ3082) waarin de rechtbank, onder verwijzing naar de bewoordingen en de wetsgeschiedenis van artikel 30 van de Rwc (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 356, nr. 5), waarbij aangesloten is bij artikel 49 van de WRO, en de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 (LJN AT0571), heeft geoordeeld dat het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 30 van de Rwc terecht is behandeld als een verzoek om planschade, alsmede naar de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010 (LJN BL9617) op het tegen de uitspraak van 22 juli 2009 ingestelde hoger beroep waarin de uitspraak van de rechtbank is bevestigd, verwerpt de rechtbank dat betoog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 139

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres]

gevestigd te Nederweert, eiseres,

en

gedeputeerde staten van de provincie Limburg,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 8 december 2009

Kenmerk: DOC200900132244

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef genoemde, hieronder nader te duiden besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben en een verweerschrift aan de rechtbank gezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van deze rechtbank op 3 maart 2011. Daar is voor eiseres verschenen A. Wijen, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres C.M.H. Cohen, werkzaam bij ACCON AVM adviseurs en accountants, gevestigd te Venlo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E.A. Weusten, werkzaam bij de provincie Limburg.

2. Overwegingen

Eiseres is eigenaar van het perceel gelegen [adres] te Nederweert. Zij exploiteert op dat perceel [bedrijf]

Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied 1998”, door de gemeenteraad van de gemeente Nederweert vastgesteld op 13 april 1999, op 23 november 1999 door verweerder goedgekeurd en nadien onherroepelijk geworden. Onder dit planologisch regime heeft het perceel deels de bestemming “Agrarisch blok” en deels “Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarde”. De met de bestemming “Agrarisch blok” aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden. Hierbinnen is één agrarisch bedrijf toegestaan met één bedrijfswoning. Bebouwing mag alleen binnen de bouwgrenzen worden opgericht.

Op 5 maart 2004 heeft verweerder het Reconstructieplan Noord- en Midden Limburg (het plan) vastgesteld. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2005 (LJN AT8768) is het plan onherroepelijk geworden.

Het plan voorziet ten behoeve van Noord- en Midden Limburg in een zonering voor de intensieve veehouderij, bestaande uit landbouwontwikkelingsgebieden, verwervingsgebieden en extensiveringsgebieden.

Het plan vindt zijn wettelijke grondslag in de Reconstructiewet concentratiegebieden (Rwc). Door het plan is het perceel van eiseres grotendeels in een extensiveringsgebied komen te liggen.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Rwc kent verweerder op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de vaststelling van een reconstructieplan schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Bij brief van 11 augustus 2008 (door verweerder op 15 augustus 2008 ontvangen) heeft eiseres verzocht op grond van de hiervoor genoemde bepaling over te gaan tot schadevergoeding van alle schade die zij heeft geleden ten gevolge van de op grond van het plan bepaalde zonering die er in haar geval toe heeft geleid dat haar perceel in een extensiveringsgebied is komen te liggen. Daarnaast heeft eiseres verzocht de kosten te vergoeden die verband houden met de noodzakelijke sanering van haar bedrijf.

Eiseres heeft ter ondersteuning van haar verzoek een taxatierapport van Van den Heuvel Makelaars Adviseurs van 29 september 2008 (verder ook wel te noemen het rapport (van Van den Heuvel)) aan verweerder overgelegd.

In dat rapport is geconcludeerd dat de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf van eiseres door de ligging in een extensiveringsgebied gemarginaliseerd zijn, dat hierdoor omrijschade zal ontstaan omdat verdere ontwikkeling van het zeugenbedrijf op de huidige locatie onmogelijk is en dus een tweede locatie moet worden verworven, dat dit laatste ook inkomensschade tot gevolg heeft en dat dat de waarde van de grond drukt omdat op de landbouwgronden de functie van natuurontwikkeling is geprojecteerd. Aan de hand van deze factoren is de schade bepaald op € 510.000,--.

Op grond van de Beleidsregel schadeprocedures Reconstructie Provincie Limburg heeft verweerder het verzoek voor advies voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). Bij besluit van 2 juni 2009 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de SAOZ van april 2009, afwijzend beslist op het verzoek.

De SAOZ heeft het verzoek van eiseres benaderd als ware het een verzoek om planschade. De SAOZ heeft in dit verband gewezen op de sterke gelijkenis tussen het planschadestelsel (artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO)) en dat van artikel 30 van de Rwc.

Blijkens het advies van de SAOZ mag de intensieve veehouderijtak zoals deze voor de peildatum (2 juni 2004) ter plaatse bestond onder het regime van het plan zonder meer worden gehandhaafd en mag de veebezetting binnen de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan biedt -en ook voor de peildatum bood-, zelfs worden uitgebreid. Blijkens het advies zijn alleen uitbreidingen die niet passen binnen het in het bestemmingsplan vastgelegde bouwblok niet toegestaan, maar dat was het voor de peildatum evenmin. Volgens de SAOZ respecteert het plan volledig de per peildatum bestaande rechten van eiseres.

De SAOZ heeft voorts aangegeven dat mogelijke schade door het vervallen van juridische en planologische, per peildatum nog niet bestaande, uitbreidingsmogelijkheden niet in rechtstreeks verband staat met de komst van het reconstructieplan en daarom niet voor vergoeding op grond van artikel 30, eerste lid, van de Rwc in aanmerking komt.

De conclusie van de SAOZ is dat het plan voor eiseres niet heeft geleid tot een nadeliger positie waaruit op de voet van artikel 30, eerste lid, van de Rwc voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering of inkomensschade is voortgevloeid.

Tegen het besluit van 2 juni 2009 heeft eiseres bij brief van 13 juli 2009 (door verweerder ontvangen op 14 juli 2009) bezwaar gemaakt. Verweerder heeft zich op grond van artikel

2 van het Reglement bezwaren en klachten Provincie Limburg laten adviseren door de adviescommissie bezwaarschriften Provincie Limburg en onder verwijzing naar het advies van 16 november 2009 de bezwaren bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

De adviescommissie heeft overwogen dat niet is gebleken dat verweerder zijn besluit niet mocht baseren op het advies van de SAOZ. De commissie heeft zich bij dat advies aangesloten en is met de SAOZ van mening dat causaal verband tussen de gestelde schade en het plan ontbreekt.

De rechtbank stelt voorop dat de SAOZ te beschouwen is als een onafhankelijke deskundige op het gebied van onroerend goed en dat verweerder in beginsel op een door de SAOZ uitgebracht advies mag afgaan. Dit is slechts anders indien moet worden geoordeeld dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven.

Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat het rapport van Van den Heuvel ook moet worden gezien als reactie op het advies van de SAOZ.

Voor zover eiseres hiermee heeft willen aangeven dat dit rapport voldoende aanknopingspunten biedt om het SAOZ-advies in twijfel te trekken, is de rechtbank van oordeel dat, nog afgezien van het feit dat dit rapport is opgemaakt alvorens het advies tot stand is gekomen en reeds daarom geen (inhoudelijke) reactie daarop kan inhouden, het rapport van Van den Heuvel geen deskundigenadvies is waarmee het advies van de SAOZ kan worden weerlegd.

De rechtbank is ook overigens niet gebleken dat de totstandkoming van het advies onzorgvuldig is geschied of dat er anderszins reden is te oordelen dat verweerder dat advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Daartoe wordt overwogen als volgt.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit niet op het advies van de SAOZ heeft mogen baseren, omdat daarin door uit te gaan van de planschaderegeling in artikel 49 van de WRO en de jurisprudentie die onder de werking van die bepaling tot stand is gekomen, een onjuist uitgangspunt is gehanteerd bij de vaststelling of sprake is van schade op grond van artikel 30 van de Rwc. Door hiervan uit te gaan is volgens eiseres miskend dat artikel 30 van de Rwc juist in het leven is geroepen om te voorkomen dat schade als hier gesteld niet voor vergoeding in aanmerking komt voordat een plan als het onderhavige in een nieuw en rechtsgeldig bestemmingsplan is verwerkt.

De rechtbank verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 22 juli 2009

(LJN BJ3082) waarin zij, onder verwijzing naar de bewoordingen en de wetsgeschiedenis van artikel 30 van de Rwc (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 356, nr. 5), waarbij aangesloten is bij artikel 49 van de WRO, en de uitspraak van de Afdeling van

16 maart 2005 (LJN AT0571), heeft geoordeeld dat het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 30 van de Rwc terecht is behandeld als een verzoek om planschade, alsmede naar de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010 (LJN BL9617) op het tegen de uitspraak van 22 juli 2009 ingestelde hoger beroep waarin de uitspraak van de rechtbank is bevestigd.

De rechtbank ziet in het niet nader onderbouwde betoog van eiseres noch anderszins reden thans tot een ander oordeel te komen en verwerpt op grond hiervan het betoog.

De rechtbank overweegt vervolgens dat voor de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding in de eerste plaats dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologisch regime, waardoor de verzoeker in een nadeligere positie is komen te verkeren en waarbij hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime.

Dit betekent in dit geval dat moet worden bezien of het bestaande planologisch regime door het plan is gewijzigd en zo ja, of eiseres hierdoor in een nadeliger positie is komen te verkeren waardoor schade is ontstaan.

Eiseres meent dat dit het geval is. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij schade lijdt vanwege de beperking van de bestaande bouwrechten en/of ontwikkelingsmogelijkheden, alsmede ten gevolge van de beperking van haar vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden. Eiseres is in dit verband van mening dat de SAOZ in haar advies ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de onder het voor de peildatum geldende planologisch regime bestaande wijzigingsbevoegdheid in artikel 5.5.2 van de planvoorschriften, die inhield dat uitbreidingsmogelijkheden buiten het bouwblok mogelijk waren en die als rechtstreeks gevolg van het plan zijn komen te vervallen. Volgens eiseres had verweerder ook daarom het advies van de SAOZ niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

De rechtbank stelt vast en niet in geschil is dat de in dezen relevante peildatum 2 juni 2004 is.

Vast staat voorts dat de wijzigingsbevoegdheid in genoemde bepaling waar eiseres op doelt niet is verwezenlijkt.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 16 maart 2005 (LJN AT0549)) komt bij de vergelijking van het oude en nieuwe planologische regime geen betekenis toe aan een niet verwezenlijkte wijzigingsbevoegdheid in het oude regime.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en nu eiseres niet heeft onderbouwd waarom in de onderhavige situatie moet worden afgeweken van genoemde vaste rechtspraak, is de rechtbank van oordeel dat ook hierin geen reden is gelegen te oordelen dat verweerder niet op het advies van de SAOZ mocht afgaan.

Nu er aldus geen reden is te oordelen dat verweerder het bestreden besluit niet op het advies van de SAOZ heeft mogen baseren, heeft verweerder zich op grond van dat advies terecht op het standpunt gesteld dat het plan geen wijziging heeft gebracht in het ten tijde van de peildatum geldende planologisch regime. Verweerder heeft zich voorts dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het plan eiseres niet in een nadeliger positie heeft gebracht waaruit op de voet van artikel 30 van de Rwc voor vergoeding vatbare schade in de vorm van vermogens- of inkomensschade is voortgevloeid. Verweerder heeft daarom ook terecht zijn standpunt gehandhaafd dat hiervoor genoemde inkomensschade, alsmede ook de vermogensschade die eiseres stelt te hebben geleden als gevolg van de zonering, wegens het ontbreken van causaal verband tussen het plan en die schade wordt afgewezen. Voor zover eiseres haar betoog ter zake de door haar geleden schade ter zitting nader heeft getracht te onderbouwen door nog aan te voeren dat de ligging van haar perceel in een extensiveringsgebied haar subsidies doet mislopen, leidt dit, reeds gelet op het voorgaande, niet tot een ander oordeel.

Het betoog van eiseres dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte niet heeft doen meewegen de omstandigheid dat bij de vaststelling van de zonering geen rekening is gehouden met haar positie, kan evenmin leiden tot het daarmee beoogde doel. De reden hiervoor is dat nu de zonering is neergelegd in het plan, eiseres aldus met die bezwaren tegen de vaststelling van het plan had moeten ageren.

Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank dan ook van oordeel dat het beroep ongegrond is te achten. Voor een proceskostenvergoeding en/of het doen vergoeden van het griffierecht ziet de rechtbank, gelet op voorgaande, geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan E.V.L. Heuts, voorzitter, R.M.M. Kleijkers en W.A.M. de Loo, leden, in tegenwoordigheid van A.W.C.M. Frings, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.

w.g. A. Frings w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 25 mei 2011

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

.