Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ7613

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
82/072390-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Veroordeling wegens diverse overtredingen van het Vuurwerkbesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 82-072390-11

vonnis van de economische politierechter d.d. 9 juni 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 mei 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: al dan niet opzettelijk vuurwerk voorhanden heeft gehad buiten een inrichting;

Feit 2: al dan niet opzettelijk een vervoermiddel met vuurwerk op de openbare weg heeft laten staan zonder dat dit voertuig beladen of gelost werd;

Feit 3: al dan niet opzettelijk de voorschriften van het Vuurwerkbesluit niet heeft nageleefd door een totale hoeveelheid van 2211 kg, in elk geval meer dan de toegestane 1000 kg consumentenvuurwerk deels opgeborgen in een (bestel)bus aanwezig te hebben en/of al dan niet opzettelijk als degene die een inrichting heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd dit niet heeft gemeld aan het bevoegd gezag.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat het eerste deel van het onder feit 3 ten laste gelegde zo onduidelijk is dat dit gedeelte van de dagvaarding nietig dient te worden verklaard.

De officier van justitie is het hier mee eens.

Ook de economische politierechter is van oordeel dat hetgeen in het eerste deel van het onder feit 3 ten laste gelegde dusdanig is geformuleerd, dat voor verdachte niet helder is welk strafbaar feit hem wordt verweten. Daarom verklaart zij dit deel van de dagvaarding nietig.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Hij is van oordeel dat verdachte deze feiten ook allemaal opzettelijk heeft gepleegd. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte aanzienlijk meer dan 1000 kilogram consumentenvuurwerk in zijn bunker had liggen. Dit mag alleen als hiervoor een vergunning is verleend. Dit was echter niet het geval. Verdachte had zelfs zoveel vuurwerk aanwezig dat dit uiteindelijk niet in de bunker bleek te passen. Daarom heeft verdachte een deel van zijn vuurwerk opgeslagen in een bestelbus, die hij vervolgens gewoon aan de openbare weg heeft geparkeerd.

Naar aanleiding van het betoog van de verdediging heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat uit niets blijkt dat in de bestelbus alleen dummies/reclame-vuurwerk zat. Ook blijkt nergens uit dat verdachte de bestelbus niet weg kon zetten wegens (te) slechte weersomstandigheden. Mocht dit al het geval zijn geweest, dan doet dit niet af aan het feit dat hij meer vuurwerk aanwezig had, dan hem was toegestaan. Tot slot heeft de officier van justitie nog gesteld dat een mogelijke wetswijziging geen reden is het onderhavige feit 3 (nu) niet als strafbaar feit aan te merken, danwel verdachte hier (nu) niet voor te straffen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de raadsman primair tot vrijspraak geconcludeerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet wettig bewezen kan worden dat er daadwerkelijk vuurwerk zat in de 31 dozen die in de bestelbus zijn aangetroffen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat alle bestellingen die verdachte heeft ontvangen telkens voor een deel bestonden uit zogenoemde dummies. Deze dummies zijn qua uiterlijk en verpakking niet te onderscheiden van echt vuurwerk. Het zou dus best kunnen dat in de bestelbus ook dummies zaten.

Subsidiair heeft hij ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte strafbare gedragingen heeft verricht. De feiten 1 en 2 moeten volgens de raadsman namelijk worden gelezen in samenhang met de bepalingen van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Op grond van deze wet mag er onder bepaalde weersomstandigheden geen vuurwerk worden vervoerd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij gladheid. De raadsman heeft aangegeven dat hij geen beroep doet op een overmachtsituatie, maar hij vindt dat wel onderzocht had moeten worden of hier sprake was van de bovengenoemde uitzonderingsgrond. Nu dit niet is gebeurd, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de geconstateerde gedragingen daadwerkelijk strafbaar zijn, aldus de raadsman.

Ook ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de politiek al enige tijd geleden heeft besloten de regelgeving inzake de opslag van vuurwerk te willen versoepelen. De nieuwe regelgeving (die is gepubliceerd in de Staatscourant van 7 oktober 2010, nr. 15526) zou inhouden dat voor de opslag tot 2000 kilogram vuurwerk kan worden volstaan met een melding, mits de opslag veilig geschied. Verdachte voldeed aan deze nieuwe regelgeving. Hij heeft een melding gedaan en had in december 2010 niet meer dan 2000 kilogram vuurwerk zijn kluis/bunker. Deze kluis was bovendien gecertificeerd tot 2000 kilogram.

4.3 Het oordeel van de economische politierechter

Inleiding

Verdachte is eigenaar van de rijwielhandel “[naam bedrijf van verdachte]”, gelegen aan de [adresgegevens] te Geleen. In dit pand exploiteert verdachte tevens een inrichting voor de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk. Blijkens het proces-verbaal van relaas van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], van 15 februari 2011, gaat het hier om een vergunningsvrije inrichting waarin maximaal 1000 kilogram consumentenvuurwerk mag worden opgeslagen in een daarvoor goedgekeurde ruimte.

Op 29 december 2010 heeft de politie een melding ontvangen dat er door verdachte een te grote hoeveelheid vuurwerk in zijn winkel zou zijn opgeslagen en dat er bovendien sprake zou zijn van een mobiele opbergplaats. Naar aanleiding van deze melding heeft de politie op diezelfde dag een controle/onderzoek ingesteld in/rondom de winkel van verdachte te Geleen. Om 11.10 uur die dag werd op de openbare weg, op de hoek van de [A.straat] te Geleen een bestelbus aangetroffen. De bus leek te zijn beladen. Uit onderzoek bleek dat de bus eigendom was van verhuurbedrijf [naam bedrijf] en op 28 december 2010 aan verdachte was verhuurd. De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben vervolgens van 11.15 tot 11.35 uur bij de bus gewacht. Gedurende dit tijdsbestek vonden er geen laad- of losactiviteiten plaats bij de bus.

De verbalisanten zijn vervolgens naar de winkel van verdachte gegaan en hebben hem gevraagd of ze in de bus mochten kijken. Verdachte heeft de bus toen om 11.40 uur vrijwillig geopend. In de laadruimte van de bus zagen de verbalisanten ongeveer 30 dozen met opschriften zoals “geschikt voor particulier gebruik”, “Thunderking”, “Dikke Bertha”, “Babyfluit” en “Finale Box”. Hierdoor hadden de verbalisanten het vermoeden dat de dozen gevuld waren met vuurwerk. De dozen zijn in beslag genomen. Het bleken uiteindelijk 31 dozen te zijn. Een van de dozen is door de politie geopend. Hierin bevonden zich zogenoemde “Flowerbeds”. Dit betrof legaal consumentenvuurwerk. De 31 dozen hadden een totaal gewicht van 375 kg.

Nadat het vuurwerk uit de bus in beslag was genomen zijn de verbalisanten ook nog gaan kijken in de opbergplaats van de inrichting van verdachte, zoals gezegd gelegen aan de [A.straat] te Geleen. In de “bunker” zagen de verbalisanten volle dozen vuurwerk, losse eenheden vuurwerk en plastic zakken met daarin vuurwerk. Aan verdachte werd gevraagd de vrachtbrieven van dit aan hem geleverde vuurwerk te tonen. Verdachte toonde een vrachtbrief van 14 december 2010, met hierop als bruto gewicht vermeld 211 en 964 kilogram. Naderhand heeft verdachte nog twee andere vrachtbrieven aan de verbalisanten doen toekomen. Een van 16 december 2010, met daarop als bruto gewicht vermeld 140 en 440 kilogram en een van 17 december 2010, met daarop als bruto gewicht vermeld 150 en 306 kilogram. De verbalisanten hebben op grond van deze vrachtbrieven geconcludeerd dat aan verdachte tot aan de datum van 17 december 2010 dus 2211 kilogram vuurwerk is geleverd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij al jaren vuurwerk verkoopt vanuit zijn winkel aan de [A.straat] te Geleen. Het vuurwerk wordt ook aldaar opgeslagen in een beveiligde kluis. Deze kluis is technisch goedgekeurd voor de opslag van 2000 kilogram vuurwerk. Het klopt dat hij desondanks maar 1000 kilogram mag opslaan, omdat hij voor meer dan 1000 kilogram een vergunning nodig heeft. Hij beschikt echter niet over een dergelijke vergunning. Voorts klopt het dat hij op 29 december 2010 meer dan de toegestane hoeveelheid van 1000 kilogram vuurwerk in zijn kluis voorhanden had.

Dit kwam, omdat hij in december 2010 meer dan 1900 kilogram vuurwerk had besteld. Het was de bedoeling dat de helft van dit vuurwerk zou worden geleverd op 14 december 2010 en het overige deel, verdeeld over twee zendingen, op 29 en 30 december 2010, nadat de verkoop van vuurwerk was gestart. Vlak voor de eerste levering werd het slecht weer en was verdachte bang dat de tweede en derde levering misschien niet door zouden kunnen gaan. Daarom heeft hij besloten de complete bestelling eerder te laten afleveren. Het bestelde vuurwerk is toen afgeleverd op 14, 16 en 17 december 2010. Aangezien er pas op 29 december 2010 met de verkoop van vuurwerk gestart mocht worden had verdachte op de ochtend van 29 december 2010 nog bijna de gehele bestelling van meer dan 1900 kilogram aanwezig.

Ten aanzien van de dozen die in de bestelbus zijn aangetroffen heeft verdachte verklaard dat hij er bij het uitpakken van de geleverde dozen achter kwam dat zijn bunker niet groot genoeg was voor het uitgepakte vuurwerk. Hij wilde toen een deel van het vuurwerk terug sturen naar de leverancier. Dit deel heeft hij op 28 december ’s avonds in een bestelbus geladen. Vervolgens heeft hij deze bus op de openbare weg te Geleen gezet. Op 29 december 2010 stond de bus er nog, zonder dat hier iets mee werd gedaan. Het was de bedoeling dit vuurwerk te retourneren aan zijn leverancier. Hij was er echter nog niet aan toegekomen dit te doen, of de leverancier te bellen om het te komen halen, aangezien hij druk bezig was met de verkoop van het overige vuurwerk vanuit zijn winkel. Hoeveel dozen er precies in de bus zaten weet verdachte niet meer.

Over de hoeveelheid vuurwerk in de kluis heeft verdachte nog verklaard dat dit geen 2211 kilogram was zoals de verbalisten menen, maar waarschijnlijk ongeveer 1600 kilogram. Het verschil is volgens verdachte ontstaan doordat op de vrachtbrieven een te hoog aantal kilogrammen staat vermeld. Uit zijn eigen administratie blijkt dat hij ongeveer 1984 kilogram had besteld. Hij zal dus ook maar 1984 kilogram hebben gekregen. Het vuurwerk in de bus maakte deel uit van deze bestelling. Indien dit inderdaad 375 kilogram was, zoals de verbalisanten beweren, dan zou er dus hooguit ongeveer 1600 kilogram in zijn kluis kunnen hebben gelegen.

Beoordeling

Feiten 1 en 2

De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Zij baseert dit op de bovengenoemde bevindingen van de politie en de eigen verklaring van verdachte, zoals afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Aanwezig hebben vuurwerk buiten de inrichting: Niet alleen dummies/reclame-vuurwerk in de bestelbus

Anders dan de verdediging is de economische politierechter van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er in (een deel van) de 31 dozen in de bestelbus echt vuurwerk zat. In de eerste plaats duiden de opschriften op de dozen op vuurwerk. Voorts heeft verdachte zelf verklaard dat het om vuurwerk ging. Het betrof immers (een deel van het) vuurwerk dat hij had besteld en dat ook aan hem was geleverd, en dat was bedoeld voor de verkoop aan consumenten. Door dit alles staat afdoende vast dat het om vuurwerk ging. Nu verdachte heeft verklaard dat een deel van het vuurwerk dat hij geleverd heeft gekregen bestond uit zogenoemde dummies en/of reclamevuurwerk, zal de economische politierechter er van uitgaan dat ook een deel van de dozen in de bestelbus dummies betreft. Het is echter onaannemelijk dat er alléén maar dummies in de bestelbus zaten, met name omdat het ging om vuurwerk dat verdachte wilde terugsturen, omdat het niet in zijn bunker paste. Als het alleen dummies waren had hij dit immers niet terug hoeven te sturen. Uitgaande van een percentage van 10, of zelfs 20% nepvuurwerk, brengt dit met zich dat er toch de nodige kilo’s echt vuurwerk in de bus moeten hebben gezeten.

Gelet op dit alles acht de economische politierechter het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte opzettelijk een aantal kilo’s vuurwerk in een gehuurde bestelbus voorhanden heeft gehad.

Geen laad- en/of losactiviteiten

Uit de bovengenoemde bevindingen omtrent het aantreffen van de bestelbus en hetgeen verdachte hierover heeft verklaard, volgt dat de betreffende bus op 29 december 2010 tussen 11.10 en 11.40 uur op de openbare weg heeft gestaan zonder dat er laad- of losactiviteiten plaatsvonden. Nu er, zoals hierboven overwogen, in de bus op dat moment in ieder geval een hoeveelheid (echt) vuurwerk aanwezig was, acht de economische politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook het onder feit 2 ten laste gelegde opzettelijk heeft begaan.

Feit 3

Gelet op de bovengenoemde bevindingen van de verbalisanten omtrent de inrichting van verdachte en diens verklaring afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, acht de economische politierechter tenslotte ook het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten een wijziging in de werking van zijn inrichting te melden, namelijk dat hij meer dan de toegestane 1000 kilogram vuurwerk aanwezig had.

4.4 De bewezenverklaring

De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 29 december 2010 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk vuurwerk voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 van het Vuurwerkbesluit, immers had hij een aantal kilo’s vuurwerk opgeslagen in een gehuurde bestelbus;

2

op 29 december 2010 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, d en/of e van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht, voor zover het betreft handelingen met vuurwerk, anders dan het ononderbroken beladen van een vervoermiddel met vuurwerk en het ononderbroken lossen daaruit, te weten een vervoermiddel heeft laten staan, waarin zich gevaarlijke stoffen bevonden, immers heeft hij toen aldaar een vervoermiddel, te weten een bestelbus met een aantal kilo’s vuurwerk laten staan, zonder dat in het tijdvak tussen 11.10 en 11.40 uur beladen en/of gelost werd;

3

in de periode van 14 december 2010 tot en met 29 december 2010 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk als degene die de werking van een inrichting voor de verkoop van vuurwerk heeft veranderd, immers de opslag daarvan heeft veranderd van de toegestane 1000 kg tot meer dan de toegestane 1000 kg, dit niet tenminste vier weken voor de verandering heeft gemeld aan het bevoegd gezag.

De economische politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan in eendaadse samenloop met:

Feit 2:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

Feit 3:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

5.2 Strafbaar feit/strafbare dader

Zoals hierboven weergegeven heeft de raadsman bepleit dat verdachte ten aanzien van alle drie de feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De economische politierechter verwerpt dit verweer. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Feiten 1 en 2

Het standpunt van de raadsman dat de bestelbus niet kon/mocht rijden vanwege het slechte weer vindt geen feitelijke ondersteuning in de verklaringen van de verdachte. Verdachte heeft hier immers niets over verklaard. Wat verdachte wel verklaard heeft is, dat hij er nog niet aan toegekomen was het vuurwerk terug te sturen, omdat hij het (te) druk had met de verkoop van (het overige) vuurwerk vanuit zijn winkel.

Uit de verklaring van verdachte volgt naar het oordeel van de economische politierechter dat verdachte de bestelbus, met daarin een grote hoeveelheid vuurwerk, willens en wetens gedurende langere tijd op de openbare weg heeft laten staan, zonder zich om de inhoud hiervan te bekommeren. Deze gedragingen zijn te kwalificeren als de strafbare feiten zoals onder feit 1 en 2 tenlastegelegd. Het feit dat verdachte mogelijkerwijs van plan was het vuurwerk naar de leverancier te brengen - hetgeen dan vanwege gladheid mogelijkerwijs niet had gekund - doet aan deze strafbaarheid niets af. Verdachte heeft er immers doelbewust voor gekozen het vuurwerk niet terug te (laten) brengen, maar zich eerst met de verkoop van ander vuurwerk bezig te houden.

Gelet op het bovenstaande is de economische politierechter van oordeel dat de feiten 1 en 2 beide strafbare feiten betreffen en acht zij verdachte voor beide feiten strafbaar.

Feit 3

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is geen feit strafbaar, dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke bepaling. Ingevolge lid 2 van dit artikel dient bij verandering in de wetgeving ná het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de verdachte gunstigste bepaling te worden toegepast. De raadsman impliceert dat ten gunste van verdachte verandering van wetgeving heeft plaatsgevonden. Dit is echter niet het geval. De publicatie in de Staatscourant waar de raadsman op doelt is het “Ontwerpbesluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en enkele algemene maatregelen van bestuur”. Het gaat hier niet om al vastgestelde nieuwe wetgeving, maar (nog) slechts om een ontwerp. Een ontwerp kan uit de aard der zaak nog worden gewijzigd. Bovendien betreft het hier een ontwerpbesluit waartegen (zo blijkt uit de tekst van de publicatie) op dat moment nog schriftelijke zienswijzen naar voren gebracht konden worden. Ook deze zienswijzen hebben mogelijk nog tot aanpassingen geleid. Gelet hierop is de economische politierechter van oordeel dat hier geen sprake is van nieuwe regelgeving, zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, die ten gunste van de verdachte zou moet worden toegepast. Ook feit 3 betreft daarom een strafbaar feit, waarvoor verdachte strafbaar is.

Er zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 5000, subsidiair 60 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 tot vrijspraak geconcludeerd. Subsidiair heeft hij verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman primair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Subsidiair heeft hij verzocht om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht het door de officier van justitie gevorderde bedrag van € 5000, - te matigen.

6.3 Het oordeel van de economische politierechter

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft ongeveer 1600 kilogram vuurwerk in zijn inrichting aanwezig gehad, terwijl hij hooguit 1000 kilogram mocht hebben. De reden hiervoor was dat hij niet het risico wilde lopen rond de jaarwisseling te weinig vuurwerk voor de verkoop te hebben. Verdachte heeft betoogd dat dit geen gevaarlijke situatie opleverde, aangezien zijn bunker was gecertificeerd voor 2000 kilogram vuurwerk. Dit moge zo zijn, maar dit neemt niet weg dat verdachte – die nota bene vanuit zijn positie als gemeenteraadslid een voorbeeldfunctie heeft – willens en wetens de regels heeft overtreden enkel en alleen om er van verzekerd te zijn dat hij voor de jaarwisseling voldoende vuurwerk zou kunnen verkopen. Met andere woorden, klaarblijkelijk uit puur winstbejag.

Naast de te grote hoeveelheid vuurwerk in de bunker heeft verdachte bovendien een aanzienlijke hoeveel vuurwerk een nacht en ochtend onbeheerd in een niet beveiligde bestelbus in een woonwijk te Geleen laten staan. Ondanks dat het hier om legaal vuurwerk ging is dit een potentieel gevaarlijke situatie, die voor de bewoners van die wijk in ieder geval gevoelens van onrust en onveiligheid met zich mee heeft kunnen brengen.

Dit alles afwegend is de economische politierechter van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan alle omstandigheden van dit geval en zal zij conform deze eis oordelen.

7 Het beslag

Onder verdachte zijn 31 dozen vuurwerk in beslag genomen. De officier van justitie heeft gevorderd deze dozen vuurwerk verbeurd te verklaren. De raadsman van verdachte heeft teruggave aan verdachte verzocht.

De economische politierechter overweegt dienaangaande als volgt.

De dozen vuurwerk, die volgens eigen opgave aan verdachte toebehoren, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen betreft met betrekking tot welke het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is begaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 33, 33a, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en de artikelen 1.2.4 en 1.2.5 van het Vuurwerkbesluit, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De economische politierechter:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot geldboete van € 5.000,- ;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Beslag

- verklaart verbeurd de 31 in beslag genomen dozen vuurwerk.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, economische politierechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

9 juni 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 29 december 2010 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, al dan niet opzettelijk, vuurwerk voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 van het Vuurwerkbesluit, immers had hij 375 kg, althans een aantal kilo’s vuurwerk opgeslagen in een gehuurde (bestel)bus;

2

hij op of omstreeks 29 december 2010 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid , onder c, d en/of e van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht, voor zover het betreft handelingen met vuurwerk, anders dan het ononderbroken beladen van een vervoermiddel met vuurwerk en het ononderbroken lossen daaruit, te weten een vervoermiddel heeft laten staan, waarin zich gevaarlijke stoffen bevonden, immers heeft hij toen aldaar een vervoermiddel, te weten een (bestel)bus met 375 kg, althans een aantal kilo’s vuurwerk laten staan, zonder dat in het tijdvak tussen 11.10 en 11.40 uur beladen en/of gelost werd;

3

hij op of omstreeks 29 december 2010 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, als degene die een inrichting dreef , waar ten hoogste 1000 kg consumentenvuurwerk werd opgeslagen en/of herverpakt, al dan niet opzettelijk, er niet voor heeft zorg gedragen dat de voorschriften, opgenomen in de bij het Vuurwerkbesluit behorende bijlage 1, onder A, B en/of C werden nageleefd, immers was in strijd met het bepaalde in onderdeel B, paragraaf 1 punt 1.3 van genoemde bijlage, in plaats van in de daarvoor bestemde bewaarplaats, bufferbewaarplaats en verkoopruimte, een totale hoeveelheid van ongeveer 2211 kg consumentenvuurwerk, in elk geval meer dan de toegestane 1000 kg, deels opgeborgen in een (bestel)bus aanwezig, die zich onbewaakt aan de openbare weg bevond;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2010 tot en met 29 december 2010 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, al dan niet opzettelijk, als degene die een inrichting voor de verkoop van vuurwerk heeft veranderd, of de werking daarvan heeft veranderd, immers de opslag daarvan heeft veranderd van de toegestane 1000 kg tot ongeveer 2211 kg, in ieder geval meer dan de toegestane 1000 kg, dit niet tenminste vier weken voor de verandering heeft gemeld aan het bevoegd gezag.