Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ7603

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
396107 CV EXPL 10-4741
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Essent slaagt er niet in, ondanks een veelheid aan stukken en processuele betogen, voor de kantonrechter overtuigend over het voetlicht te brengen dat zij de gevorderde som van haar in rechte gedaagde klant te goed heeft als openstaand saldo van de energierekening per medio oktober 2009.

Als professional met ook nog eens professionele rechtsbijstand wordt Essent afgerekend op procesrechtelijke tekortkomingen en op tekorten in de wijze van uitvoering van haar verplichtingen tot behoorlijke vaststelling van de rekening, facturering en debiteurenbeheer. De kantonrechter concludeert dat slechts een schatting van de restschuld op een aanzienlijk lager bedrag dan Essent becijferd had, tot een redelijke uitkomst leidt. Naast een dergelijk geschat bedrag aan hoofdsom zijn geen nevenvorderingen toewijsbaar (deze worden gemotiveerd afgewezen). Dit alles impliceert dat ook nog eens de proceskosten geheel gecompenseerd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer 396107 CV EXPL 10-4741

Vonnis van 23 maart 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ESSENT RETAIL ENERGIE B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te ’s-Hertogenbosch,

verder ook te noemen: Essent,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.P. van der Kooij, advocaat te Amsterdam

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

in persoon procederend.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Essent heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 22 september 2010 in rechte betrokken ter zake van een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding, onder verwijzing naar twee daarbij meebetekende producties.

[gedaagde] (die zichzelf ‘[gedaagde]’ noemt) heeft - na gevraagd en verkregen uitstel - schriftelijk geantwoord onder bijvoeging van twee producties.

Zonder dat Essent dan wel mr. Van der Kooij mededeling gedaan had van enige subsitutie, heeft vervolgens mr. L.L.M.M. Smeets als ‘gemachtigde’ van Essent uitvoerig gerepliceerd en aan de repliek tien - deels omvangrijke - producties toegevoegd.

[gedaagde] ([gedaagde]) heeft tot slot van dupliek gediend.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

Essent vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 2.516,75, nog te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 2.216,75 ‘vanaf de vervaldata van de respectievelijke facturen’, onder verwijzing tevens van [gedaagde] in de proceskosten. Essent baseerde bij exploot haar vorderingen op ‘één of meerdere met gedaagde gesloten overeenkomsten’ onder toepasselijk geachte, doch verder niet verhelderde algemene voorwaarden, bij welke overeenkomsten de levering en/of het transport van ‘gas en/of elektriciteit en/of warmte alsmede overige zaken en/of diensten’ centraal stond/stonden (kennelijk tegen betaling), terwijl in de marge ook sprake was van de inning van provinciale en gemeentelijke belastingen, alles ten aanzien van het adres [adres]. Volgens Essent had [gedaagde] bij de uitvoering van deze overeenkomst(en) een ‘opeisbare’ schuld ter hoogte van € 2.216,75 laten ontstaan of bestaan, welk bedrag in rechte gevorderd werd (‘subsidiair als schadevergoeding’ wegens ongerechtvaardigde verrijking). Ten aanzien van de rente en kosten is gesteld dat de ‘voorwaarden’ deze invorderbaar maken‘vanaf 14 dagen na factuurdatum’ (subsidiair worden de ‘kosten’ gevorderd ‘als vermogensschade’). De post vergoeding van buitengerechtelijke kosten heeft Essent in het exploot onder verwijzing naar “Voor-Werk II” op een bedrag van € 300,00 gesteld.

Dit evident niet aan de eisen van de artikelen 21 en 111 Rv (en mogelijk evenmin aan die van artikel 85 Rv) beantwoordende inleidende processtuk heeft Essent in de haar toe te rekenen repliek (van een kennelijk beoogde andere gemachtigde) alsnog van aanvullende feitelijke argumentatie doen voorzien. Essent is daarbij ingegaan op het verweer van [gedaagde] en heeft gepoogd in een omstandig betoog uit te leggen hoe zij tot de onderhavige vordering gekomen is, waarbij opvalt dat in de hoofdsom tevens talrijke kostenposten (volgens haar ‘inzichtelijk’) verwerkt zijn.

In haar verweer in twee ronden benadrukt [gedaagde] dat zij in de overtuiging leefde aan Essent niets meer verschuldigd te zijn voor energieleveringen ten behoeve van de woning aan de [adres] die zij (met haar partner of echtgenoot) vóór februari 2010 bewoonde en die wegens betalingsachterstanden gedwongen verkocht is. [gedaagde] erkent noch het bestaan van een schuld, laat staan de omvang daarvan, noch de juistheid van de stelling van Essent dat zij op grond van ‘voorwaarden’ talrijke kosten (of ‘boetes’) verschuldigd is. Haar is op 16 maart 2010 telefonisch verzekerd dat met betaling van € 199,00 de kous af was en dat de ‘boetes’ kwijtgescholden werden. Correspondentie over het desondanks bestaan van een (andere of hogere) schuld zegt [gedaagde] niet ontvangen te hebben tot haar berichten over deze procedure bereikten. Zij betwist uitdrukkelijk, als er al sprake mocht zijn van een verschuldigd bedrag in hoofdsom, dat Essent recht kan doen gelden op rente en/of vergoeding van kosten (‘boetes’).

Waar nuttig en nodig - en voor zover al niet tot uitdrukking komend in de opsomming onder b. van feiten die zijn komen vast te staan - zullen specifiekere en/of meer in detail tredende stellingen van partijen aan de orde komen en gewogen worden bij de beoordeling onder c.

b. de feiten en omstandigheden

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

- Ten behoeve van de woning aan de [adres] heeft Essent op basis van een niet in het geding gebrachte en evenmin in de stukken inhoudelijk besproken overeenkomst (er is niet eens duidelijk of deze mondeling dan wel schriftelijk aangegaan is en of er sprake was van één overeenkomst of meer overeenkomsten) met [gedaagde] dan wel met haar echtgenoot of partner dan wel met beide personen afspraken gemaakt over de levering van energie tegen betaling.

- Hoewel Essent beweert dat door de proceshouding van [gedaagde] ‘de overeenkomst’ vaststaat, geldt dat niet voor de niet geopenbaarde inhoud (in exploot en repliek is zelfs onbenoemd gebleven welke vormen van energie onderdeel van de overeenkomst waren) en ook voor de vraag of en - zo ja - welke algemene voorwaarden daar deel van uitmaakten.

- Zowel de energielevering als de klantrelatie (althans ten aanzien van het perceel [adres]) is inmiddels beëindigd.

- Hoewel Essent verzuimt in de processtukken zelf de beëindiging te preciseren, kan uit een productie afgeleid worden, dat deze een gevolg is van een eenzijdig besluit van Essent tot ontbinding per 15 oktober 2009, dat deze betrekking had op de levering van gas en elektriciteit en voortvloeide uit een betalingsachterstand van de geadresseerde “[gedaagde]” (uit een door [gedaagde] ingebracht stuk blijkt dat deze in alle van Essent afkomstige correspondentie gebruikte voorletters aan haar partner of echtgenoot toebehoren, die kennelijk door Essent niet als medecontractant beschouwd wordt, althans niet als zodanig buiten rechte aangesproken is of in deze procedure aangesproken wordt).

- De door [gedaagde] betwiste vordering in hoofdsom, door Essent gesteld op een bedrag van € 2.216,75, is door Essent ‘gespecificeerd’ in een ongedateerde productie ten name van wederom “[gedaagde]” op het adres [adres] (nummer 4 bij repliek), welke specificatie zij zelf als ‘inzichtelijk’ kwalificeert en waarvan niet gesteld is dat deze eerder aan [gedaagde] verstrekt is.

c. de beoordeling

Essent heeft als professionele speler op de energiemarkt en nota bene voorzien van deskundig te achten juridische bijstand voor de procesrechtelijke aspecten van deze zaak schromelijk haar verplichtingen tot het verschaffen van inhoudelijke duidelijkheid en processuele zorgvuldigheid geschonden, althans veronachtzaamd. Een en ander begon al met een volstrekt ontoereikend exploot van dagvaarding en is vervolgens niet of vergaand onvoldoende hersteld in voortgezet debat, waar (alsnog) diverse producties zonder de vereiste inhoudelijke toelichting in het processtuk zelf (de repliek) aan het procesdossier toegevoegd zijn. Dit brengt niet alleen [gedaagde] in problemen, waar zij haar verweer niet of onvoldoende kan richten op een inzichtelijke schets van de feitelijke en juridische achtergronden, maar stelt ook de rechter voor onopgehelderde vragen. Waar Essents ‘gemachtigde’ bijvoorbeeld in haar repliek gemakshalve denkt te kunnen uitgaan van voor zichzelf sprekende stukken die zij als productie bijvoegt (zij zouden van alles ‘inzichtelijk’ maken), zij erop gewezen dat geen enkele productie voor zichzelf spreekt. Er dient nu eenmaal in de processuele stellingen of toelichting duidelijk gemaakt te worden welke elementen van een geproduceerd stuk waarom en in welke context door een partij voor het processuele debat als relevant beschouwd worden. Omdat Essent dat kennelijk in de meeste gevallen overbodig acht, zullen dergelijke ongericht overgelegde stukken buiten beschouwing worden gelaten, althans geen bijdrage kunnen leveren aan de beoordeling van de vordering en/of de vaststelling van relevante feiten. Verder worden bijvoorbeeld wel algemene voorwaarden in het geding gebracht en zelfs op een enkel onderdeel geciteerd, maar verzuimt Essent de toepasselijkheid van zulke voorwaarden te beargumenteren aan de hand van de destijds tussen partijen gemaakte afspraken. Van toepasselijkheid kan daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag niet uitgegaan worden, zeker niet waar [gedaagde] zulks niet expliciet erkend heeft en de voorwaarden juist Essent tot voordeel strekken. Dat Essent in haar repliek poogt aan de hand van een voorbeeldbrief te beargumenteren dat (ook) in dit geval een overeenkomst (van een onbestemde inhoud?) tot stand gekomen is, onder medezending van (bijvoorbeeld) algemene voorwaarden, gaat reeds daarom niet op, dat er geen sprake is van een aan de persoon [gedaagde] gericht stuk op een adres dat aan haar toebehoorde. Bovendien laat Essent ook nog eens na te vermelden wanneer aan [gedaagde] een bevestiging van een bepaalde inhoud gestuurd zou zijn, waaruit de ontvangst blijkt en hoe de verdere omstandigheden of bijzonderheden van het maken van afspraken met [gedaagde] (en partner?) waren. Het feit dat Essent hardnekkig in alle correspondentie (ook die van haar incasso- en procesgemachtigde) de namen van [gedaagde] en haar partner/echtgenoot door elkaar husselt, doet oprecht twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee Essent zich ervan overtuigd heeft met wie zij welke afspraken maakte en of de wederzijdse wil wel op hetzelfde gericht was. In ieder geval is niet gebleken van een zorgvuldige vastlegging van zulke afspraken. Dat ook de uitvoering veel te wensen overliet, niet alleen aan de zijde van de klant(en), toont de thans aanhangige procedure wel aan. Een frappant voorbeeld levert Essent door bij repliek met veel aplomb en diskwalificaties in de richting van ‘klanten als [gedaagde]’ te verwijzen naar ‘een bezoekformulier van de buitendienstmedewerker’, ene Math Jansen (productie 7). Deze tot allerlei bespiegelingen van Essent over slechte klanten, schuldhulpverlening en hoge kosten aanleiding gevende, maar inhoudelijk onbesproken gelaten productie toont bij lezing aan dat Jansen op 2 oktober 2009 niemand te spreken kreeg en bovendien een leeg perceel aantrof dat ‘te koop ‘ stond: had dit Essent niet te denken moeten geven en tot andere stappen moeten bewegen? Tot ver in 2010 werden vervolgens brieven aan [gedaagde] verzonden op het adres [adres], terwijl [gedaagde] toen de woning door gedwongen verkoop had moeten verlaten en mede daarover - in ieder geval op 16 maart 2010 - telefonisch contact met Essent gezocht had. Toen bij het bewuste (door Essent ondubbelzinnig bevestigde) telefooncontact in maart 2010 op initiatief nota bene van [gedaagde] de vraag op tafel kwam of en - zo ja - welke schuld(en) openstond(en), mocht [gedaagde] er op rekenen dat Essent in het gegeven antwoord alle schulden van het oude adres [adres] zou vermelden, ongeacht de vraag of deze eventueel onder verschillende klantnummers ondergebracht waren. De gekunstelde redenering die Essent geeft voor het kennelijk tekortschietende antwoord (er zou een ‘klantnummer’ buiten beschouwing gelaten zijn omdat de klant er niet naar gevraagd zou hebben), vormt opnieuw een aanwijzing voor onzorgvuldig omgaan met de belangen van een klant. Een klant nota bene van wie vaststond dat zij in betalingsproblemen verkeerde.

De voorgaande overwegingen omtrent slordigheden van Essent en haar hulptroepen buiten en in rechte maken dat een lineaire beslissing op basis van vaststaande of simpel vast te stellen feiten in deze zaak nagenoeg onmogelijk is. Een bewijsopdracht aan Essent behoort daarenboven niet tot de mogelijkheden, omdat Essent eerstens op vitale punten niet aan haar gemotiveerde stelplicht voldoet en tweedens geen specifiek bewijs aanbiedt op belangrijke onderdelen als de inhoud van de overeenkomst(en) en de opbouw en samenstelling van de veronderstelde schuld van [gedaagde]. De daaruit normaliter te trekken conclusie dat de vordering bij gebrek aan grondslag in deze vorm en omvang afgewezen moet worden, bevredigt niet. Al is het maar omdat de kennelijke fout van Essent in de op 16 maart 2010 aan [gedaagde] gedane mededelingen, de gerede kans openlaat dat er op die datum en dus ook daarna (omdat [gedaagde] geen betalingen meer verrichtte) nog bedragen voor het oude leveringsadres openstonden/openstaan. Anders dan Essent meent, komen op basis van haar eigen stellingen geen bedragen aan ‘kosten’ of ‘boetes’ (nota bene in een groot aantal posten toegerekend aan het als ‘hoofdsom’ berekende bedrag en niet weggestreept tegen de medegevorderde vergoeding van incassokosten), vervallen rente en buitengerechtelijke kosten voor toewijzing in aanmerking. Essent kan zich immers, zoals eerder gememoreerd, niet beroepen op algemene voorwaarden, nog daargelaten of zij - als dit anders was - had kunnen volstaan met de stelling dat rente en kosten verschuldigd zijn vanaf de niet concreet gedateerde ‘vervaldata van de respectievelijke (bedoeld: respectieve) facturen’. Omdat in het abstract gehouden betoog van Essent volledig in het midden gelaten is of, wanneer en hoe aan de zijde van [gedaagde] (per factuur) betalingsverzuim ingetreden is, worden alle nevenvorderingen hoe dan ook afgewezen. Verzuim wordt geacht eerst bij en door dagvaarding te zijn ingetreden. Omdat Essent reeds daarom in belangrijk opzicht in het ongelijk gesteld wordt, maar ook omdat hieruit volgt dat [gedaagde] rauwelijks (want zonder aanwijsbaar verzuim) in rechte betrokken is, zullen de proceskosten in het geheel gecompenseerd worden.

Resteert de vraag welk bedrag aan achterstand op de energierekening van [adres] zich voor toewijzing leent. De kantonrechter kan dit slechts schattenderwijs bepalen, onder verdiscontering van eisen van redelijkheid en billijkheid. De niet of vergaand onvoldoende toegelichte productie 4 bij repliek kan daar slechts matig behulpzaam in zijn, zelfs als alle posten onder het kopje ‘kosten’ geschrapt worden. Het door [gedaagde] te betalen bedrag wordt bepaald op € 1.500,00 en daarover is zij vanaf de datum van dagvaarding tevens de wettelijke rente verschuldigd. Aldus zal worden geoordeeld. Het is verder aan [gedaagde] en Essent (of haar gemachtigde) om een regeling te treffen voor een door [gedaagde] wegens ziekte en werkloosheid bepleit betalingsuitstel (of voor een betaling in termijnen).

BESLISSING

[gedaagde] wordt veroordeeld om aan Essent tegen bewijs van kwijting een bedrag van

€ 1.500,00 te betalen, met de wettelijke rente vanaf 22 september 2010 tot de datum van algehele voldoening.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.