Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ7187

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
06-06-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 738
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:616, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). In bezwaar gehandhaafde weigering inzage van de minuut bij (inwilligende) beslissing tot verlening verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder is, behoudens toepasselijkheid van de in artikel 43 van de Wbp vervatte weigeringsgronden, gehouden tot verstrekking van een overzicht van de over eiser verwerkte persoonsgegevens, alsmede van informatie over het doel van de verwerking, de ontvangers en de herkomst van de gegevens. Verweerder heeft dit, hangende beroep, kennelijk in zoverre onderkend dat hij in het verweerschrift een opsomming heeft gegeven van de gegevens die in de minuut zouden zijn verwerkt, alsmede van de herkomst van die gegevens.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb van de door verweerder overgelegde minuut kennis genomen. Vergelijking van de inhoud van deze minuut met de opsomming in het verweerschrift leidt de rechtbank tot de conclusie dat de weergave in het verweerschrift slechts een globale en algemene opsomming betreft die niet specifiek betrekking heeft op eiser en op de in de minuut verwerkte persoonsgegevens van eiser. Voorts moet worden geoordeeld dat verweerder in de opsomming in het verweerschrift evenmin een (volledige) weergave heeft gegeven van de gegevens die de neerslag vormen van het ten aanzien van eiser genomen besluit van 30 november 2005, voor zover in dat besluit besloten ligt dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning uit hoofde van de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000. Nu is geoordeeld dat uitsluitend de rechtbank van de inhoud van de minuut kennis mag nemen, dient de rechtbank op dit punt met deze motivering te volstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 738

Uitspraak

in het geding tussen

[naam], eiser,

en

de Minister van Justitie, thans de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Datum bestreden besluit: 20 april 2010

Kenmerk: 0511.25.0003

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen zijn besluit van 2 maart 2010 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder een - hieronder nader te duiden - verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens afgewezen.

Eiser heeft tijdig en gemotiveerd beroep doen instellen tegen het besluit van 20 april 2010. De gronden waarop het beroep berust zijn aangevuld bij brieven van 8 september 2010 en 9 september 2010.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en heeft voorts een verweerderschrift ingediend.

Naar aanleiding van verweerders verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ten aanzien van (een deel van) de gevraagde gegevens, heeft de rechtbank (in een andere samenstelling) geoordeeld dat beperking van de kennisneming, zoals door verweerder verzocht, gerechtvaardigd is te achten. Eiser heeft, desgevraagd, de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming verleend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2011, alwaar voor eiser is verschenen zijn gemachtigde L.J.H. Hoven-Kohl, advocaat te Maastricht.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R.J.M.F.P. Wouters, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) wordt onder persoonsgegevens verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Wbp wordt, voor zover hier van belang, onder verantwoordelijke verstaan: het bestuursorgaan dat het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Wbp, voor zover hier van belang, bevat de mededeling als bedoeld in het eerste lid, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp, voor zover hier van belang, kan de verantwoordelijke artikel 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

Eiser heeft bij brieven van 15 februari 2010 en 26 februari 2010 verzocht om toezending van de minuut die ten grondslag ligt aan het besluit van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie van 30 november 2005, alsook om toezending van de motivering van dat besluit. Bij het besluit van 30 november 2005 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), verleend op de grond genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van deze wet.

Tussen partijen is in confesso dat voormeld verzoek dient te worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wbp. Verweerder heeft aan de in de bezwaar gehandhaafde weigering de gevraagde gegevens te verstrekken, voor zover hier van belang, artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp ten grondslag gelegd. Volgens verweerder staat het belang van de rechten en vrijheden van anderen aan verstrekking van de gevraagde stukken in de weg. Daartoe heeft verweerder gesteld dat als de gevraagde stukken na afronding van de besluitvorming voor inzage vatbaar zijn, de opstellers van deze documenten zich belemmerd kunnen voelen in de vrijheid om argumenten en overwegingen naar voren te brengen die bij de besluitvorming van belang kunnen zijn. Dit zou kunnen leiden tot het niet-vermelden van dergelijke argumenten en overwegingen, hetgeen de besluitvorming zou kunnen raken.

Dienaangaande overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar haar uitspraak van 11 juni 2010 (LJN BM7299) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 2 februari 2011 (LJN BP2831), dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp, zich ten tijde van het bestreden besluit tegen kennisneming van de in de stukken opgenomen persoonsgegevens verzette. Niet ieder gewichtig belang van een ander dan de verzoeker kan worden aangemerkt als een recht of vrijheid in de zin van deze bepaling (Tweede Kamer 1997-1998, 25 892, nr. 3, blz. 171). Het door verweerder aangevoerde belang van hemzelf als verantwoordelijke en van de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen, kan niet worden aangemerkt als een zodanig gewichtig belang, dat dit het buiten toepassing laten van artikel 35, tweede lid, van de Wbp in dit geval rechtvaardigt. Bij een recht of vrijheid van een ander dan de verzoeker als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp gaat het om gewichtige belangen op grond waarvan het noodzakelijk is een uitzondering te maken op het recht van de betrokkene op kennisneming. Het belang van een ongestoorde gedachtewisseling tussen ambtenaren behoort daar niet toe.

Het vorenstaande betekent echter niet dat verweerder zonder meer is gehouden de gevraagde minuut aan eiser te verstrekken. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 24 januari 2007 (LJN AZ6853) heeft overwogen, voorziet de Wbp niet in een recht op inzage in stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen. Gegeven het aan de Wbp ten grondslag liggende transparantiebeginsel is inzage in stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen aan de orde indien niet op andere wijze adequaat kan worden voorzien in kennisgeving van die persoonsgegevens dan wel mededeling van de herkomst daarvan, behoudens toepasselijkheid van de in artikel 43 van de Wbp vervatte weigeringsgronden. Dat in dit geval niet anders dan door de integrale verstrekking van de minuut adequaat kan worden voorzien in kennisgeving van de daarin opgenomen persoonsgegevens dan wel mededeling van de herkomst daarvan, heeft eiser niet gesteld en is ook niet gebleken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minuut is opgesteld ter voorbereiding van de besluitvorming op eisers aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 en hij – met uitzondering van de gevraagde minuut – reeds in het bezit is van de stukken die tot de beslissing op die aanvraag hebben geleid. Volstaan kan worden met het doen van mededeling van persoonsgegevens, voor zover de minuut deze bevat. Verweerder was op grond van de Wbp niet gehouden tot het verstrekken van een afschrift van de minuut. Dat verweerder voorheen op verzoek minuten heeft verstrekt, doet daar niet aan af.

Verweerder is in dit geval, behoudens toepasselijkheid van de in artikel 43 van de Wbp vervatte weigeringsgronden, gehouden tot verstrekking van een overzicht van de over eiser verwerkte persoonsgegevens, alsmede van informatie over het doel van de verwerking, de ontvangers en de herkomst van de gegevens. Verweerder heeft dit, hangende beroep, kennelijk in zoverre onderkend dat hij in het verweerschrift een opsomming heeft gegeven van de gegevens die in de minuut zouden zijn verwerkt, alsmede van de herkomst van die gegevens.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb van de door verweerder overgelegde minuut kennis genomen. Daargelaten de vraag of in dezen sprake is van de omstandigheid dat in het verweerschrift een geheel andere motivering voor de beslissing op het verzoek om inzage in eisers persoonsgegevens wordt gegeven, leidt vergelijking van de inhoud van deze minuut met de opsomming in het verweerschrift de rechtbank tot de conclusie dat de weergave in het verweerschrift slechts een globale en algemene opsomming betreft die niet specifiek betrekking heeft op eiser en op de in de minuut verwerkte persoonsgegevens van eiser. Voorts moet worden geoordeeld dat verweerder in de opsomming in het verweerschrift evenmin een (volledige) weergave heeft gegeven van de gegevens die de neerslag vormen van het ten aanzien van eiser genomen besluit van 30 november 2005, voor zover in dat besluit besloten ligt dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning uit hoofde van de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000. Nu is geoordeeld dat uitsluitend de rechtbank van de inhoud van de minuut kennis mag nemen, dient de rechtbank op dit punt met deze motivering te volstaan.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is te achten. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en 7:12 van de Awb.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op het in rubriek 3 vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser twee punten zijn toegekend (voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Nu voor het beroep een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient dit bedrag te worden vergoed aan de griffier van de rechtbank.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 874,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te betalen aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het voor deze procedure betaalde griffierecht (ad € 150,-) volledig vergoedt.

Aldus gegeven door R.M.M. Kleijkers, rechter, in tegenwoordigheid van T.M. Horsten-Kuijpers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.

w.g. T. Horsten w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:

Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.