Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ6889

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
03/700098-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht wegens het bezit van en de handel in zowel softdrugs als harddrugs. De rechtbank heeft geoordeeld dat de doorzoeking in de woning van verdachte onrechtmatig is geweest. Verdachte is vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700098-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 maart 2011. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven op neer dat verdachte:

Feit 1: 413,4 gram heroïne en 1,9 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;

Feit 2: heroïne en/of cocaïne heeft verkocht dan wel afgeleverd dan wel verstrekt dan wel vervoerd;

Feit 3: al dan niet samen met anderen hennepplanten heeft geteeld dan wel medeplichtig is aan het telen van hennepplanten;

Feit 4: al dan niet samen met anderen 148 hennepplanten aanwezig heeft gehad;

Feit 5: heeft geprobeerd [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel die [naam slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3 primair, 4 en 5 primair wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Feiten 1 en 2

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de politie naar aanleiding van een CIE proces-verbaal het pand[B.straat] te Kerkrade is binnengetreden. Verdachte werd in voornoemd pand aangetroffen, samen met twee Duitse mannen. Er lagen open en bloot verdovende middelen en een weegschaal op tafel. Het had er alle schijn van dat vanuit het pand werd gedeald. De politie heeft verdachte vervolgens om toestemming tot doorzoeking gevraagd. Verdachte heeft, terwijl hij geboeid was, toestemming daartoe gegeven. De officier verwijst op dat punt naar de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dat verdachte meerdere keren om toestemming werd gevraagd. De toestemming is ten overstaande van drie verbalisanten gegeven. Van een onrechtmatige doorzoeking is volgens de officier van justitie dan ook geen sprake. De aangetroffen verdovende middelen zijn door het Nederlands Forensisch Instituut getest en het blijkt om een hoeveelheid van 116,4 gram heroïne en 1,9 gram cocaïne te gaan. Ten aanzien van de verkoop van verdovende middelen heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de verklaringen van [koper 1] en [koper 2].

Feiten 3 en 4

De officier van justitie heeft zich voor wat de bewezenverklaring betreft gebaseerd op de processen-verbaal van bevindingen van de politie. Daarin wordt ondermeer gerelateerd dat verdachte in de woning [F.straat x] te Kerkrade, samen met drie andere personen, allen met hennepresten op de kleding, wordt aangetroffen. In de woning met nummer [x] wordt in de toiletpot een huissleutel van [F.straat y] aangetroffen. In de woning met nummer [y] worden vervolgens 148 hennepplanten aangetroffen. Verder baseert de officier van justitie zich op de verklaring van verdachte dat hij woonachtig is op nummer [x], het huurcontract voor de woningen [F.straat x] en [y] (dat op naam van verdachte staat) en de verklaring van [E.M.].

Feit 5

De officier van justitie heeft zich wat het bewijs voor dit feit betreft, gebaseerd op de verklaring van aangeefster [naam slachtoffer], de medische informatie en de foto’s. Blijkens de medische informatie was aangeefster 19 weken zwanger, had zij meerdere blauwe plekken en was er mogelijk een probleem met de placenta. Op het moment dat verdachte aangeefster met een stok in haar buik slaat is het heel goed mogelijk dat er schade ontstaat aan de vrucht en de placenta, hetgeen tot een miskraam had kunnen leiden, hetgeen zwaar lichamelijk letsel had opgeleverd.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De verdediging heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de toestemming tot doorzoeking van de woning van verdachte op 18 februari 2010 niet in vrijheid is gegeven, zodat deze doorzoeking onrechtmatig is geweest. Verbalisanten hebben relatief fors geweld tegen verdachte toegepast en op het moment dat verdachte om toestemming werd gevraagd, was hij geboeid. Verdachte heeft niet voldoende tijd en rust gekregen om na te kunnen denken over het al dan niet geven van toestemming, evenals over de gevolgen van zijn beslissing op dat punt. Een tweede bezwaar met betrekking tot de gegeven toestemming tot doorzoeking is volgens de verdediging, dat verdachte - nadat hij was aangehouden en voorafgaand aan het geven van toestemming - niet op zijn zwijgrecht is gewezen. Tot slot is het derde bezwaar dat verdachte na zijn aanhouding en voorafgaand aan het geven van toestemming niet heeft kunnen overleggen met een raadsman. De verdediging verzoekt om bewijsuitsluiting van de resultaten van de doorzoeking, nu sprake is van een onherstelbare onrechtmatigheid in het voorbereidend onderzoek, waardoor de belangen van verdachte zijn geschaad. Volgens de verdediging moeten in ieder geval de aangetroffen en inbeslaggenomen middelen, het onderzoek daarvan door de politie (MMC-testen), alsmede het onderzoek door het NFI van het bewijs worden uitgesloten. De raadsman concludeert dat in dat geval vrijspraak dient te volgen.

Feit 2

Volgens de verdediging is de herkenning van verdachte door de politie - als de persoon die op 3 februari 2010 heroïne en cocaïne aan [koper 3] en [koper 4] heeft verkocht - niet betrouwbaar te achten. De waarnemingen door de politie zijn wellicht niet juist geweest, zodat niet onomstotelijk vast staat dat verdachte op voornoemde datum heroïne en cocaïne heeft verkocht. Voorts kan niet bewezen worden dat verdachte op 18 februari 2010 heroïne en cocaïne heeft verkocht aan [koper 2] en [koper 1], gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de bewijsuitsluiting naar voren is gebracht. [koper 1] heeft niet verklaard dat hij de eigenschappen van heroïne en cocaïne kent en dat hij uit ervaring kan concluderen dat hij heroïne en cocaïne van verdachte heeft gekocht. Dit alles betekent volgens de verdediging dat verdachte ook van het tweede feit dient te worden vrijgesproken.

Feiten 3 en 4

De raadsman heeft aangevoerd zich voor wat betreft een eventuele bewezenverklaring te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 5

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, nu enkel de verklaring van aangeefster [naam slachtoffer] - die volgens de verdediging op belangrijke punten tegenstrijdigheden bevat - onvoldoende is voor een bewezenverklaring. Er is geen ander bewijs voorhanden. Zo geeft de geneeskundige verklaring niet aan hoe oud het letsel van aangeefster is.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Rechtmatige doorzoeking?

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de doorzoeking van de woning van verdachte rechtmatig is geweest.

In het proces-verbaal van bevindingen Onderzoek[B.straat] te Kerkrade wordt gerelateerd dat de politie op 18 februari 2010, tegen de wil van de bewoner, voorzien van een machtiging, binnentreedt in de woning aan de[B.straat] te Kerkrade. Verbalisanten treffen in de slaapkamer, naar later blijkt, verdachte en twee Duitse mannen [koper 1] en [koper 2] aan. In de slaapkamer liggen meerdere op heroïne gelijkende substanties en gebruikersattributen op de grond. Verdachte wordt direct geboeid, omdat hij zich recalcitrant gedraagt. Verbalisant [verbalisant 2] vraagt tot drie keer toe aan verdachte of hij toestemming verleent tot doorzoeking van de woning. Verdachte antwoordt iedere keer dat hij dit goed vindt en dat er geen verdovende middelen in zijn huis aanwezig zijn. Voordat er daadwerkelijk wordt gestart met de doorzoeking, legt verbalisant [verbalisant 2] nogmaals uit wat een doorzoeking inhoudt en vraag hij om toestemming, die hij wederom van verdachte krijgt. Verdachte tekent geen toestemmingsformulier, omdat hij geboeid is.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] worden door de rechter-commissaris gehoord over de wijze waarop verdachte toestemming tot de doorzoeking heeft gegeven.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat zijn collega [verbalisant 2] verdachte driemaal toestemming heeft gevraagd en dat het geven van die toestemming is gebeurd in aanwezigheid van hulpofficier van justitie [C.]. Op het moment dat verbalisanten de woning naar binnen willen gaan, merken zij weerstand. Verbalisant denkt dat verdachte heeft geprobeerd de deur dicht te duwen. Verbalisanten ‘vliegen’ vervolgens naar binnen en overrompelen verdachte, teneinde hem zo snel mogelijk onder controle te brengen. Verdachte is vast gegrepen en naar de grond gebracht door twee of drie personen. Op de grond liggend is verdachte afgeboeid

Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat drie verbalisanten als het ware over verdachte zijn ‘heengevlogen’ en hem naar de grond hebben gebracht, waarna verdachte door een van zijn collega’s werd afgeboeid. In de woonkamer heeft verbalisant verdachte gevraagd of hij toestemming gaf de woning te doorzoeken. Hij heeft verdachte zeker drie keer gevraagd of hij toestemming gaf. Bij de derde keer zei verdachte: ja, is goed” of iets in die trant. Hij knikte ook. Bij de eerste twee keer heeft verdachte gemompeld. De derde keer begreep hij de vraag.

Het standpunt van de verdediging is dat de toestemming niet in vrijheid is gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat dient te blijken dat de toestemming tot de doorzoeking in vrijheid is gegeven. Vast moet staan dat verdachte voldoende tijd en rust heeft gehad voor reflectie, dat verdachte goed heeft kunnen nadenken over de consequenties van het al dan niet geven van toestemming aan de politie om zijn woning te doorzoeken. In dat kader mag tevens de eis worden gesteld dat verdachte helder wordt uiteengezet wat zijn rechtspositie is op dat moment en wat de gevolgen zouden kunnen zijn als hij de gevraagde toestemming niet zou geven. Dit alles is volgens de rechtbank niet het geval geweest. Er is sprake geweest van een aantal verbalisanten, dat zich de toegang tot de woning van verdachte heeft verschaft, verdachte heeft vastgepakt en naar de grond heeft gewerkt en vervolgens heeft geboeid. Onduidelijk is bovendien, gelet op de verklaringen die verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, of verdachte inderdaad drie maal toestemming heeft gegeven. Gelet op de hiervoor omschreven wijze van binnentreden - met name het daarbij tegen verdachte toegepaste geweld - kan er naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet vanuit worden gegaan dat verdachte zijn toestemming in volle vrijheid heeft gegeven. De doorzoeking in de woning van verdachte op 18 februari 2010 was dan ook onrechtmatig, zodat het daaruit voortvloeiende bewijs onrechtmatig is verkregen. De voorschriften terzake het doorzoeken van woningen zijn aan te merken als zodanig belangrijk dat bij niet-naleving van deze voorschriften sprake is van ernstige vormverzuimen. Dit heeft tot gevolg dat de bevindingen van de verbalisanten die rechtstreeks voortvloeien uit de onrechtmatige doorzoeking niet kunnen bijdragen tot bewijs. De tijdens deze doorzoeking aangetroffen middelen, evenals het onderzoek daarvan door politie en het Nederlands Forensisch Instituut, kunnen derhalve niet voor het bewijs worden gebruikt.

Nu de doorzoeking reeds op grond van de ‘vrijwillige toestemming’ als onrechtmatig wordt beoordeeld, zal de rechtbank niet ingaan op de andere twee door de raadsman naar voren gebrachte bezwaren betreffende de toestemming.

Op grond van de beschreven feiten en omstandigheden kon [verdachte] wel als verdachte worden aangemerkt en bestonden er tegen verdachte ernstige bezwaren. Dit betekent dat de tijdens de fouillering bij verdachte aangetroffen verdovende middelen wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Bewijsmiddelen

De politie treft in de linkerjaszak van verdachte, welke jas hij tijdens de aanhouding droeg, een tweetal bolletjes van in totaal 1,9 gram op cocaïne gelijkende stof aan. In de rechterjaszak vindt de politie een zakje met daarin 84,7 gram op heroïne gelijkende stof. De bolletjes en de inhoud van het zakje zijn door het NFI getest. Na onderzoek blijkt het te gaan om cocaïne en heroïne.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de verdovende middelen die hij bij zich had van ene “[B.]” heeft gekregen.

Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1,9 gram cocaïne en 84,7 gram heroïne aanwezig heeft gehad.

Feit 2

3 februari 2010

Op 3 februari 2010 surveilleren verbalisanten in burger, belast met toezicht op drugstoerisme, in de gemeente Kerkrade. Ze zien twee onbekende personen lopen, naar later blijkt [koper 4] en [koper 3], over de [S.straat] te Kerkrade. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zien een zwarte [merk auto] met daarin de hen ambthalve bekende [naam verdachte], tevens ambtshalve bekend als verkoper van drugs. Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] zien de [merk auto] en [verbalisant 5] herkent de bestuurder als de hem ambtshalve bekende [verdachte]. De auto rijdt vervolgens de [L.straat] in. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zien om 15.38 uur dat [koper 4] en [koper 3] bij/naast de [merk auto] staan. Om 15.39 uur lopen zij weg. Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] volgen [koper 4] en [koper 3] en controleren hen. Vlak voor de controle laten zij iets uit hun handen vallen. Verbalisant [verbalisant 5] treft een bolletje aan, vermoedelijk cocaïne en twee doorzichtige zakjes met daarin vermoedelijk heroïne. [koper 4] en [koper 3] worden aangehouden.

[koper 4] heeft verklaard dat hij samen met [koper 3] naar Nederland is gekomen om drugs te kopen van ene [L.]. [koper 4] heeft 7 gram heroïne, 5 gram heroïne en een portie cocaïne besteld. ‘[L.]’ is in een zwarte [merk auto] gekomen en bevond zich alleen in deze auto. Hij heeft ‘[L.]’ geld gegeven en [L.] gaf hem een bolletje met 2 zakjes heroïne. De cocaïne zat in het bolletje. [koper 4] heeft 3 à 4 keer drugs gekocht van deze ‘[L.]’.

[koper 3] heeft verklaard dat hij naar Nederland is gekomen met [koper 4] om drugs te kopen van ‘[L.]’ en dat dit zijn tweede keer is. De eerste keer heeft hij ook bij ‘[L.]’ gekocht. [L.] zat in een zwarte auto.

De bolletjes zijn door het NFI getest. Na onderzoek blijkt het te gaan om cocaïne en heroïne.

In het kader van een mini-instructie zijn verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 5] en [verbalisant 4] door de rechter-commissaris gehoord met betrekking tot de ambtshalve herkenning van verdachte als de persoon in de zwarte personenauto van het merk [merk auto], type [m].

Verbalisant [verbalisant 3] heeft verklaard verdachte een aantal keren vóór 3 februari 2010 in een auto te hebben gezien (onder andere bij het station Eygelshoven dat bekend staat als dealerplaats). Hij herkende het gezicht van verdachte, maar kon niet meteen op de naam van verdachte komen. Hij meent dat [verbalisant 4] toen de naam van verdachte noemde.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft aangegeven verdachte een maand eerder bij een andere actie te hebben gezien en hij herkende verdachte.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft verklaard dat zijn collega [verbalisant 3] verdachte herkende en dat hij zich op dat moment realiseerde dat dit juist was.

18 februari 2010

Zoals hiervoor reeds onder feit 1 is beschreven, zijn op 18 februari 2010 in de woning van verdachte twee mannen, [koper 1] en [koper 2] aangetroffen, die door de politie zijn aangehouden.

[koper 1] heeft verklaard dat hij sinds ongeveer 3 maanden verdovende middelen koopt van de dealer op het adres waar hij is aangehouden. De eerste keer is ongeveer midden november 2009 geweest. Hij heeft de verdovende middelen altijd op hetzelfde adres gekocht. Hij wilde 5 gram heroïne en 1 gram cocaïne. Dat had verdachte voorradig in zijn woning waarbij het ging om een bedrag van in totaal 140 euro. Verdachte heeft het geld dat hij van [koper 1] heeft gekregen in zijn broekzak gedaan. [koper 1] wordt ook nog door de rechter-commissaris gehoord. [koper 1] blijft bij zijn verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd.

[koper 2] heeft verklaard dat hij 18 februari 2010 voor de eerste keer op het adres[B.straat] zijn drugs kocht. [koper 2] is reeds zes à zeven jaar verslaafd aan heroine. Hij is door de dealer aangesproken op station Landgraaf. Eenmaal aangekomen bij de woning, stond daar nog een Duitse man. Verdachte heeft hem verteld dat hij aan alle soorten verdovende middelen kon komen, maar hij had nog niets gekocht.

Verdachte heeft verklaard dat het niet mogelijk is dat er Duitse kopers zijn die hebben verklaard dat ze al een aantal maanden op zijn adres verdovende middelen kopen.

Overweging

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meerdere keren heroïne en cocaïne heeft verkocht aan [koper 4] en [koper 3].

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat de ambtshalve herkenning niet als betrouwbaar te achten is, overweegt de rechtbank dat er geen reden is om te twijfelen aan de waarachtigheid van een door verbalisanten ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van bevindingen. Dat de verbalisanten later bij de rechter-commissaris niet exact meer blijken te weten wie nu de naam van verdachte bij deze herkenning als eerste heeft genoemd, doet daar niet aan af.

Weliswaar zijn alleen de verdovende middelen die op 3 februari 2010 in beslag zijn genomen door het NFI getest, maar de rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat beide kopers meermalen opnieuw naar verdachte waren gekomen om verdovende middelen te kopen, als zij bij de eerdere aankopen geen verdovende middelen zouden hebben gekregen.

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 november 2009 tot en met 18 februari 2010 meerdere keren heroïne en cocaïne heeft verkocht aan [koper 1] en eenmaal heroïne heeft verstrekt aan [koper 2].

Volgens de verdediging is, na bewijsuitsluiting, niet wettig en overtuigend bewezen te achten dat de in de woning aangetroffen substanties heroine en cocaïne bevatten, zodat ook niet kan worden bewezen dat [koper 1] en [koper 2] toen verdovende middelen hebben gekocht/verstrekt. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer dat het volstrekt onaannemelijk is [koper 1] meerdere keren naar verdachte zou zijn gekomen om verdovende middelen te kopen, indien hij bij de eerdere aankopen geen verdovende middelen zou hebben gekregen.

Feiten 3 en 4

Verbalisanten krijgen op 16 juli 2009 een melding om naar de [F.straat x] in Kerkrade te gaan, omdat in voornoemde pand hennep geknipt zou worden. Ter plaatse aangekomen in de woning, die is onderverdeeld in drie appartementen (nummers [c], [x] en [y]), ruiken verbalisanten een sterke henneplucht afkomstig van perceel [y] op de tweede verdieping. Verbalisanten zien ook diverse hennepresten voor het perceel [y] liggen.

Een verbalisant ziet, als hij op de eerste verdieping naast de voordeur staat van perceel [x], dat de deur op een kier wordt geopend en hij ruikt vervolgens een zeer sterke hennepgeur. Dan wordt de deur snel weer dicht gedaan. Na lang kloppen en bellen wordt de deur van appartement [x] uiteindelijk door verdachte geopend. Als verbalisanten met een machtiging tot binnentreden deze woning binnengaan treffen verbalisanten naast verdachte nog drie andere personen in deze woning aan, waaronder [E.M.]. Op de vloer in de gehele woning liggen hennepresten en knipgerei. In de toiletpot wordt door een verbalisant een sleutel aangetroffen.

Met deze sleutel kan de voordeur van appartement [y] worden geopend. Verbalisanten treffen in laatstgenoemd appartement een hennepplantage aan, verdeeld over twee ruimtes met respectievelijk 95 en 53 hennepplanten.

Uit een MMC kleur-reactietest blijkt dat de planten positief reageerden op de aanwezigheid van hennep.

Het huurcontract d.d. 13 maart 2009 voor de appartementen [F.straat x] en [y] te Kerkrade staat op naam van verdachte. Verdachte heeft deze appartementen met ingang van

15 maart 2009 gehuurd.

[E.M.] heeft verklaard dat hij door verdachte is gevraagd om te komen naar het appartement [F.straat x], waar verdachte woonachtig is. Verdachte heeft [E.M.] en zijn vriendin ieder een bedrag van vijftig euro voor het knippen van hennep beloofd.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het appartement [F.straat x] te Kerkrade inderdaad heeft gehuurd. Volgens verdachte huurt ene [M.] sinds drie maanden het appartement [F.straat y]. [M.] heeft verdachte gevraagd of hij iets extra’s wilde verdienen met het knippen van hennepplanten. Deze [M.] heeft vervolgens hennepplanten naar het appartement van verdachte gebracht.

De rechtbank is op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte in de periode 15 maart 2009 tot en met 15 juli 2009 een hoeveelheid hennep heeft geteeld, alsmede dat verdachte op 16 juli 2009 148 hennepplanten aanwezig heeft gehad. De rechtbank stelt voorop dat het bestaan van de door verdachte genoemde [M.] niet aannemelijk is geworden. De rechtbank betrekt hierbij het feit dat het huurcontract voor beide appartementen op naam van verdachte staat, alsmede het feit dat de sleutel van appartement [y] in de toiletpot van appartement [x] wordt aangetroffen. Verdachte heeft zelf personen benaderd om hem te helpen met het knippen van de hennep. Uit het dossier blijkt niet dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en andere(n), zodat verdachte van het medeplegen moet worden vrijgesproken.

Feit 5

Aangeefster [naam slachtoffer] heeft op 23 november 2008 bij de politie verklaard dat verdachte, met wie zij op dat moment een relatie had, haar diezelfde dag tijdens een ruzie aan haar haren heeft getrokken en haar met zijn vuisten zowel op haar hoofd als in haar buik heeft geslagen. Aangeefster was op dat moment 19 weken zwanger. Toen aangeefster de politie probeerde te bellen, heeft verdachte haar een stuk of drie vuistslagen gegeven op haar hoofd en op haar arm, aldus aangeefster. Als aangeefster bijna twee jaar later, op 23 september 2010, in het kader van een mini-instructie door de rechter-commissaris wordt gehoord, verklaart zij door verdachte met een stok te zijn geslagen, ook in haar buik, en te zijn geschopt.

Verdachte daarentegen heeft ontkend [naam slachtoffer] te hebben mishandeld. Hij heeft verklaard dat aangeefster niet wilde dat hij op voornoemde dag de woning verliet en dat zij hem tegenhield.

Blijkens de medische informatie d.d. 23 november 2008 die zich in het dossier bevindt, heeft aangeefster multipele uitgebreide blauwe plekken en mogelijk een probleem met de placenta.

De rechtbank acht - anders dan de officier van justitie - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 5 primair en subsidiair is tenlastegelegd, nu zich in het dossier enkel de belastende verklaringen van het aangeefster bij de politie en de rechter-commissaris bevinden (welke op belangrijke punten tegenstrijdig zijn) en er voorts onvoldoende steunbewijs voorhanden is. De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van aangeefster en verdachte weliswaar kan worden opgemaakt dat er op 23 november 2008 een incident heeft plaatsgevonden, maar dat zij op basis van die verklaringen niet kan vaststellen wat er precies is gebeurd. Het enige steunbewijs in het dossier, de medische informatie, verschaft daaromtrent geen duidelijkheid, nu de arts enkel aangeeft dat het letsel op 23 november 2008 is geconstateerd en niet of het om recent letsel gaat.

Gelet op het ontbreken van voldoende overtuigend steunbewijs en de stellige ontkenning door de verdachte bij de politie, dient verdachte dan ook van zowel de primaire als de subsidiaire variant te worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 18 februari 2010 in de gemeente Kerkrade opzettelijk aanwezig heeft gehad 84,7 gram van een materiaal bevattende heroïne en 1,9 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode van 1 november 2009 tot en met 18 februari 2010 in de gemeente Kerkrade opzettelijk heeft verkocht en/of verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

in de periode 15 maart 2009 tot en met 15 juli 2009 in de gemeente Kerkrade opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

op 16 juli 2009 in de gemeente Kerkrade opzettelijk aanwezig heeft gehad 148 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3 primair:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Voor wat betreft een eventueel op te leggen straf heeft de raadsman gepleit voor het opleggen van fors lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van en de handel in zowel softdrugs als harddrugs. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, met name harddrugs, verslavend werken en grote gevaren voor de volksgezondheid opleveren, terwijl gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen proberen te bekostigen. Hierdoor wordt schade berokkend aan de samenleving in Nederland. Verdachte heeft aan deze problematiek een bijdrage geleverd.

Gelet op de ernst van voornoemde feiten is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende straf.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de door het Landelijk over¬leg van strafvoorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting.

Harddrugs

De rechtbank Maastricht hanteert als uitgangspunt bij het opzettelijk aanwezig hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid harddrugs een gevangenisstraf van 5 weken.

Het LOVS heeft, onder meer, oriëntatiepunten geformuleerd voor het dealen van harddrugs vanuit een pand en/of op straat gedurende meer dan en maand, doch minder dan drie maanden en met enige regelmaat, inhoudende: 6 maanden gevangenisstraf.

Softdrugs

Verdachte heeft daarnaast hennepplanten geteeld. Voor de bestraffing van dit telen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten met betrekking tot overtreding van artikel 3, onder B, van de Opiumwet voor hennepkwekerijen. Het oriëntatiepunt voor het kweken van 100-500 planten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken voor een verdachte zonder strafblad die niet in het kader van een georganiseerd verband kweekt.

Tot slot houdt de rechtbank er bij de strafoplegging rekening mee dat verdachte 148 hennepplanten aanwezig gehad

De rechtbank heeft verder bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en ter zitting zijn gebleken.

Alles overwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden op zijn plaats.

6 Het beslag

De officier van justitie heeft de onttrekking aan het verkeer gevorderd van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen onder nummers 1,3 en 4, evenals de nummers 1 tot en met 9 en 12 tot en met 14 (een hennepkwekerij, hennepplanten, verdovende middelen, een paralyzer, een medicijn en een gsm).

Voorts heeft zij de verbeurdverklaring gevorderd van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geld (nummers 10 en 11 op de beslaglijst).

De raadsman heeft, mocht verdachte worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2, om teruggave van het geld aan verdachte verzocht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het in beslag genomen geld, dat aan verdachte toebehoort, is vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat het geld verkregen is uit de bij wet verboden handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De overige in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet dan wel het algemeen belang. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 1, 2, 3 primair en 4 bewezen verklaarde is begaan. Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken. De rechtbank heeft bij haar beslissing deze voorwerpen als een gezamenlijkheid van voorwerpen opgevat, waarop het voorgaande van toepassing is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde onder feit 5 primair en subsidiair;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

nummer 10: Nederlands geld (€ 480,00);

nummer 11: Nederlands geld (€ 531,00).

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

nummer 1: 1 hennepkwekerij;

nummer 3: 148 hennepplanten;

nummer 4: 4 zakken hennepplanten;

nummer 1: 84.70 GR verdovende middelen (heroïne);

nummer 2: 1.40 GR verdovende middelen (cocaïne);

nummer 3: 0.50 GR verdovende middelen (cocaïne);

nummer 4: 26.60 GR verdovende middelen (heroïne);

nummer 5: 7.00 GR verdovende middelen (heroïne);

nummer 6: 24.70 GR verdovende middelen (heroïne);

nummer 7: 163.30 GR verdovende middelen (heroïne);

nummer 8: 270.40 GR verdovende middelen (heroïne);

nummer 9: 1 paralyzer (1759061);

nummer 13: 3 stuks medicijn, vitaminepoeders;

nummer 12: 2 Weegschalen (1759075);

nummer 14: 1 GSM, [merk] (1759093).

Dit vonnis is gewezen door M.J.M. Goessen, voorzitter, mr. G. Dijkshoorn-Sleebe en

mr. A.W. Oosterman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 maart 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 18 februari 2010 in de gemeente Kerkrade opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 413,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 1,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 18 februari 2010 in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

Hij in of omstreeks de periode 15 maart 2009 tot en met 15 juli 2009, in de gemeente kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, hoeveelheden of een hoeveelheid hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen ervan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een

materiaal, bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

Een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 15 maart 2009 tot en met 15 juli 2009, in de gemeente kerkrade, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een pand aan de [F.straat] (een) hoeveelheid/hoeveelheden hennep en/of een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in voornoemde periode in de gemeente kerkrade, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) voornoemd pand, in elk geval een gedeelte van dat pand, voor de

teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

4.

Hij op of omstreeks 16 juli 2009, in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 148 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

hij op of omstreeks 23 november 2008 in de gemeente Kerkrade, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht aan haar haren getrokken en/of met kracht op haar hoofd en/of tegen haar buik geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 23 november 2008 in de gemeente Kerkrade, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer]), een of meermalen met kracht tegen de buik en/of op het hoofd heeft geslagen en/of aan haar haren heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.