Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ6633

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
03-70046410
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisvonnis- inhoudsopgave:

Veroordeling van verdachte voor mishandeling van een gevangenisbewaarder gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Aanwijzingen voor het bestaan van (ernstige) psychopathologie bij verdachte. Verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van een pro justitia rapportage. De rechtbank is van oordeel dat moet worden aangenomen dat verdachte zich ten tijde van het plegen van het feit in een zodanige psychische toestand bevond, dat zijn handelen hem niet kan worden toegerekend. Gelet hierop en ondanks het ontbreken van een rapportage van gedragsdeskundigen die dat sluitend kan bevestigen, concludeert de rechtbank dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Verdachte is derhalve niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700464-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juni 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 14 maart 2011 en 18 mei 2011, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- heeft geprobeerd [naam slachtoffer] van het leven te beroven door hem met een mes in het gelaat en/of hals te steken,

- dan wel heeft geprobeerd een ambtenaar te weten die [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met gebalde vuisten in het gezicht te slaan en/of vervolgens met een mes in het gelaat en/of hals te steken,

- dan wel die ambtenaar [naam slachtoffer] heeft mishandeld door hem met gebalde vuisten in het gezicht te slaan en/of vervolgens met een mes in het gelaat en/of hals te steken.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Hij baseert zich hierbij op de plaatsen waar het slachtoffer is geraakt. Verdachte heeft [naam slachtoffer] geslagen en hem vervolgens met een gedeformeerd tafelmes onder meer in/op de wang, de hals, het sleutelbeen en het schouderblad geraakt. Niet duidelijk is of de wond op de wang is veroorzaakt door stekend of door snijdend geweld. Niet is komen vast te staan dat verdachte gerichte, stekende bewegingen heeft gemaakt naar de ogen en/of oogkassen van [naam slachtoffer], noch dat hij gericht op de slaapbeenderen van [naam slachtoffer] heeft geslagen. Gebleken is dat het mes, gelet op de aard, onder meer haar gebogen vorm, verder niet geschikt was om steekwonden dan wel diepe snijwonden te veroorzaken. Gelet op voornoemde omstandigheden is de officier van justitie van mening dat niet bewezen is dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [naam slachtoffer] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, ook niet in de zin dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [naam slachtoffer] dodelijk zou raken dan wel zwaar lichamelijk letsel toe zou brengen.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een ambtenaar, te weten [naam slachtoffer], heeft mishandeld.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder primair en subsidiair tenlastgelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Primair heeft hij aangevoerd dat het door verdachte aangewend middel, te weten een plat en bot mes, ondeugdelijk is om een ander te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Subsidiair heeft hij, onder verwijzing naar de HIV-arresten van de Hoge Raad, naar voren gebracht dat het voorwaardelijk opzet op de dood dan wel op zware mishandeling niet bewezen kan worden verklaard, nu de algemene ervaringsregels met zich meebrengen dat het gebruikte mes niet geschikt is om een ander dodelijk te verwonden en/of zwaar lichamelijk letstel toe te brengen.

Evenals de officier van justitie acht hij de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling van een ambtenaar wel wettig en overtuigend bewezen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op donderdag 20 mei 2010 heeft [naam slachtoffer], werkzaam als penitentiair inrichtingwerker in de Geerhorst te Sittard, een verklaring afgelegd, inhoudende dat hij op voornoemde dag omstreeks 07.30 uur is begonnen met het wekken van gedetineerden op afdeling B. Na opening van celdeur 11 hoorde hij geprevel achter zich, draaide zich om en zag dat [naam verdachte], de gedetineerde uit cel 10, achter hem stond en naar hem uithaalde. Hij zag dat [naam verdachte] met beiden vuisten in het wilde weg aan het slaan was, welke klappen hij afweerde met zijn handen. Voorts heeft hij verklaard dat hij opeens zag dat [naam verdachte] een mes in zijn handen had. Hij zag dat [naam verdachte] dat mes in zijn rechter hand had en een flinke zwaai maakte in zijn richting en vervolgens met dat mes als een wilde om zich heen stak in zijn richting.

Uit de letselbeschrijving van de forensisch arts kan worden vastgesteld dat [naam slachtoffer] tengevolge van de handelingen van verdachte een forse zwelling aan de linkerzijde van zijn gelaat, alsmede een verwonding aan zijn wang heeft opgelopen. Tevens waren huidkrassen zichtbaar aan de linkerzijde van de hals, het rechter sleutelbeen, de buitenzijde van de linkerschouder en de achterzijde van de linker bovenarm en rug.

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij met een door hem verbogen boterhammes naar de gevangenisbewaarder heeft gezwaaid en hem twee keer heeft geraakt in zijn gezicht en zijn schouder. Voorts heeft hij verklaard dat hij, toen hij de bewaarder aanviel, voelde dat hij de bewaarder moest slaan.

Gelet op de bovenstaande verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam slachtoffer] heeft geslagen en met een mes in het gelaat en in het lichaam heeft gestoken. De vraag is of dit poging tot doodslag, dan wel poging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert, zoals de officier van justitie primair respectievelijk subsidiair tenlastegelegd heeft.

De rechtbank is van oordeel dat in het dossier geen bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit blijkt dat verdachte het boos opzet op de dood van het slachtoffer. Datzelfde geldt ook voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Ten aanzien van de vraag of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [naam slachtoffer] zou overlijden, dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen ten gevolge van zijn handelingen, overweegt de rechtbank als volgt. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel, is aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

De deskundige, forensisch arts [naam arts], heeft gerelateerd dat het door verdachte gebruikte mes een metalen mes betrof dat gebruikt wordt om brood te smeren (een zogenaamd tafelmes). Het lemmet van dit mes wijkt af van de oorspronkelijke vorm, welke vervorming voorafgaand aan het incident aan het mes moet zijn toegebracht. Gelet op de gebogen vorm van het mes, acht de deskundige het niet waarschijnlijk dat het mes geschikt is om de huid te doorboren en tevens de diepere structuren van het lichaam te beschadigen. Het mes is niet gescherpt. Daarbij zijn de gebogen vormen dusdanig dat ze diep snijden onmogelijk maken. Het is, aldus de deskundige, zeer onwaarschijnlijk dat het mes een snijwond veroorzaakt, waarbij vitale structuren kunnen worden beschadigd.

Ter terechtzitting heeft de deskundige verklaard dat het met voornoemd mes enkel tot de dood of zwaar lichamelijk letsel kan komen bij een gerichte, stekende beweging in de oogkassen.

Van een gerichte steekbeweging door verdachte is echter niet gebleken. [naam slachtoffer] heeft immers verklaard dat verdachte een zwaaiende beweging met het mes heeft gemaakt, hetgeen steun vindt in de letselbeschrijving van de forensisch arts en de verklaring van verdachte. Nu [naam slachtoffer] voorts heeft verklaard dat verdachte ongericht in het wilde weg heeft gezwaaid, gelet op de plaatsen waar [naam slachtoffer] is geraakt, en gezien het feit dat het om een niet gescherpt en vervormd mes ging, was er naar het oordeel van de rechtbank geen aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer. Voor het primair en subsidiair ten laste gelegde zal dan ook vrijspraak volgen.

Uit de verklaringen van [naam slachtoffer] en verdachte en de medische gegevens volgt dat het handelen van verdachte wel mishandeling van ambtenaar [naam slachtoffer] oplevert. [naam slachtoffer] heeft immers letsel opgelopen en pijn geleden. Verdachte heeft derhalve het meer subsidiair tenlastegelegde feit begaan.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 20 mei 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [naam slachtoffer], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

- met tot vuisten gebalde hand(en) heeft geslagen en vervolgens

- met een mes in het gelaat en in het lichaam heeft gestoken, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

T.a.v. meer subsidiair:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een psychiatrisch en psychologisch onderzoek. Op basis van het procesdossier kan de rechtbank zich echter niet aan de indruk onttrekken dat het gedrag van verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het incident op 20 mei 2010 afwijkend van aard was.

Medegedetineerde [naam medegedetineerde 1] heeft ten overstaan van de politie namelijk verklaard dat hij bemerkte dat verdachte zich steeds vreemder begon te gedragen. Verdachte vertelde hem dat hij stemmen in zijn hoofd hoorde en dat hij het idee had dat de bewakers hem discrimineerden en over hem roddelden.

De verklaring van medegedetineerde [naam medegedetineerde 1] vindt steun in de verklaring van bewaker

[naam bewaker 1] die als zijn mentor in detentie met hem een intakegesprek heeft gehouden en in een melding van [naam bewaker 2] naar aanleiding van steekproefsgewijze beluistering van telefoongesprekken tussen verdachte en zijn vrouw. Uit beider bevindingen komt naar voren dat verdachte zich bedreigd en gediscrimineerd voelde door bewaarders.

Voorts heeft slachtoffer [naam slachtoffer] verklaard dat hij verdachte, voorafgaande aan de gebeurtenis, hoorde prevelen.

Na het incident is verdachte overgebracht naar een isoleercel en werd er een celinspectie uitgevoerd. Bij de celinspectie werden volgens de opsteller van het verslag twee zaken geconstateerd. In de eerste plaats had verdachte zijn ijskast van de netstroom losgekoppeld, blijkbaar al sinds geruime tijd, gezien de hoeveelheid smeltwater op de grond. Aan de stroomkabel had verdachte een aantal handdoeken en een oud trainingsjasje aan elkaar geknoopt in de vorm van een slang. In de tweede plaats had verdachte nagenoeg alle kleding netjes opgevouwen en in twee tassen gepakt.

Voorts werd verdachte door de psychiater [naam psychiater] en de inrichtingspsycholoog

[naam inrichtingspsycholoog] aansluitend aan het gebeurde (op 20 mei 2010) in de isoleercel gezien. [naam psychiater] heeft aangegeven dat verdachte, een onrustige, tamelijk geladen, dysfore, onvoorspelbare en wantrouwende indruk maakte. Verdachte was ontwijkend in het contact, maar gaf aan nadelig door PIW-ers te zijn behandeld. Psychiater [naam psychiater] concludeerde dat verdachte tot enige tijd geleden een weinig opvallende gedetineerde leek te zijn en dat er (zeer) recent sprake was van een toename van paranoïde en vreemd gedrag. Hij achtte het niet uitgesloten dat er sprake van een (mogelijk toch al langer sluimerende) paranoïde psychotische ontwikkeling.

[naam inrichtingspsycholoog] heeft aangegeven dat verdachte in de isoleercel een verwarde indruk maakte en nauwelijks aanspreekbaar was. Hij gaf geen adequaat antwoord op vragen die hij hem stelde. Hij maakte op hem de indruk op dat moment paranoïd psychotisch te zijn. [naam inrichtingspsycholoog] heeft de aanwezige rechercheurs in de P.I. geadviseerd verdachte niet te verhoren omdat hij op dat moment te verward en mogelijk psychotisch was.

De aanhouding van verdachte is gezien de bevindingen van de gedragsdeskundigen uitgesteld, teneinde hem over te brengen naar de Landelijke Afzondering Afdeling PI te Vught.

De rechtbank overweegt dat getracht is een pro justitia rapportage te doen opmaken over verdachte door psychiater [naam psychiater D.] en psycholoog [naam psycholoog B.].

Verdachte heeft geweigerd daaraan zijn medewerking te verlenen. Dat heeft tot gevolg dat de bevindingen van [naam psychiater] en [naam inrichtingspsycholoog], die er op duiden dat bij verdachte mogelijk sprake is van psychopathologie, niet eenduidig kunnen worden bevestigd, noch kunnen worden uitgesloten. Psychiater [naam psychiater D.], die verdachte tot tweemaal toe heeft gesproken, heeft gerelateerd dat op grond van zijn beperkte bevindingen, waarvan hij zegt dat die overeenkomen met die van psychiater [naam psychiater], er ook volgens hem aanwijzingen zijn voor het bestaan van (ernstige) psychopathologie bij verdachte.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, ook in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat het gedrag van verdachte zoals hij dat voor, tijdens en na het incident op 20 mei 2010 vertoonde, dusdanig afwijkend van aard was, dat naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangenomen dat verdachte zich ten tijde van het plegen van het feit in een zodanige psychische toestand bevond, dat zijn handelen hem niet kan worden toegerekend. Gelet hierop en ondanks het ontbreken van een rapportage van gedragsdeskundigen die dat sluitend kan bevestigen, concludeert de rechtbank dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Dat betekent ook dat verdachte niet strafbaar is en zal dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Nu verdachte niet strafbaar is, kan geen straf worden opgelegd. Voor het opleggen van een maatregel ziet de rechtbank geen aanleiding omdat adviezen daartoe ontbreken en er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte in de huidige situatie disfunctioneert.

5 Het beslag

De rechtbank heeft bij haar beslissing omtrent de in beslag genomen goederen de beslaglijst van 20 april 2011 als uitgangspunt genomen, nu dit de meest recente door de officier van justitie verstrekte lijst is.

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen kunnen worden teruggegeven aan de Forensische Opsporing.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.1 is omschreven;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder 4.1 bewezenverklaarde en ontslaat hem dientengevolge van alle rechtsvervolging;

Beslag

- gelast de teruggave aan de Forensische Opsporing van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

blyft by politie 1 1.00 STK Sporen

spoornr. 29504, sin: AABQ3983NL

blyft by politie 2 1.00 STK Sporen

spoornr. 29503, sin: AABQ3982NL

blyft by politie 3 1.00 STK Sporen

spoornr. 29501, sin: AABQ3980NL

blyft by politie 4 1.00 STK Sporen

spoornr. 29502, sin: AABQ3981NL

blyft by politie 5 1.00 STK Sporen

spoornr. 29494, sin: RAAL5525NL

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.T. Latour, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 juni 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 20 mei 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes in het gelaat en/of in de hals, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 20 mei 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ambtenaar, althans een persoon, te weten [naam slachtoffer], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen, althans eenmaal

- met tot vuisten gebalde hand(en) heeft geslagen en/of (vervolgens)

- met een mes in het gelaat en/of in de hals, althans in het lichaam heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 20 mei 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, althans een persoon, te weten [naam slachtoffer], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen, althans eenmaal

- met tot vuisten gebalde hand(en) heeft geslagen en/of (vervolgens)

- met een mes in het gelaat en/of in de hals, althans in het lichaam heeft

gestoken, waardoor voornoemde ambtenaar althans persoon letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/700464-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 1 juni 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op 29 oktober 1972,

wonende te [adresgegevens verdachte],

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen.