Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ6553

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
365377 CV EXPL 10-464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht bedrijfsruimten onenigheid wie nu huurster is.

Vaststellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 365377 CV EXPL 10-464

Vonnis van 27 april 2011

In de zaak

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie],

wonend te [adres sub 1],

eisende partij in conventie verwerende partij in reconventie,

verder te noemen: [eiser in conventie, gedaagde in reconventie],

gemachtigde: mr. W.C.M. Coenen, advocaat te Maastricht,

tegen

1. de besloten vennootschap [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie],

statutair gevestigd te [adres sub 2],

gedaagde partij sub 1 in conventie, eisende partij sub 1 in reconventie,

verder te noemen: [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie],

gemachtigde: mr. A.L.M. van Uden, advocaat te Meerssen.

2. de besloten vennootschap [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie],

statutair gevestigd te [adres sub 2],

gedaagde partij sub 2 in conventie, eisende partij sub 2 in reconventie,

verder te noemen: [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie],

gemachtigde: mr. A.L.M. van Uden, advocaat te Meerssen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor het aanvankelijke procesverloop verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis van

24 november 2010 in deze zaak.

Ter voldoening aan dit tussenvonnis hebben [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] en [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] een akte genomen (waarbij zij op nader ingebrachte en/of gedeponeerde stukken ingegaan zijn).

Vervolgens is wederom vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op heden gesteld is.

MOTIVERING

in conventie

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] vordert – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad -:

primair

1. Voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] de huurster is van de middenstandsbedrijfsruimte (showroom met verkoopruimte en werkplaats) staande en gelegen aan de [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] en als zodanig gehouden is tot nakoming van alle verplichtingen uit de huurovereenkomst.

2. [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] te veroordelen tot betaling van de achterstallige huurpenningen tot een t/m januari 2010 berekend bedrag van € 92.964,41, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW steeds vanaf de datum van opeisbaarheid van iedere huurtermijn (de eerste dag van de maand waarop die termijn betrekking heeft) tot aan de van de algehele voldoening.

3. [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] te veroordelen tot betaling van de vanaf februari 2010 nog te verschijnen huurtermijnen van € 8.451,31 per maand, vanaf 01-04-2010 te verhogen met de overeengekomen indexering en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW steeds vanaf de datum van opeisbaarheid van iedere huurtermijn (de eerste dag van de maand waarop die termijn betrekking heeft) tot aan de dag van de algehele voldoening en wel tot de einddatum van de huurovereenkomst (01-04-2011) althans tot de datum waarop [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] erin geslaagd zal zijn een nieuwe huurder voor ten minste dezelfde huurprijs van € 8.451,31 incl. btw per maand (per 01-04-2010 te vermeerderen met de overeengekomen indexering) te vinden.

4. [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.

subsidiair

voor het geval de Rechtbank (Kantonrechter) zou oordelen dat niet [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] maar [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] de huurster is van de middenstandbedrijfsruimte (showroom met verkoopruimte en werkplaats) staande en gelegen aan de [adres sub 2]:

1. [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] te veroordelen tot betaling van de achterstallige huurpenningen tot een t/m januari 2010 berekend bedrag van € 92.964,41, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW steeds vanaf de datum van opeisbaarheid van iedere huurtermijn (de eerste dag van de maand waarop die termijn betrekking heeft) tot aan de van de algehele voldoening.

2. [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] te veroordelen tot betaling van de vanaf februari 2010 nog te verschijnen huurtermijnen van € 8.451,31 per maand, vanaf 01-04-2010 te verhogen met de overeengekomen indexering en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW steeds vanaf de datum van opeisbaarheid van iedere huurtermijn (de eerste dag van de maand waarop die termijn betrekking heeft) tot aan de dag van de algehele voldoening en wel tot de einddatum van de huurovereenkomst (01-04-2011) althans

tot de datum waarop [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] erin geslaagd zal zijn een nieuwe huurder voor ten minste dezelfde huurprijs van € 8.451,31 incl. btw per maand ( per 01-04-2010 te vermeerderen met de overeengekomen indexering) te vinden.

3. [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, mede aan de hand van de door partijen overgelegd en niet betwiste producties, het navolgende vast.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] is voor wat betreft de onderhavige verhuring de rechtsopvolger onder bijzondere titel van de besloten vennootschap Holgro B.V.

Deze vennootschap heeft bij schriftelijke huurovereenkomst opgemaakt en ondertekend te Maastricht op 19 maart 1996 met ingang van 1 april 1996 voor de duur van tien jaar aan [bedrijfsnaam sub 1] i.o., vertegenwoordigd door haar beherend vennoot [beherend vennoot] en de commanditaire vennoot, de heer [commanditaire vennoot], de middenstandsbedrijfsruimte (showroom met verkoopruimte en werkplaats) aan de [adres sub 2] verhuurd tegen een huidige huurprijs van € 8.451,31 incl. btw per maand.

Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte, gedeponeerd bij de griffie van de Rechtbank te ’s-Gravenhage van toepassing verklaard.

De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van tien jaar, ingaand op 1 april 1996 en derhalve lopend tot en met 31 maart 2006. Op die laatste datum is de overeenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van vijf jaar, derhalve tot 1 april 2011.

Huurster heeft haar activiteiten gestaakt. Het pand staat sedert mei 2009 leeg.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] stelt dat de huurster sedert maart 2009 in gebreke gebleven is met betaling van de huurpenningen. Tot en met januari 2010 is er een huurachterstand ontstaan groot € 92.964,41 incl. btw.

Partijen twisten in de eerste plaats over de vraag wie van gedaagde partijen nu de huurster van de litigieuze bedrijfsruimte is.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft daartoe gesteld dat [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] moet worden aangemerkt als huurster. Dit blijkt in de eerste plaats uit het feit dat de huurnota’s op naam zijn gesteld van [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie], zij het met de toevoeging “[toevoeging]”, welke nota’s ook betaald werden door [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] (vide productie 3 bij het exploot van dagvaarding).

In de tweede plaats blijkt dat uit een aangetekende brief d.d. 17 maart 2006 (productie 4 bij het exploot van dagvaarding) waarin de (toenmalige) raadsman van [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] uitdrukkelijk namens deze de huurovereenkomst voor zover vereist opzegt alsmede de daaraan voorafgegane aangetekende brief van 26 november 2005 van de raadsman van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] aan [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] (productie 5 bij het exploot van dagvaarding) en de aangetekende opzeggingsbrief van 22 maart 2005 ( productie 6 bij het exploot van dagvaarding) namens de rechtsvoorgangster van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] aan [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie].

Verder stelt [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] dat er tussen hem en [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] onderhandelingen zijn geweest over een wijziging van de huurprijs als bedoeld in artikel 7:303 BW. Ook in die procedure heeft [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] zich uitdrukkelijk gepresenteerd als de huurster (vide de als productie 7 bij het exploot van dagvaarding overgelegde opdrachtbrief aan de door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] en [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] gezamenlijk benoemde deskundige, welke brief ook uitdrukkelijk voor akkoord is ondertekend door de heer [beherend vennoot] namens [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie]).

[gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] stelt dat niet zij maar [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] de huurster is van de onderhavige bedrijfsruimte. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] gaat van de verkeerde veronderstelling uit dat [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] in de plaats getreden is van [bedrijfsnaam sub 2]

Bovendien blijkt ook uit haar organisatiestructuur dat [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] de huurster moet zijn.

De huurbetalingen zijn altijd geschied via de bankrekening van [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] Dat blijkt ook duidelijk uit het rekeningafschrift, aldus [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie]. In dat verband is [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] de mening toegedaan dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] door stelselmatig en gedurende jaren de huurbetaling door [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] te accepteren, zich ermee akkoord verklaard heeft dat die vennootschap de opvolgende huurster was.

Bij de beoordeling van de vraag wie nu als huurster van de onderhavige bedrijfsruimte aangemerkt dient te worden, dient de kantonrechter allereerst te kijken naar de plaatsgevonden hebbende indeplaatsstelling. Op enig moment wilde de toenmalige huurster - kort genoemd de CV - een huuromzetting naar een andere vennootschap. Op 26 november 1999 verzocht de CV aan [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] om in te stemmen met indeplaatsstelling in die zin dat: “niet langer de CV als huurder zal optreden, maar de [bedrijfsnaam sub 3] dan wel [bedrijfsnaam sub 4] (na statutenwijziging geheten [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] BV)”.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft dit verzoek beantwoord:

“betreft verhuur aan [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] c.q. [bedrijfsnaam sub 3]: Naar aanleiding van uw brief van 26 november 1999, bevestigen wij bij deze akkoord te gaan met de omzetting van het huurcontract tussen Holgro BV en [bedrijfsnaam sub 2], zodanig dat [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] (thans nog genaamd [bedrijfsnaam sub 4]) c.q. de daarboven geplaatste holding in de plaats treedt van [bedrijfsnaam sub 1].”

In tegenstelling tot hetgeen [beherend vennoot] hieromtrent heeft aangevoerd, kan de kantonrechter uit genoemde passages geenszins de gevolgtrekking maken dat niet [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] maar [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] als de nieuwe huurster beschouwd moet vworden. Dit wordt immers in het midden gelaten bij die indeplaatsstelling.

Nu deze indeplaatsstelling geen soelaas biedt omtrent het huurderschap, dient die conclusie getrokken te worden uit objectieve feiten en/of omstandigheden waarmee de huurster zich kenbaar heeft gemaakt ten opzichte van de verhuurder. Daarbij speelt natuurlijk een belangrijke (maar geen beslissende) rol wie de huur doorgaans betaalt. Belangrijker is echter wie zich sedert 1999 feitelijk als huurster gedragen heeft en als zodanig aan verhuurderskant geaccepteerd is.

Alle stellingen van partijen in ogenschouw genomen, is de kantonrechter met [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] van oordeel dat [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] zich sedert 1999 stelselmatig heeft voorgedaan als huurster van de onderhavige bedrijfsruimte. Met name de door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] genoemde brief van de raadsman van [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] van 17 maart 2006 en de door beide partijen ondertekende brief van 23 februari 2007 sluiten iedere onduidelijkheid uit. In die brieven presenteert [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] zich uitdrukkelijk als huurster van de litigieuze bedrijfsruimte.

Dat dit geen logische keuze zou zijn gelet op de organisatiestructuur, regardeert [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] geenszins en is slechts van intern belang voor de beide gedaagde partijen.

Daarbij komt dat de kantonrechter ook geen enkele aanwijzing in de stukken heeft aangetroffen waarin [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] ook maar op enig moment mededeling doet van haar opvatting dat niet zij maar [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] als huurster beschouwd moet worden.

Met betrekking tot de achterstallige huur stelt [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] (verder te noemen: [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie]) zich op het standpunt dat de huurrelatie met wederzijdse instemming voortijds beëindigd is door het aanvaarden van een aanbod van [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie].

[gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] verwijst daartoe naar een e-mailbericht van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] van 29 oktober 2009 overgelegd als productie 7 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie.

In dit e-mailbericht verklaart [eiser in conventie, gedaagde in reconventie]:

“Geachte heer [beherend vennoot],

Betreft: balansrapporten

Ik heb uw balansrapporten bestudeerd alsmede heb ik een gesprek gehad met mijn advocaat Mr. Coenen.

Op basis hiervan heb ik besloten akkoord te gaan met uw aanbod voor schadeloosstelling voor € 50.000,=. Mr. Coenen zal dan ook contact opnemen met uw advocaat.

Ik ga dan ook vanuit, dat u na 9 november contact met mij opneemt om gezamenlijk te kijken wat er nog in het pand opgeruimd moet worden.

Met vriendelijke groeten,

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie]

CC: Mr. Coenen”

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] stelt in voortgezet debat dat de huurrelatie niet met wederzijds goedvinden beëindigd is en voor zover er een beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen, is die door [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] toerekenbaar niet nagekomen en is die door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] voor zover nodig ontbonden.

Los daarvan is [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] van mening dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] zich op een beëindigingsovereenkomst beroept die zij willens en wetens niet nagekomen is.

Met [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] is de kantonrechter echter van oordeel dat door de aanvaarding van het aanbod van [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in diens hierboven geciteerde e-mailbericht van 29 oktober 2009 een vaststellingsovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen is die niet afhankelijk gemaakt is van enige voorwaarde.

Kennelijk is ook [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] van mening dat tot een vaststellingsovereenkomst besloten is. In zijn conclusie van repliek zegt hij immers: “Daarmee is inderdaad een beëindigingsovereenkomst tot stand gekomen”. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] is echter de mening toegedaan dat deze overeenkomst door [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] niet nagekomen is en als gevolg daarvan “vervallen” is.

In de vaststellingsovereenkomst is echter geen ontbindende voorwaarde opgenomen en [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft deze overeenkomst ook nooit ontbonden. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] ook niet in gebreke gesteld voor een tekortkoming in de nakoming, zodat geen verzuim ingetreden kan zijn. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] is er immers (lichtvaardig) van uitgegaan dat de beëindigingsovereenkomst door niet-nakoming door [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] reeds ontbonden was. Omdat gesteld noch gebleken is dat de vaststellingsovereenkomst zo geformuleerd was dat verzuim van rechtswege intrad, snijdt die opvatting van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] geen hout.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] stelt zich thans op het standpunt – indien de kantonrechter van oordeel mocht zijn dat de vaststellingsovereenkomst nog altijd bestaat – dat hij de overeenkomst ontbindt per datum van het nemen van de conclusie van repliek op grond van toerekenbaar niet-nakomen door [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie]. [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] heeft immers de overeengekomen “schadeloosstelling” niet betaald.

Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is een dergelijke opstelling van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] onaanvaardbaar. De vaststellingsovereenkomst van 29 oktober 2009 zal niet alsnog op grond van toerekenbare niet-nakoming ontbonden worden, laat staan dat de buitengerechtelijke ontbinding van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] per 26 mei 2010 gesanctioneerd wordt.

Conclusie is dan ook dat de vaststellingsovereenkomst in stand blijft en de tussen partijen bestaande huurovereenkomst per 29 oktober 2009 geëindigd is. Resteert de constatering dat [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] niet heeft voldaan aan de afspraak tot betaling van de “schadeloosstelling” ten bedrage van € 50.000,--. Dit bedrag is toewijsbaar aan [eiser in conventie, gedaagde in reconventie]. [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] stelt nog wel dat op dat bedrag € 15.000,-- in mindering kan strekken op grond van een door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] geïnde bankgarantie, maar de kantonrechter is met [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] van oordeel dat die bankgarantie niet voor dat doel is afgegeven doch dienst deed als zogenoemde “waarborgsom” waarmee allereerst eventuele schade (bij oplevering) aan het gehuurde voor rekening van [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] gecompenseerd mocht worden.

Nu [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] eerst bij conclusie van repliek van 26 mei 2010 in gebreke is gesteld voor wat betreft de betaling van een bedrag van € 50.000,-- is de door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW eerst toewijsbaar veertien dagen na die ingebrekestelling, te weten 9 juni 2010.

[gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] dient als de in belangrijke mate in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit geding te dragen.

in reconventie

[gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] ([gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] en [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie]) vordert veroordeling van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 838.755,-- inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a W, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening.

Verder vordert [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] veroordeling van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] tot opheffing van het conservatoire beslag dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] gelegd heeft op de aandelen die de holding [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] heeft in “[bedrijfsnaam sub 5].”, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag – ofwel een door de kantonrechter te bepalen dwangsom – ingaande drie dagen na betekening van dit vonnis voor iedere dag dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] nalaat te voldoen aan dat vonnis.

[gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] stelt daartoe dat, indien in rechte komt vast te staan dat [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] de huurster is van het gehuurde, dit met zich brengt dat [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] sedert 14 januari 2000 onverschuldigd de huurpenningen aan [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] voldaan heeft.

Voorts heeft [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] op 4 februari 2010 conservatoir beslag gelegd op de aandelen van de holding in “[bedrijfsnaam sub 5]”. Het gelegde beslag kan echter geen stand houden indien de vordering van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] afgewezen wordt.

In conventie heeft de kantonrechter beslist dat [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] als huurster van de litigieuze bedrijfsruimte aangemerkt wordt.

[gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] vordert de door haar betaalde huur betreffende die bedrijfsruimte terug van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] als onverschuldigd betaald.

Het enkele feit dat een vennootschap (zelf) geen huurster is van enig huurobject, maakt nog niet dat haar betalingen als onverschuldigd aan te merken zijn. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] had recht op betaling van huur, hetgeen door partijen niet is betwist. Het maakt voor [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in beginsel niet uit wie die huur betaalt. Indien [gedaagde sub 2 in conventie, eiseres sub 2 in reconventie] de mening toegedaan is dat zij de wel door [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] verschuldigde huur ten onrechte betaald heeft, zal zij [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] moeten aanspreken tot terugbetaling, maar niet [eiser in conventie, gedaagde in reconventie]. Intern behoeft deze kwestie toch niet tot al te veel problemen te leiden en verrekening met andere betalingsverplichtingen ligt wel heel erg voor de hand

Deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft – gelet op hetgeen in conventie geoordeeld is – een vordering op [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie], zodat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zich terecht op het standpunt gesteld heeft dat (conservatoir) beslag op de aandelen die [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] heeft in “[bedrijfsnaam sub 5]” een aangewezen middel was, zodat ook de vordering tot opheffing van een dergelijk beslag afgewezen wordt.

Bij een dergelijke afloop van de zaak in reconventie is het duidelijk dat [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] verwezen moet worden in de kosten van dit deel van het geding.

BESLISSING

in conventie

Veroordeelt [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] om aan [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 50.000,--, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 9 juni 2010 tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] tot betaling van de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] tot heden in totaal begroot op € 795,93, waaronder een bedrag van € 500,-- ter zake van salaris van de gemachtigde van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie].

in reconventie

Wijst de vorderingen af.

Veroordeelt [gedaagde sub 1 in conventie, eiseres sub 1 in reconventie] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] tot heden in totaal begroot op € 250,-- ter zake van salaris van de gemachtigde van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie].

in conventie en in reconventie

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. STAAL, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

HP