Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ6542

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-05-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
422120 EJ VERZ 11-78
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding op grond van een dringende reden afgewezen. Werkgever stelt dat werknemer zich schuldig gemaakt heeft aan diefstal. Er is echter onvoldoende gebleken dat werknemer daadwerkelijk de intentie gehad heeft om zich spullen van de werkgever wederrechtelijk toe te eigenen. De subsidiair aangevoerde grondslag – verandering in de omstandigheden – heeft eveneens niet tot toewijzing van het verzoek geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0445
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer: 422120 EJ VERZ 11-78

Typ: AodK

Beschikking van 12 mei 2011

op een verzoek van

HAGO NEDERLAND B.V., statutair gevestigd en kanoorhoudend te [adres],

verzoek¬ster, verder te noemen: Hago,

gemachtigde: mr. R.M. Dessaur te Amsterdam,

tegen

[verweerder], wonend te [adres],

verweerder, verder te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. N.C. Quindt te Maastricht.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn de volgende processtukken ingediend:

- verzoekschrift, ontvangen op 31 maart 2011;

- verweerschrift, ontvangen op 21 april 2011;

- aanvullende stukken zijdens Hago, ontvangen op 27 april 2011.

Partijen en haar gemachtigden zijn gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van donderdag 28 april 2011. Van het aldaar verhandelde is door de griffier schriftelijk aantekening gehouden.

De kantonrechter heeft vervolgens beschikking bepaald op heden.

2. GESCHIL

2.1. Hago verzoekt de tussen haar en [verweerder] be¬staan¬de ar¬beids¬over¬een¬komst – zulks voor het geval in rechte komt vast te staan dat deze nog bestaat – te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande primair uit een dringende reden en secundair in een zodanige veran¬dering in de omstandigheden, dat de arbeidsovereenkomst onmiddellijk, althans zo spoedig mogelijk dient te eindigen.

2.2. Hago legt aan haar verzoek ¬¬¬¬– kort en voor zover van belang weergegeven – het volgende ten grondslag.

[verweerder] is sedert [datum] krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Hago in dienst als [functie] tegen een salaris van laatstelijk € 1.456,00 bruto exclusief vakantietoeslag per vier weken bij een dienstverband van gemiddeld 140 uur per vier weken.

Hago is een onderneming die zich bezighoudt met de schoonmaak van gebouwen en locaties. Een van haar opdrachtgevers is het Academisch Ziekenhuis Maastricht (hierna te noemen: AZM) AZM maakt al vanaf 1997 gebruik van de diensten van Hago. [verweerder] verricht vanaf april 2007 zijn werkzaamheden op dit object.

Op 15 december 2010 is bij een tassencontrole gebleken dat [verweerder] diverse niet aan hem toebehorende zaken – onder andere schuursponsjes, poetsdoeken, volledige verpakkingen papieren handdoeken – zonder instemming van Hago of het AZM bij zich had. Naar aanleiding van deze vondst is ook de persoonlijke locker van [verweerder] gecontroleerd en daarin werden onder andere (ongebruikte) operatiekamer-klemscharen, diverse rollen pleister en operatiekamer-mesjes aangetroffen. [verweerder] heeft zich ook deze zaken zonder toestemming toegeëigend. [verweerder] is nog dezelfde avond aangehouden en overgedragen aan de politie. AZM heeft [verweerder] met onmiddellijke ingang voor de duur van een jaar de toegang tot het ziekenhuis ontzegd en Hago daarvan per e-mail van 16 december 2010 in kennis gesteld. Vervolgens heeft Hago [verweerder] per laatstgenoemde datum met onmiddellijk ingang geschorst voor de overeengekomen werkzaamheden. Op 21 december 2010 heeft een gesprek met [verweerder] plaatsgevonden en tijdens dit gesprek heeft [verweerder] “al zijn handelen” bekend. [verweerder] heeft toen ten verwere naar voren gebracht dat hij al vaker met toestemming van AZM spullen meegenomen heeft. Hij is op deze specifieke avond alleen vergeten de vereiste geleidebon in te vullen.

Het beleid voor het uitvoeren van goederen in het AZM geldt echter alleen ten aanzien van afgeschreven goederen, terwijl de in de tas van [verweerder] aangetroffen spullen daar niet onder vielen. Daarnaast had [verweerder] ook geen ingevulde geleidebon bij zich.

[verweerder] heeft verwijtbaar gehandeld. De relatie van Hago met opdrachtgever AZM is daardoor onder druk komen te staan. [verweerder] heeft door zijn handelen het contract van Hago met AZM in gevaar gebracht. Hago is van mening dat dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, hetgeen – nadat [verweerder] op 15 december 2010 was geschorst – op 21 december 2010 met hem is besproken en bij die gelegenheid aan [verweerder] is aangezegd. Diezelfde dag is het ontslag schriftelijk bevestigd. [verweerder] heeft op 21 januari 2011 de nietigheid daarvan ingeroepen.

Ten slotte stelt Hago zich op het standpunt dat door het gedrag van [verweerder] een – aan hem te verwijten – breuk in het noodzakelijke vertrouwen ontstaan is.

2.3. Hago verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen – voor het geval deze nog mocht bestaan – te ontbinden:

- primair op grond van een dringende reden: [verweerder] heeft zich schuldig gemaakt aan ontoelaatbaar en hem te verwijten gedrag en handelen, althans zich zo gedragen dat van Hago niet langer verwacht kan worden dat zij het dienstverband voortzet;

- subsidiair op grond van een verandering in de omstandigheden: er is door het gedrag en handelen van [verweerder] een duidelijke – [verweerder] te verwijten – breuk in het vertrouwen ontstaan.

Omdat de reden voor de verzochte ontbinding in de risicosfeer van [verweerder] ligt, is Hago van mening dat hem geen vergoeding toekomt. Als al een vergoeding wordt toegekend, dan dient deze voorwaardelijk te zijn totdat in een bodemprocedure over het "genomen ontslag" (bedoeld zal zijn het ontslag op staande voet) van 21 december 2010 is beslist.

Hago stelt dat binnen haar organisatie geen andere oplossing voorhanden is. Bovendien wenst zij – gezien de gang van zaken – tewerkstelling van verweerder elders binnen haar bedrijf niet in overweging te nemen.

Het verzoek houdt geen verband met een opzegverbod.

2.4. [verweerder] heeft ten verwere – kort en voor zover van belang weergegeven – het volgende aangevoerd.

Er is geen sprake van diefstal. [verweerder] heeft vóór 15 december 2010 maandenlang toestemming gekregen om diverse roerende zaken mee te nemen middels een “geleidebon voor goederen uitvoer”, mits dit bij de bewaking van het ziekenhuis bekend werd gemaakt, dan wel de bewaking dit accordeerde. Er werd geen strikt beleid gevoerd over welke zaken wel of niet door werknemers mochten worden meegenomen.

Op 15 december 2010 was niemand aanwezig om de bon af te tekenen en [verweerder] heeft vergeten om toestemming te vragen, hetgeen nu wordt uitgelegd als wederrechtelijk toe-eigenen. Dit heeft overigens in het geheel geen consequenties gehad voor de uit te voeren werkzaamheden.

[verweerder] wijst er op, dat hij steeds naar volle tevredenheid gefunctioneerd heeft. Hij werkt al 8 jaar als schoonmaker binnen het AZM – hij heeft er heel veel sociale contacten– en vanaf [datum] via Hago.

Hago heeft geen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] en de gevolgen van het ontslag zijn voor hem onevenredig en ernstig. [verweerder] is van mening dat de hem gemaakte verwijten in dit concrete geval niet ernstig genoeg zijn om alleen op deze grond ontslag op staande voet/dringende reden te rechtvaardigen. UWV heeft haar toestemming tot opzegging van het dienstverband overigens geweigerd (productie 7 bij verzoekschrift).

[verweerder] betwist voorts dat sprake is van een verandering van omstandigheden. Hij acht een goed gesprek nog mogelijk. Volgens hem is het verzoek prematuur en dient dit te worden afgewezen.

Indien toch wordt toegewezen maakt hij aanspraak op een – direct opeisbare – vergoeding met

c-factor 1.

3. BEOORDELING

3.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist staat het volgende vast.

[verweerder] – [leeftijd] oud – is op [datum] voor onbepaalde tijd bij Hago in dienst getreden in de functie van [functie]. [verweerder] heeft een dienstverband van 140 uur per vier weken en ontvangt per periode van vier weken een salaris van € 1.456,00 bruto exclusief vakantietoeslag. Op de onderhavige overeenkomst is de cao Schoonmaak en Glazenwassersbedrijf van toepassing.

3.2. Hago heeft verzocht de arbeidsovereenkomst van partijen te ontbinden, voor het geval deze nog mocht bestaan.

3.3. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist, dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met een opzegverbod.

3.4. De ontbindingsprocedure ex artikel 7:685 BW is een procedure waarin de kantonrechter betrekkelijk snel dient te beoordelen of er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer op korte termijn te ontbinden. Het is daarbij niet gebruikelijk dat getuigen worden gehoord of anderszins nader feitenonderzoek plaatsvindt. De kantonrechter moet het in een zaak als deze doen met hetgeen partijen voorafgaand aan de zitting en tijdens de zitting hebben aangevoerd.

Hago legt aan haar verzoek primair een dringende reden ten grondslag. Toewijzing daarvan na enkel een mondelinge behandeling is slechts op zijn plaats, indien iedere twijfel met betrekking tot de dringende reden uitgesloten is.

3.5. [verweerder] heeft op 15 december 2010 spullen mee naar huis willen nemen, dat heeft hij ook ter zitting zelf erkend. Het ging daarbij om een pak papieren handdoekjes, schuursponsjes en een vezeldoekje.

Toen [verweerder] door de bewaking aangehouden werd en vervolgens ook zijn locker gecontroleerd werd, bleken daar spullen te staan die er niet thuishoorden. Volgens [verweerder] worden bij het schoonmaken in de operatiekamer vaker spullen aangetroffen die opgeruimd moeten worden. Het is volgens hem algemeen gebruikelijk dat de schoonmakers deze spullen bewaren op of in hun locker en dat een van hen deze spullen een keer in de paar weken terugbrengt naar de afdeling.

Hago betwist deze stelling, maar feit is dat deze spullen in elk geval door [verweerder] niet zijn meegenomen buiten het gebouw van AZM en dat niet gebleken is dat [verweerder] deze spullen voor eigen gebruik mee wilde nemen. Dit feit zal daarom buiten de beoordeling van het onderhavige verzoek blijven.

3.6. De vraag in dezen is of [verweerder] zich de spullen die hij mee naar huis wilde nemen wederrechtelijk heeft willen toe-eigenen en er dus sprake is van diefstal, dan wel of het meenemen van spullen onder bepaalde voorwaarden gedoogd c.q. toegestaan werd en [verweerder] deze ene keer aan die voorwaarden niet voldaan heeft, zoals hij stelt.

Er is aangifte gedaan bij de politie die echter niet tot een vervolging van [verweerder] geleid heeft.

Volgens Hago bestaat er geen gedoogbeleid zoals [verweerder] stelt en kon [verweerder] deze spullen meenemen, omdat er normaliter geen controle is. De door [verweerder] aangehaalde geleidebon is volgens Hago niet bedoeld voor het meenemen van aan haar of aan het AZM toebehorende spullen, maar voor de uitvoer van specifieke “gebruikte en/of te vernietigen rest-producten en artikelen”. Blijkbaar is er echter geen reglement dienaangaande en is ook niet vastgelegd, welke spullen wel en welke niet mogen worden uitgevoerd. Het is denkbaar dat de bedoeling van deze bon door [verweerder] foutief begrepen is, zonder daarbij kwade intenties te koesteren, daarbij meewegend dat zijn kennis van de Nederlandse taal weliswaar redelijk maar niet 100% is, zoals ter zitting blijkt.

De kantonrechter kan de door Hago ter zitting geponeerde stelling dat zij dan wel het AZM toch niet zomaar spullen gaan weggeven wel begrijpen, maar daarnaast zeker ook het emotionele betoog van [verweerder] dat hij voor die paar spullen toch zeker niet zijn baan op het spel wil zetten.

Gelet op hetgeen in de stukken en ter zitting is aangevoerd, met name het emotionele betoog van [verweerder], is de kantonrechter er niet van overtuigd dat [verweerder] daadwerkelijk de intentie gehad heeft zich de onderhavige spullen wederrechtelijk toe te eigenen.

De kantonrechter is van oordeel dat niet iedere twijfel met betrekking tot de dringende reden uitgesloten is, zodat het verzoek tot ontbinding op grond van een dringende reden zal worden afgewezen.

3.7. Hago voert subsidiair aan dat er sprake is van een verandering in de omstandigheden. Zij heeft haar vertrouwen in [verweerder] verloren.

Gezien het vorenstaande is dit echter naar het oordeel van de kantonrechter prematuur. Er is sprake van een werknemer, die jarenlang goed gefunctioneerd heeft en die nu in de optiek van Hago een fout gemaakt heeft. [verweerder] heeft zijn gedrag echter niet als foutief ervaren. Een goed en indringend gesprek en een forse waarschuwing aan het adres van [verweerder] zou naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval eerder op zijn plaats geweest zijn. Een ontbinding wordt onder deze omstandigheden als een onevenredig zware maatregel beschouwd.

Dat Hago [verweerder] nergens anders zou kunnen plaatsen heeft zij in het geheel niet onderbouwd, zodat deze stelling gepasseerd wordt. De kantonrechter acht ook de subsidiair aangevoerde grond onvoldoende om tot ontbinding van de onderhavige overeenkomst over te gaan.

3.8. Het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd, leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.

3.9. Als de in het ongelijk gestelde partij dient Hago te worden verwezen in de aan de zijde van [verweerder] gerezen proceskosten, tot op heden begroot op € 400,00, salaris gemachtigde.

4. BESLISSING

Wijst het verzoek af.

Veroordeelt Hago tot betaling van de aan de zijde van [verweerder] gerezen proceskosten, tot op heden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven en is in het openbaar uitgesproken door mr. J.M.A.F. Coenegracht, kantonrechter, in aanwezigheid van de griffier.