Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ6514

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-05-2011
Datum publicatie
30-05-2011
Zaaknummer
03/702624-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een jonge vrouw vanwege diefstallen die zij pleegde als bejaardenverzorgster in een bejaardentehuis en de verduistering die zij pleegde in een latere dienstbetrekking. Vanwege de ernst van de feiten, de niet als oprecht ervaren spijt en het eigen gewin dat verdachte gedreven heeft, kan niet volstaan worden met een straf zoals door de officier van justitie is geëist.

De immateriële schade die een van verdachtes slachtoffers geleden heeft, komt, ook al is er alleen sprake geweest van een diefstal, voor vergoeding in aanmerking nu verdachte met deze diefstal ook een ongeschreven betamelijkheidsnorm heeft overtreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/702624-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 mei 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

gedetineerd PI Zuid Oost - HvB Ter Peel te Evertsoord.

Raadsman is mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat te Heerlen, vervangende diens kantoorgenoot mr. Th. Boumans, eveneens advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 mei 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feiten 1, 2 en 3: geld heeft gestolen door gebruik te maken van een valse sleutel;

Feit 4: werkzaam als kassabediende geld van haar werkgever heeft verduisterd;

Feit 5: van zes mensen geld heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie verwijst hierbij naar de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting. De officier van justitie acht ten aanzien van feit 5 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte van [naam benadeelde partij 1] geld heeft gestolen. Voor het overige dient verdachte van feit 5 te worden vrijgesproken, nu daarvoor geen concreet bewijs voorhanden is.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4 zal verdachte enkel kunnen worden veroordeeld voor het verduisteren van 500 euro en niet voor het verduisteren van het ten laste gelegde bedrag, groot 1.600 euro. Ten aanzien van feit 5 kan verdachte enkel worden veroordeeld voor het feit dat zij van [naam benadeelde partij 1] geld heeft gestolen. Voor het overige dient verdachte van feit 5 te worden vrijgesproken.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [naam aangever 1] namens de benadeelde [naam benadeelde partij 2]

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting ;

Feit 2

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [naam aangever 2] namens de benadeelde [naam benadeelde partij 3]

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting ;

Feit 3

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [naam benadeelde partij 4] ;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting ;

Feit 4

Op 28 januari 2011 doet [benadeelde partij 5], exploitant van het tankstation “[naam tankstation]” te Maastricht, aangifte van verduistering. Verdachte, in dienst bij [naam benadeelde partij 5] als kassabediende bij het tankstation, zou in de periode van 7 januari 2011 tot en met 26 januari 2011 geld hebben verduisterd, in totaal circa 1.600 euro. Verdachte heeft ter zitting bekend in de genoemde periode opzettelijk geld te hebben weggenomen. Zij ontkent dat het circa 1.600 euro zou zijn geweest. Verdachte verklaart ter zitting dat zij ongeveer 500 euro heeft weggenomen.

De rechtbank acht, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte, bewezen dat verdachte in de periode van 7 januari 2011 tot en met 26 januari 2011 te Maastricht geld heeft weggenomen, toebehorende aan tankstation [naam tankstation] en/of aan [naam benadeelde partij 5]. Dit feit heeft verdachte gepleegd terwijl zij aldaar werkzaam was als kassabediende. Verdachte wordt partieel vrijgesproken van het wegnemen van in totaal ongeveer 1.600 euro. De rechtbank kan dit bedrag niet vaststellen. Zij zal bewezen verklaren dat verdachte telkens met opzet een bedrag aan geld heeft weggenomen.

Feit 5 inzake [naam benadeelde partij 1]

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het ten laste gelegde inzake [naam benadeelde partij 1] wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [naam aangever 3] namens de benadeelde [naam benadeelde partij 1] ;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting ;

In de tenlastelegging onder feit 5 is verder opgenomen dat verdachte geld zou hebben weggenomen van [naam benadeelde partij 6], [naam benadeelde partij 7], [naam benadeelde partij 8], [naam benadeelde partij 9] en [naam benadeelde partij 10]. In navolging van de standpunten van de officier van justitie en de raadsman van verdachte ter zake zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken, nu het dossier onvoldoende bewijs bevat om te komen tot een bewezenverklaring.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009 in Nederland, meermalen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bedrag aan geld (in totaal 81.300 euro), toebehorende aan [naam benadeelde partij 2], waarbij verdachte dat weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruikmaking van internetbankieren en een wederrechtelijk verkregen digicode en gebruikersnaam en wachtwoord, tot welk gebruik zij, verdachte, niet gerechtigd was;

2.

in de periode van 9 april 2009 tot en met 9 oktober 2009 in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen overschrijvingsformulieren en een bedrag aan geld (250 euro), toebehorende aan [naam benadeelde partij 3], waarbij verdachte dat weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruikmaking van een wederrechtelijk verkregen en vervalst overschrijvingsformulier;

3.

in de periode van 15 oktober 2009 tot en met 18 oktober 2009 in de gemeente [M.] en in de gemeente Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas en een bedrag aan geld (1.000 euro) toebehorende aan [naam benadeelde partij 4], waarbij verdachte dat weg te nemen bedrag aan geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruikmaking van een wederrechtelijk verkregen bankpas en bijbehorende pincode, tot welk gebruik zij, verdachte, niet gerechtigd was;

4.

in de periode van 7 januari 2011 tot en met 26 januari 2011 in de gemeente Maastricht, meermalen, telkens opzettelijk een bedrag aan geld, toebehoorde aan tankstation [naam tankstation] en/of aan [naam benadeelde partij 5], en welk geld verdachte (telkens) uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als kassabediende bij voornoemd tankstation onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

op 16 september 2009 in de gemeente [M.], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bedrag aan geld (ongeveer 105 euro), toebehorende aan [naam benadeelde partij 1].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

Feit 2:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

Feit 3:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

Feit 4:

verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft

Feit 5:

diefstal

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf dient de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht te worden gekoppeld. Het beslag dient deels te worden onttrokken aan het verkeer, deels verbeurd te worden verklaard en deels te worden teruggegeven aan de rechthebbende.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend acht. Hij heeft geen standpunt ingenomen ter zake de in beslag genomen goederen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft, terwijl ze aldaar werkzaam was, in de periode van april 2009 tot en met december 2009 in bejaardentehuis [naam bejaardetehuis] te [M.] goederen van aldaar verblijvende, bejaarde mensen weggenomen. De ernst van de door verdachte gepleegde feiten gingen daarbij van kwaad tot erger.

Nam verdachte op 16 september 2009 nog een geldbedrag van ongeveer 105 euro weg van een bewoonster en in de periode van 9 april t/m 9 oktober 2009 een bedrag van 250 euro, in de periode van 15 t/m 18 oktober 2009 was het al een bedrag van 1.000 euro dat verdachte zich wederrechtelijk toe-eigende.

Bij deze diefstal, de diefstal van de 1.000 euro, is verdachte overigens, en dit rekent de rechtbank haar zwaar aan, slinks te werk gegaan. Nadat zij de pinpas van het 82-jarige slachtoffer gestolen had, heeft zij hem opgebeld, heeft zich daarbij voorgedaan als iemand van de bank en heeft hem gevraagd of hij zijn pinpas miste. Toen het slachtoffer dat beaamde, heeft zij hem gezegd dat zij voor de toezending van een nieuwe bankpas wilde zorg dragen en heeft hem gevraagd of hij zijn oude pincode wilde blijven gebruiken. Toen het slachtoffer ook dat beaamde, heeft zij hem deze pincode gevraagd en het slachtoffer heeft deze pincode daarna gegeven, waarna zij zei voor toezending van een nieuwe pas te zullen zorg dragen en het gesprek beëindigde. Binnen vijftien minuten na het beëindigen van dit gesprek, heeft zij vervolgens met de gestolen pinpas en de ontfutselde pincode de 1.000 euro van de rekening van het slachtoffer opgenomen.

Zoals zo-even overwogen ging het bij verdachte van kwaad tot erger, en het trieste hoogtepunt van verdachtes criminele handelen was helaas niet de diefstal van de pinpas, de 1.000 euro en de daarbij komende slinksheid van handelen. In de periode van 1 oktober 2009 t/m 31 december wist zij namelijk 81.300 euro van een toen 91-jarige bewoonster van [naam bejaardetehuis] te stelen op een wijze die, zo mogelijk, nog doortrapter was.

Nadat zij op de kamer van het latere slachtoffer een brief had gevonden over internetbankieren, heeft zij via internet het saldo van de rekening(en) van het slachtoffer opgevraagd en is, toen ze zag wat erop stond en zag dat het geld “vast” stond op de rekeningen, gaan uitzoeken hoe ze de beschikking over het geld zou kunnen krijgen. Ze kwam er daarbij achter dat er een andere rekening nodig was om het geld op weg te boeken en heeft vervolgens via internet zo’n rekening op naam van het slachtoffer bij een andere bank dan die waar het slachtoffer bankierde geopend. Bij het openen van deze rekening heeft verdachte gebruik gemaakt van een kopie van het identiteitsbewijs die ze wegnam uit het van het slachtoffer bij het bejaardentehuis aangehouden zorgdossier en heeft ze op diverse formulieren handtekeningen van het slachtoffer nagebootst. Verder heeft zij als adres van de houdster van de nieuw te openen rekening, niet het adres van het slachtoffer opgegeven, maar haar eigen adres waardoor pinpas, overschrijvingskaarten en andere bankbescheiden direct in handen kwamen van verdachte.

Na het openen van de rekening heeft verdachte binnen een tijdsbestek van enkele dagen de 81.300 euro overgeboekt naar de nieuwe rekening en heeft vervolgens dit geld binnen tijdsbestek van een jaar erdoorheen gejaagd.

Verdachte heeft ter zitting verklaard in 2010 spijt te hebben gekregen van dit feit en de andere door haar toen, in [naam bejaardetehuis] gepleegde feiten. Niettegenstaande deze spijt heeft ze er echter niet voor gekozen om op haar criminele schreden terug te keren en, bijvoorbeeld anoniem, slachtoffers (een deel van hun) geld terug te bezorgen. Ze is juist in 2010 doorgegaan met het uitgeven van het gestolen geld. De rechtbank zet dan ook vraagtekens bij de ter zitting gedane spijtbetuiging. Vraagtekens die nog groter worden wanneer bedacht wordt dat verdachte ondanks haar beweerde spijt in 2011 opnieuw over is gegaan tot het plegen van strafbare feiten en het daarbij misbruik maken van vertrouwen dat anderen in haar stelden.

In 2011 is het namelijk haar nieuwe werkgever, een tankstationhouder, die de dupe wordt van verdachte. Op 7 januari 2011 is verdachte in de shop van het tankstation gaan werken. Na over een periode van een aantal dagen ingewerkt te zijn door een collega, heeft ze een aantal dagen alleen in de shop gestaan en alleen gezorgd voor het afsluiten van de shop. Het viel de tankstationhouder toen op dat telkens wanneer verdachte werkzaam was geweest, de inhoud van de kassa niet overeenstemde met de goederenvoorraad.

Eigen onderzoek van de tankstationhouder wees vervolgens uiteindelijk uit dat wanneer verdachte werkzaam was in de shop, zij wel producten (zoals sigaretten) verkocht, maar deze niet scande, waardoor de verkoop niet in de administratie werd geregistreerd. Verdachte stopte het geld na zo’n niet-geregistreerde verkoop weliswaar in de kassa, maar hield ook lijstjes bij met hetgeen zij verkocht buiten de administratie om, waardoor het voor haar mogelijk was om dagelijks, aan het einde van haar dienst, de omzet die door haar buiten de administratie was gehouden, weer weg te nemen uit de kassa.

De rechtbank rekent verdachte haar handelen zeer zwaar aan, zeker daar waar het de feiten betreft waarbij bejaarde mensen het slachtoffer zijn geworden. In dat kader acht de rechtbank het bijzonder schrijnend dat na het haar ontstolen zijn van de 81.300 euro, het spaargeld waarvoor zij en haar (overleden) man lang hadden gewerkt, het 91-jarige slachtoffer vreesde dat zij de huur van haar kamer in [naam bejaardetehuis] niet meer zou kunnen betalen. Een vrees die het slachtoffer erg aangreep.

Ook de andere slachtoffers hebben ernstig te lijden gehad onder hetgeen hen is aangedaan door verdachte. Daarnaast hebben deze feiten niet alleen financiële schade voor de bestolenen veroorzaakt, maar hebben de feiten ook onrust en wantrouwen in [naam bejaardetehuis] teweeggebracht.

Het vertrouwen dat de bewoners en collega’s van [naam bejaardetehuis] in verdachte, als verzorgster en collega stelden, heeft verdachte op vreselijke wijze beschaamd. Als bejaardenverzorgster had verdachte eens te meer behoren in te zien wat de gevolgen van de door haar gepleegde diefstallen voor de slachtoffers zouden zijn.

Zoals opgemerkt heeft verdachte ter zitting gezegd dat ze spijt heeft, maar de rechtbank plaatst grote vraagtekens bij de oprechtheid van deze spijt. Waarom is zij immers, als zij zo veel spijt had, in 2011 opnieuw overgegaan tot het plegen van strafbare feiten en het beschamen van vertrouwen? Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het allemaal is gekomen door haar drugsverslaving, maar dat acht de rechtbank geen excuus te zijn. Verdachte heeft immers niet alleen haar drugsverslaving bekostigd met het door haar gestolen geld, maar heeft er ook, naar eigen zeggen, ruim van geleefd. Verdachte stal, met andere woorden, meer dan de drugs haar kostten en voor dat meerdere is geen excuus anders dan louter financieel eigen gewin voorhanden.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist, nu de rechtbank de geëiste gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 voorwaardelijk onvoldoende recht vindt doen aan de ernst van de feiten, ook al is verdachte niet eerder met justitie in aanraking geweest.

De rechtbank zal een zodanige straf opleggen om verdachte het verwerpelijke van haar handelen in te laten zien en om haar ervan te weerhouden wederom dit soort feiten te plegen.

De rechtbank acht, gegeven hetgeen hiervoor is overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend. Van deze straf zal de rechtbank 6 maanden voorwaardelijk opleggen. Enerzijds als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden wederom in de fout te gaan, anderzijds om verdachte de gelegenheid te bieden om aan haar problemen te werken. Met het oog daarop zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht opleggen. Voorts zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden stellen dat verdachte tijdens de proeftijd deelneemt aan de Leefstijltraining en dat zij zich tijdens de proeftijd beschikbaar houdt voor behandeling bij de forensische verslavingszorg en de forensische poli van de Mondriaan, divisie kortdurende zorg een en ander overeenkomstig het advies dat opgenomen is in het over verdachte op 8 april 2011 uitgebrachte reclasseringsrapport.

6 Beslag

De in beslag genomen spelcomputer, computer en televisie, volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de spelcomputer en de televisie gekocht zijn van het geld dat zij heeft verkregen door middel van de bewezen verklaarde strafbare feiten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat verdachte met behulp van haar computer het onder 1 bewezen verklaarde heeft begaan.

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de volgende in beslag genomen goederen: 1 beeldplaat en 2 Cd Rom’s.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 4] vordert een materiële schadevergoeding van 1.000 euro ter zake van feit 3.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij voornoemd door het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot het gevorderde bedrag van 1.000 euro en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen. Deze vordering is ook niet gemotiveerd betwist door verdachte noch haar raadsman. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [naam tankstation]/[naam benadeelde partij 5] vordert een materiële schadevergoeding van 1.987,50 euro, ter zitting gewijzigd en aangevuld met de post ‘uurloon’ tot een totaalbedrag van 2.187,50 euro ter zake van feit 4.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij voornoemd door het hiervoor onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De op schrift gestelde vordering, voor een bedrag van 1.787,50 euro (verduisterd in contanten en kastekorten) is anders dan door de raadsman gesteld, voldoende onderbouwd. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van1.787,50 euro toewijzen. Tevens zal zij in redelijkheid en billijkheid het ter zitting gevorderde bedrag ter zake ‘uurloon’ op 200 euro vaststellen. Het toewijsbaar bedrag bedraagt in totaal 1.987,50 euro.

De rechtbank zal de vordering voor zover betrekking hebbende op de posten ‘vervanging zoeken en inwerken’ en ‘aangetekend versturen’ afwijzen, nu zij van oordeel is dat geen causaal verband is komen vast te staan tussen het strafbare feit en die geleden schade.

De rechtbank zal verder de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] vordert ter zake van feit 5 een schadevergoeding van 380 euro bestaande uit materiële (105 euro) en immateriële (275 euro) schade. Voorts vordert zij het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente van 16 september 2009 tot aan de dag van volledige voldoening.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij voornoemd door het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot het gevorderde bedrag van 105 euro. De rechtbank zal dit bedrag integraal toewijzen. De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde immateriële schade het volgende.

Er bestaat, gelet op de van toepassing zijnde bepalingen uit het burgerlijk recht, eerst dan, en vooral dan, een verplichting tot schadevergoeding, indien de geschonden norm strekt tot bescherming van het slachtoffer tegen de schade zoals het slachtoffer die geleden heeft.

In het onderhavige geval beoogt de geschonden norm, artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, de bescherming van iemands vermogen. Bij die stand van zaken komt dus eigenlijk alleen de schade aan iemands vermogen, materiële schade dus, voor vergoeding in aanmerking.

Voor een vergoeding van immateriële schade zou dan alleen nog ruimte zijn, indien er tevens een ongeschreven betamelijkheidsnorm is overtreden. Daarvan acht de rechtbank in het onderhavige geval sprake te zijn. Verdachte heeft met haar handelen niet alleen het slachtoffer getroffen in haar vermogen, maar ook heeft ze met haar handelen het vertrouwen dat het slachtoffer in haar als bejaardenverzorgster stelde geschonden. En dat laatste zelfs in een dergelijke mate dat het slachtoffer, zo werd ter zitting duidelijk gemaakt door haar gemachtigde, sinds de diefstal haar kamer in het bejaardentehuis niet meer durft te verlaten, wantrouwend en bang als zij is geworden.

Een vergoeding van de immateriële schade, becijferd op 275 euro, acht de rechtbank redelijk en billijk en zal de rechtbank toewijzen.

De rechtbank zal de raadsman derhalve niet volgen in zijn standpunt dat die gevorderde schade dient te worden gematigd. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Tevens zal zij bepalen dat het totaalbedrag 380 euro wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2009 tot aan de dag van volledige voldoening.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 33, 33a, 36f, 57, 310, 311, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte tijdens de proeftijd deel moet nemen aan de volgende gedragsinterventie: Leefstijltraining ;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd beschikbaar houdt voor behandeling bij de forensische verslavingszorg en de forensische poli van de Mondriaan, divisie kortdurende zorg;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen goederen;

2010046148 1 1 computer, ACER MS2262 (1891428), kleur: blauw

2010046148 2 1 televisietoestel SAMSUNG LEDTV Series8000 (1891452), kleur:

zwart;

2010046148 3 1 spelcomputer, PLAYSTATION Cech-2004b (1891456), kleur:

zwart;

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende in beslag genomen

goederen;

2010046148 24 1 beeldplaat (1898043)

2010046148 25 1 Cd-Rom (1886874)

2010046148 26 1 Cd-Rom (1886875)

Benadeelde partij [naam benadeelde partij 4] (feit 3)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [adres benadeelde partij 4], [adres benadeelde partij 4] van een bedrag van € 1.000,- aan materiële schadevergoeding;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [adres benadeelde partij 4] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [adres benadeelde partij 4] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [adres benadeelde partij 4] vervalt en omgekeerd.

Benadeelde partij [naam tankstation]/[naam benadeelde partij 5] (feit 4)

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [adres benadeelde partij 5]/[naam tankstation], [adres] te betalen een bedrag van € 1.987,50 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit de posten 'verduisterd in contanten', groot € 1.719,40, 'kastekorten', groot € 68,10 en 'uurloon', naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op € 200,-;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij voornoemd voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘vervanging zoeken en inwerken’ en ‘aangetekend versturen’.

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [adres benadeelde partij 5] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [adres benadeelde partij 5]/[naam tankstation] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 29 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet ophef;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [adres benadeelde partij 5]/[naam tankstation] vervalt en omgekeerd.

Benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] (feit 5)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] , [adres benadeelde partij 1] van een bedrag van in totaal € 380,- aan materiële (€ 105,-) en immateriële (€ 275,-) schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente van 16 september 2009 tot aan de dag van volledige voldoening:

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 1] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2009;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. M.E. Kramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 mei 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009 in de gemeente [M.] en/of in de gemeente Valkenburg aan de Geul en/of in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bedrag aan geld (in totaal 81.300 euro), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte dat weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruikmaking van internetbankieren en/of een (wederrechtelijk verkregen) (digi)code en/of gebruikersnaam en/of wachtwoord, tot welk gebruik zij, verdachte, niet gerechtigd was;

2.

zij in of omstreeks de periode van 9 april 2009 tot en met 9 oktober 2009 in de gemeente [M.] en/of in de gemeente Maastricht en/of in de gemeente Valkenburg aan de Geul, althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid overschrijvingsformulieren en/of een bedrag aan geld (250 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte dat weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruikmaking van een wederrechtelijk verkregen en/of vals/vervalst overschrijvingsformulier;

3.

zij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2009 tot en met 18 oktober 2009 in de gemeente [M.] en/of in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas en/of een bedrag aan geld (1000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte dat weg te nemen bedrag aan geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruikmaking van een (wederrechtelijk verkregen) bankpas en/of bijbehorende pincode, tot welk gebruik zij, verdachte, niet gerechtigd was;

4.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 januari 2011 tot en met 26 januari 2011 in de gemeente Maastricht, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een bedrag aan geld (in totaal ongeveer 1600 euro), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan tankstation [naam tankstation] en/of aan [naam benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed/geld verdachte (telkens) uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als kassabediende bij voornoemd tankstation, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 december 2009 in de gemeente [M.], meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een bedrag aan geld (ongeveer 65 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een bedrag aan geld (ongeveer 50 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een bedrag aan geld (ongeveer 105 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een bedrag aan geld (ongeveer 30 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een bedrag aan geld (ongeveer 89 euro) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een bedrag aan geld (ongeveer 11,50 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/702624-11

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 30 mei 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de PI Zuid Oost - HvB Ter Peel te Evertsoord.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is NIET in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 16 mei 2011 heeft zij afstand gedaan van haar recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman R.W.J.L. Loonen/mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen.