Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ6288

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
03-703093-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY4565, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Meermalen verduistering uit hoofde van het beroep als tussenpersoon van verzekeringsgelden en meermalen valsheid in geschrift, verwerping verweer raadsman dat er geen sprake is van verduistering, oplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703093-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 april 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 maart 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: valse bankrekeningoverzichten heeft gebruikt, geleverd of voorhanden gehad, dan wel geldbedragen heeft verduisterd die zij uit hoofde van haar beroep onder zich had;

Feit 2: geldbedragen heeft verduisterd die zij uit hoofde van haar beroep onder zich had;

Feit 3: een valse “Internationale Motorrijtuigverzekeringskaart” heeft gebruikt, geleverd of voorhanden gehad, dan wel geldbedragen heeft verduisterd die zij uit hoofde van haar beroep onder zich had;

Feit 4: valse bankrekeningoverzichten heeft gebruikt, geleverd of voorhanden gehad, dan wel geldbedragen heeft verduisterd die zij uit hoofde van haar beroep onder zich had;

Feit 5: [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of verzekeringsmaatschappijen heeft opgelicht, dan wel geldbedragen heeft verduisterd die zij uit hoofde van haar beroep onder zich had.

Verbeterde schrijffout

Ten gevolge van een kennelijke schrijffout staat in de dagvaarding in regel 5 van het tenlastegelegde onder 4 primair [foutieve naam benadeelde partij 8] vermeld in plaats van [benadeelde partij 8].

De rechtbank herstelt deze fout, aangezien dit mogelijk is zonder dat verdachte daardoor in haar verdediging wordt geschaad.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding onvoldoende feitelijk is omschreven ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair, 4 subsidiair en 5 subsidiair. De verdediging is onvoldoende duidelijk welke feitelijke bedragen en welke feitelijke gedragingen van verdachte zouden moeten worden gekwalificeerd als verduistering (in functie).

De rechtbank overweegt dat, hoewel de verfeitelijking van de genoemde feiten uitgebreider had gekund, niet gezegd kan worden dat verdachte niet wist waartegen zij zich moest verdedigen. Onder ieder feit op de tenlastelegging worden immers de daarbij behorende zaaknummers weergegeven, die corresponderen met de zaaknummers in het dossier. In het corresponderende zaaksdossier is het verweten feitencomplex terug te vinden, zoals telkens in de verschillende onderdelen van de dagvaarding omschreven.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk is omschreven en voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en is van oordeel dat de dagvaarding geldig is.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 primair, 2, 3 subsidiair, 4 primair en 5 subsidiair wettig en overtuigend bewezen. De feiten 3 primair en 5 primair vindt zij niet wettig en overtuigend te bewijzen. Zij heeft daarvan vrijspraak gevorderd.

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 4 primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte deze feiten heeft bekend. Ten aanzien van de feiten 2, 3 subsidiair en 5 subsidiair heeft zij naar voren gebracht dat verdachte uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente gelden van klanten onder zich had en deze niet afdroeg aan de verzekeringsmaatschappijen, maar zich deze geldbedragen toegeëigende.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 4 primair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de feiten 3 primair en 5 primair heeft de raadsman tot vrijspraak geconcludeerd wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Ook heeft de raadsman bepleit verdachte vrij te spreken van alle ten laste gelegde verduisteringen, nu deze feiten niet kunnen worden gekwalificeerd als strafbare feiten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewijsoverweging

De raadsman heeft bepleit dat een bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair, 4 subsidiair en 5 subsidiair niet kan worden gekwalificeerd als verduistering. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de door de klanten betaalde bedragen onderdeel zijn geworden van het vermogen van [naam bedrijf 1 van verdachte] en daarom niet langer toebehoren aan de betreffende klanten en/of de verzekeringsmaatschappijen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte had een eenmanszaak genaamd [naam bedrijf 1 van verdachte] en was in haar hoedanigheid van tussenpersoon verantwoordelijk voor het afdragen van door klanten aan haar betaalde premies aan verzekeringsmaatschappijen. Een tussenpersoon ontvangt de premies van klanten onder de gehoudenheid deze op een in de betreffende polis overeengekomen datum af te dragen aan een verzekeringsmaatschappij. De momenten van ontvangst van de premies van klanten en betaling daarvan door de tussenpersoon aan de verzekeringsmaatschappij kunnen verschillen. Dat doet echter aan de gehoudenheid de premies af te dragen niet af. Verdachte heeft een zakelijke rekening geopend bij ING onder nummer [xxxxxx], waarop klanten de verschuldigde premies stortten. Verdachte heeft echter veelvuldig geld aan deze zakelijke rekening onttrokken ten behoeve van privé-uitgaven. Verdachte heeft als heer en meester over de door klanten gestorte geldbedragen beschikt en deze geldbedragen, die door klanten als premie voor de afgesloten verzekering(en) aan haar werden betaald, uitgegeven aan andere doeleinden dan de afdracht daarvan aan de betreffende verzekeringsmaatschappijen. Daarenboven geldt volgens vaste jurisprudentie dat gelden die iemand voor een ander bewaart ook bij vermenging met het geld van de bewaarnemer blijven toebehoren aan de bewaargever. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Feit 1

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde (gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst) wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting;

- het verhoor van aangeefster [benadeelde partij 3];

- de valse bankrekeningoverzichten;

- de bankafschriften van ING t.n.v. [naam bedrijf 1 van verdachte].

Feit 2

Op 23 februari 2010 deed [benadeelde partij 4] aangifte tegen verdachte, werkzaam als tussenpersoon bij [naam bedrijf 1 van verdachte] te Brunssum, nadat zij op onregelmatigheden was gestuit in door haar afgesloten verzekeringen. Van Reaal Verzekeringen, alwaar zij via verdachte twee autoverzekeringen had afgesloten, kreeg zij te horen dat zij geroyeerd was wegens een betalingsachterstand. Zij kreeg van verzekeringsmaatschappij Stad Rotterdam te horen dat de begrafenisverzekering niet meer betaald was sinds 2006. Van Fortis vernam zij dat de inboedelverzekering niet meer betaald was sinds 2007.

Op 2 juli 2010 werd aangeefster aanvullend gehoord. Zij verklaarde dat alle verzekeringen van het gezin via [naam bedrijf 1 van verdachte], via verdachte, liepen. Zij maakte maandelijks een bedrag van € 136,13 over naar bankrekeningnummer [xxxxxx] van [naam bedrijf 1 van verdachte]. Ook was zij inmiddels tot de ontdekking gekomen dat de premies van de WA-, opstal-, inboedel- en brand/glasverzekeringen sinds 2007 niet meer door [naam bedrijf 1 van verdachte] werden betaald, waardoor deze verzekeringen geroyeerd waren. Uit brieven van Fortis ASR, geadresseerd aan [benadeelde partij 5], [adresgegevens], het voormalige vestigingsadres van [naam bedrijf 1 van verdachte], blijkt dat zowel de opstal- als de inboedelverzekering per 27-02-2007 en 19-02-2007 zijn beëindigd wegens wanbetaling. Uit bankafschriften van [naam bedrijf 1 van verdachte], girorekening [xxxxxx], blijkt dat [benadeelde partij 5] van 2 januari 2006 tot en met 5 januari 2009 maandelijks een bedrag van € 136,13 overmaakte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het zou kunnen kloppen dat de betaalde geldbedragen niet altijd zijn afgedragen aan de verzekeringsmaatschappijen. Ook heeft zij verklaard dat van de zakelijke rekening privé-uitgaven werden gedaan, waardoor de premies niet werden doorbetaald.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente geldbedragen, die [benadeelde partij 5] maandelijks naar haar zakelijke rekening overmaakte, heeft verduisterd door deze geldbedragen niet af te dragen aan verzekeringsmaatschappijen, maar op te laten gaan in het bedrijf en te gebruiken voor privé-uitgaven.

Feit 3

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft gepleegd, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Op 13 maart 2010 deed [benadeelde partij 6] aangifte tegen verdachte. Verdachte was sinds 2002 tussenpersoon voor al haar verzekeringen. Iedere maand werd een bedrag van € 115, - automatisch overgeboekt naar rekeningnummer [xxxxxx] ten name van [naam bedrijf 1 van verdachte]. Aangeefster ontdekte dat de betaalde premies niet werden doorbetaald aan de verzekeringsmaatschappijen. In 2007 ontving zij de eerste brief van een deurwaarder, waarin stond dat er een betalingsachterstand was met betrekking tot de verzekeringspremie van een [merk auto]. Ook werd de verzekering van een andere auto in 2009 beëindigd wegens wanbetaling. Aangeefster verklaarde tijdens haar verhoor ook aangifte te doen namens haar man, [benadeelde partij 7]. Uit een brief van BAE Groep blijkt dat de inboedelverzekering van [benadeelde partij 7] per 31 maart 2007 is beëindigd wegens het niet betalen van de premie. Uit bankafschriften van [naam bedrijf 1 van verdachte], girorekening [xxxxxx], blijkt dat [benadeelde partij 7] van 2 januari 2006 tot en met 5 januari 2009 maandelijks een bedrag van € 115, - overmaakte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het zou kunnen kloppen dat de betaalde geldbedragen niet altijd zijn afgedragen aan de verzekeringsmaatschappijen. Ook heeft zij verklaard dat van de zakelijke rekening privé-uitgaven werden gedaan, waardoor de premies niet werden doorbetaald.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wel wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente geldbedragen, die [benadeelde partij 7] maandelijks naar haar zakelijke rekening overmaakte, heeft verduisterd door deze geldbedragen niet af te dragen aan verzekeringsmaatschappijen, maar op te laten gaan in het bedrijf en te gebruiken voor privé-uitgaven.

Feit 4

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde (gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst) wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting;

- de aangifte van [naam medewerker] namens Goudse Verzekeringen B.V.;

- het valse bankrekeningoverzicht;

- een bankafschrift t.n.v. [naam bedrijf 1 van verdachte].

Feit 5

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft gepleegd, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Op 8 juli 2010 deed [benadeelde partij 1], mede namens [benadeelde partij 2], aangifte tegen verdachte. Zij hadden alle verzekeringen ondergebracht via [naam bedrijf 1 van verdachte], via verdachte. In 2008 ontvingen zij post van Unigarant, waaruit bleek dat sprake was van achterstallige betaling van de autoverzekering. Zij maakten al jaren maandelijks de verschuldigde premie over via de bank naar rekeningnummer [xxxxxx] ten name van [naam bedrijf 1 van verdachte]. Verdachte zou dan namens [naam bedrijf 1 van verdachte] zorg dragen voor doorbetaling van de verschuldigde premies aan de betreffende verzekeringsmaatschappijen. Echter, in 2009 volgden dagvaardingen in verband met wanbetaling van de autoverzekering. Ook volgde een brief van het CJIB, waaruit bleek dat de auto in oktober 2008 niet verzekerd was. Uit een brief van BAE Groep aan [benadeelde partij 2] blijkt dat de motorrijtuigen-verzekering per 20-05-2009 is geroyeerd wegens wanbetaling. Uit bankafschriften van [naam bedrijf 1 van verdachte], girorekening [xxxxxx], blijkt dat [benadeelde partij 2] van 2 januari 2006 tot en met 5 januari 2009 maandelijks een bedrag van € 70, - overmaakte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het zou kunnen kloppen dat de betaalde geldbedragen niet altijd zijn afgedragen aan de verzekeringsmaatschappijen. Ook heeft zij verklaard dat van de zakelijke rekening privé-uitgaven werden gedaan, waardoor de premies niet werden doorbetaald.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wel wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente geldbedragen, die [benadeelde partij 2] maandelijks naar haar zakelijke rekening overmaakte, heeft verduisterd door deze geldbedragen niet af te dragen aan verzekeringsmaatschappijen, maar op te laten gaan in het bedrijf en te gebruiken voor privé-uitgaven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair

in het tijdvak van 24 november 2009 tot en met 20 juli 2010 in de gemeente Brunssum meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals bankrekeningoverzicht - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken en die valsheid hierin dat zij, verdachte, een persoon, genaamd [benadeelde partij 3], een bankrekeningoverzicht heeft toegezonden waarop in strijd met de waarheid was vermeld, zakelijk weergegeven, dat "[naam bedrijf 1 van verdachte]" een bedrag, groot 2827,80 Euro had overgemaakt naar "ASR Betalingscentrum BV ASR", terwijl zij wist dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik.

2.

in het tijdvak van 1 januari 2006 tot en met 23 februari 2010, in de gemeente Brunssum, meermalen opzettelijk een geldbedrag dat toebehoorde aan [benadeelde partij 4] en/of aan een verzekeringsmaatschappij, welk geldbedrag bestond uit een door die [benadeelde partij 4] betaalde verzekeringspremie en welk geldbedrag zij, verdachte uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

3. subsidiair

in het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 13 maart 2010, in de gemeente Brunssum, meermalen opzettelijk een geldbedrag dat toebehoorde aan [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 7] en/of aan een verzekeringsmaatschappij, welk geldbedrag bestond uit een door die [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 7] betaalde verzekeringspremie en welk geldbedrag zij, verdachte uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

4. primair

in het tijdvak van 27 september 2009 tot en met 10 mei 2010 in de gemeente Brunssum, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals bankrekeningoverzicht - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken en die valsheid hierin dat zij, verdachte, een persoon, genaamd [benadeelde partij 8], een bankrekeningoverzicht heeft toegezonden waarop, in strijd met de waarheid, was vermeld, zakelijk weergegeven, dat "[naam bedrijf 2 van verdachte]" op 30 november 2009 een bedrag, groot 795,82 Euro, had overgemaakt naar "De Goudse Schadeverz.", terwijl zij wist dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik.

5. subsidiair

in het tijdvak van 1 januari 2006 tot en met 8 juli 2010, in de gemeente Brunssum, meermalen opzettelijk een geldbedrag dat toebehoorde aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of aan een verzekeringsmaatschappij, welk geldbedrag bestond uit een door die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] betaalde verzekeringspremie en welk geldbedrag zij, verdachte uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

feit 2:

verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;

feit 3 subsidiair:

verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;

feit 4 primair:

opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als ware het echt en onvervalst;

feit 5 subsidiair:

verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat voor extra vergelding in de zin van gevangenisstraf in deze strafzaak geen plaats is. Hij heeft verzocht rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte en het feit dat in het reclasseringsadvies wordt gesproken van een laag recidiverisico. Hij heeft tevens verzocht de adviezen van de reclassering en de psycholoog te volgen en te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, gekoppeld aan een proeftijd met bijbehorende voorwaarden.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat van de op de dagvaarding vermelde ad informandum gevoegde feiten, alleen feit 5 kan worden meegenomen bij het bepalen van de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft als assurantietussenpersoon gedurende een lange periode geldbedragen verduisterd. Ook heeft zij gebruik gemaakt van valse geschriften door bankrekeningoverzichten te manipuleren om deze te kunnen gebruiken als bewijs van betaling.

De rechtbank acht het zeer kwalijk dat verdachte als tussenpersoon gelden heeft verduisterd van haar eigen cliënten. Zij droeg (een deel van) de door haar cliënten betaalde premies niet af aan verzekeringsmaatschappijen. Er is daarbij sprake geweest van het gedurende een lange periode stelselmatig en op geraffineerde wijze verduisteren van geldbedragen. Verdachte heeft daarmee een situatie doen ontstaan en over langere tijd laten voortbestaan, wetende dat haar cliënten (mogelijk) onverzekerd raakten. Daardoor hebben haar cliënten grote (financiële) risico’s gelopen. Daarbij komt dat bij de gedupeerden hierdoor de nodige onrust, overlast en ergernis is veroorzaakt. Verdachte heeft vooral haar eigen belangen nagestreefd en besteedde het geld van anderen alsof het haar eigen geld was. Verdachte had als tussenpersoon niet alleen een verantwoordelijke functie, maar ook een vertrouwensfunctie. Verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het in haar gestelde vertrouwen. Ook rekent de rechtbank verdachte zwaar aan dat zij gebruik heeft gemaakt van valse bankrekeningoverzichten om haar cliënten te laten denken dat zij wel premies aan verzekeringsmaatschappijen had betaald.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat in aanmerking genomen dat verdachte veelal de schuld buiten zichzelf legt en daarmee niet de volledige verantwoordelijkheid neemt voor haar daden. Naar het oordeel van de rechtbank ziet zij daarmee kennelijk niet of in elk geval onvoldoende de laakbaarheid van haar handelen in.

Verder heeft drs. J.E.J. Spée, GZ- psycholoog, een psychologisch onderzoek verricht naar de persoonlijkheid van verdachte. In het Pro Justitia-rapport van de psycholoog d.d. 14 januari 2011 wordt geconcludeerd dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. De rechtbank zal bij bepaling van de strafmaat rekening houden met deze conclusie.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat mede gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte en met de omstandigheid dat verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan oplichting, onder 5 ad informandum vermeld op de inleidende dagvaarding, voor welk feit verdachte niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd.

Nu het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting inzicht heeft verschaft in de omvang van de door verdachte toegebrachte schade, zal de rechtbank die omvang niet bij het bepalen van de strafmaat kunnen betrekken.

Alles overwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, een passende straf. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van de feiten tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

7 De benadeelde partijen

[benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een schadevergoeding van € 1.707,28 ter zake van feit 1.

De officier van justitie heeft als standpunt ingenomen dat de vordering geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft bepleit dat de vordering ziet op het ten laste gelegde onder 1 subsidiair en heeft tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij geconcludeerd bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder 1 primair. Indien verdachte wel ter zake feit 1 subsidiair veroordeeld zou worden, heeft de raadsman eveneens tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij geconcludeerd, nu verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank wel tot een inhoudelijke behandeling van de vordering komen, dan wordt deze vordering uitdrukkelijk door verdachte betwist. Verdachte betwist dat de rechtsbijstandverzekering en de pakketpolis geroyeerd zijn wegens wanbetaling. De stelpost is onvoldoende onderbouwd. De vordering dient in dit geval te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 1.707,28.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De kern van het aan verdachte gemaakte verwijt is dat zij, als tussenpersoon, de door benadeelde partij aan haar betaalde verzekeringspremies niet tijdig heeft betaald aan de verschillende verzekeringsmaatschappijen. Door het bewezenverklaarde feit onder 1 heeft verdachte getracht dit niet betalen van premies te verhullen. Ook de door benadeelde partij opgevoerde polissen zijn door de handelwijze van verdachte getroffen. Uit de stukken blijkt immers dat deze geroyeerd zijn wegens wanbetaling. De benadeelde partij heeft daardoor schade geleden.

De hoogte van de stelpost wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 300, -.

Nu aan verdachte ter zake van feit 1 primair een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[benadeelde partij 5]

De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert een schadevergoeding van € 20.861,33 ter zake van feit 2.

De officier van justitie heeft als standpunt ingenomen dat de vordering geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij geconcludeerd, nu verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank wel tot een inhoudelijke behandeling van de vordering komen, dan wordt deze vordering uitdrukkelijk door verdachte betwist. Het is de verdediging niet duidelijk waar de schade uit bestaat en wie daar verantwoordelijk voor is. Daarmee is de vordering niet van eenvoudige aard en dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering integraal af te wijzen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard van de vordering en het door de raadsman gevoerde verweer, de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering en zal bepalen dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 63, 225, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 3 primair en 5 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] van

€ 1707,28;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij 3], tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], € 1707,28 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 27 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 5] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.M. Goessen, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. C.M.W. Nobis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 april 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks het tijdvak van 24 november 2009 tot en met 20 juli 2010 in de gemeente(n) Kerkrade en/of Brunssum, in elk geval in Nederland, tesamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) bankrekeningoverzicht(en), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken en die valsheid hierin dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) een persoon, genaamd [benadeelde partij 3], een of meer bankrekeningoverzicht(en) heeft toegezonden waarop, (telkens) in strijd met de waarheid was vermeld, zakelijk weergegeven, dat "[naam bedrijf 1 van verdachte]" een bedrag, groot 2827,80 Euro had overgemaakt naar "ASR Betalingscentrum BV ASR", althans in die periode aldaar, tesamen en in vereniging met die ander(en), althans alleen, een of meermalen die/dat geschrift(en) opzettelijk hebben/heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad, terwijl zij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2004 tot en met 24 november 2009, in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij 3] en/of een of meer verzekeringsmaatschappij(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk(e) geldbedrag(en) (telkens) bestond(en) uit (een) door die [benadeelde partij 3] betaalde verzekeringspremie(s) en welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte en/of haar mededader(s) uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente, althans als werkneemster van een assurantiekantoor, en/of welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte en/of haar mededader(s) tegen geldelijke vergoeding,

in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich hebben/heeft toegeëigend.

2.

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2006 tot en met 23 februari 2010, in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij 4] en/of aan een of meer verzekeringsmaatschappijen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk(e) geldbedrag(en) (telkens) bestond(en) uit (een) door die [benadeelde partij 4] betaalde verzekeringspremie(s) en welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte en/of haar mededader(s) uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente, althans als werkneemster van een assurantiekantoor, en/of welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte en/of haar mededader(s) tegen geldelijke vergoeding, in elk geval anders dan door misdrijf,

onder zich had(den), wederrechtelijk zich hebben/heeft toegeëigend.

3.

zij in of omstreeks de maand februari 2010, in elk geval in of omstreeks het tijdvak van 1 februari 2010 tot en met 13 maart 2010 in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland,

tesamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste "Internationale Motorrijtuigverzekeringskaart", - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s) een persoon, genaamd [benadeelde partij 6] en/of een persoon, genaamd [benadeelde partij 7], een groene kaart met de vermelding: "Internationale Motorrijtuigverzekeringskaart" en het kenteken [XX-XX-XX] heeft verstrekt als ware deze groene kaart echt en onvervalst en bestaande die valsheid hierin dat op die groene kaart opzettelijk in strijd met de waarheid was vermeld, zakelijk weergegeven, dat het motorrijtuig met het kenteken [XX-XX-XX] was verzekerd in het tijdvak van 1 juli 2009 tot 30 juni 2010,

althans in die periode aldaar, tesamen en in vereniging met die ander(en), althans alleen, een of meermalen dat geschrift opzettelijk hebben/heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad, terwijl zij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 13 maart 2010, in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 7] en/of aan een of meer verzekeringsmaatschappijen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk(e) geldbedrag(en) (telkens) bestond(en) uit (een) door die [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 7] betaalde verzekeringspremie(s) en welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte en/of haar mededader(s) uit hoofde van haar beroep als

verzekeringsagente, althans als werkneemster van een assurantiekantoor, en/of welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte en/of haar mededader(s) tegen geldelijke vergoeding,

in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich hebben/heeft toegeëigend.

4.

zij in of omstreeks het tijdvak van 27 september 2009 tot en met 10 mei 2010 in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, tesamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst

bankrekeningoverzicht, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken en die valsheid hierin dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s) een persoon, genaamd [foutieve naam benadeelde partij 8], een bankrekeningoverzicht hebben/heeft toegezonden waarop, in strijd met de waarheid, was vermeld, zakelijk weergegeven, dat "[naam bedrijf 2 van verdachte]" op 30 november 2009 een bedrag, groot 795,82 Euro, had overgemaakt naar "De Goudse Schadeverz.", althans in die periode aldaar, tesamen en in vereniging met die ander(en), althans alleen, dat geschrift opzettelijk hebben/heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad, terwijl zij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 27 september 2009 tot en met 10 mei 2010, in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij 8] en/of aan een of meer verzekeringsmaatschappijen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk(e) geldbedrag(en) (telkens) bestond(en) uit (een) door die [benadeelde partij 8] betaalde verzekeringspremie(s) en welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte en/of haar mededader(s) uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente, althans als werkneemster van een assurantiekantoor, en/of welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte en/of haar mededader(s) tegen geldelijke vergoeding, in elk geval anders dan door misdrijf,

onder zich had(den), wederrechtelijk zich hebben/heeft toegeëigend.

5.

zij op of omstreeks 9 februari 2009, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 februari 2009 tot en met 8 juli 2010 in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer documenten en/of brieven en/of polissen, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid genoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] medegedeeld dat deze niet naar de zitting van

het Kantongerecht te Heerlen moesten gaan omdat het gewoon om een misverstand ging, dat zij, verdachte, het allemaal meteen zou gaan regelen met de gerechtsdeurwaarder en het Kantongerecht en/of dat zij, verdachte, alle stukken, brieven en polissen wilde meenemen omdat ze deze nodig had om alles te kunnen regelen, waardoor genoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2006 tot en met 8 juli 2010, in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of aan een of meer verzekeringsmaatschappijen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk(e) geldbedrag(en) (telkens) bestond(en) uit (een) door die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] betaalde verzekeringspremie(s) en welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte en/of haar mededader(s) uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente, althans als werkneemster van een assurantiekantoor, en/of welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte en/of haar mededader(s) tegen geldelijke vergoeding, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich hebben/heeft toegeëigend.