Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ4455

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
03/700146-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Herhaalde toepassing van dwangmiddelen

Hoger beroep tegen afwijzing herhaalde vordering tot inbewaringstelling door rechter-commissaris.

Rechtbank: Hoger beroep ongegrond nu geen sprake is van nova, die ten tijde van de eerste bewaring niet bekend waren en ook redelijkerwijze niet bekend konden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Maastricht]

parketnummer: 03/700146-11

RC-nummer: 11/386

Beslissing in de zaak:

[naam verdachte]

geboren [geboortegegevens verdachte]

wonende [adresgegevens verdachte]

PROCEDURE

Op 19 april 2011 heeft de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Maastricht [hierna: RC] de vordering inbewaringstelling ten aanzien van [naam verdachte] afgewezen.

Op 28 april 2011 heeft de officier van justitie [hierna: OvJ] hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing en gevorderd tot het bevelen van de bewaring ten aanzien van de [naam verdachte]. Op gelijke datum werd door de OvJ een appelschriftuur ingediend.

De OvJ en de raadsvrouwe van de [naam verdachte] werden in raadkamer gehoord op 4 mei 2011. De verdachte werd behoorlijk opgeroepen doch was niet verschenen.

BEVOEGDHEID

Gelet op het feit dat het in dezen gaat om een beslissing van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Maastricht, is de rechtbank bevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.

ONTVANKELIJKHEID

De OvJ heeft bij akte rechtsmiddel van 28 april 2011 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de RC van 19 april 2011 en heeft aan de voorgeschreven termijn voldaan. De OvJ kan in het hoger beroep worden ontvangen.

OVERWEGINGEN RECHTER-COMMISSARIS

Bij beschikking van 19 april 2011 heeft de RC de beslissing tot afwijzing van de vordering inbewaringstelling gemotiveerd. Kort samengevat overweegt de RC dat het herhaald indienen van een vordering tot inbewaringstelling – nadat een eerdere vordering betreffende hetzelfde feit c.q. feitencomplex door de RC werd toegewezen – in strijd is met zowel het systeem van de wet als met de beginselen van een goede procesorde.

OVERWEGINGEN OFFICIER VAN JUSTITIE

De OvJ heeft in zijn appelschriftuur - kort samengevat - aangevoerd:

- dat er weliswaar aanvankelijk voldoende ernstige bewaren aanwezig waren doch dat in het zicht van de aflopende termijn bewaring geconstateerd moest worden dat er onvoldoende onderzoeksmogelijkheden resteerden om tot opheldering van de zaak te komen en er aan het einde van de termijn bewaring wellicht onvoldoende ernstige bezwaren aanwezig zouden kunnen zijn om te kunnen komen tot een vordering gevangenhouding;

- dat in het belang van de waarheidsvinding besloten werd [naam verdachte] ,

aan wie de kleinste rol bij de geweldpleging werd toegedicht, eerder in vrijheid te stellen teneinde de mogelijkheid te krijgen tot het afluisteren en opnemen van telefoonverkeer tussen [naam verdachte] en diens vader [=[naam medeverdachte]]; [De rechtbank heeft in de stukken gezien dat [naam verdachte] op

1 april 2011 op vrije voeten is gesteld.]

- dat [naam medeverdachte] op 6 april 2011 op vrije voeten werd gesteld vanwege de afloop van de termijn van de bewaring;

- dat na het verkrijgen van nadere onderzoeksresultaten een hernieuwde vordering tot inbewaringstelling werd ingediend;

- dat de RC ten onrechte/op onjuiste gronden de vordering bewaring heeft afgewezen, nu:

- uit onderzoek - sinds het bevel bewaring en na beëindiging daarvan -

nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die voldoende aanleiding vormen voor de hernieuwde vordering bewaring;

- de ernst van het feit en het belang van de waarheidsvinding voorop hebben gestaan bij de afwegingen gedurende het onderzoek en dat het doen van een hernieuwde vordering bewaring noodzakelijk was gezien de vrees voor herhaling die aanwezig is en m.n. door het slachtoffer wordt ervaren;

- de vordering in de zaak van de [naam verdachte] – gezien het voren-

staande – niet in strijd is met het systeem van de wet – althans daarmee verenigbaar is – noch met de beginselen van een goede procesorde.

De OvJ concludeert tot vernietiging van de beschikking van de RC en

toewijzing van de vordering bewaring voor een termijn van 14 dagen.

OVERWEGINGEN RECHTBANK

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de OvJ – in bepaalde

gevallen – een herhaalde vordering tot inbewaringstelling kan indienen bij de

rechter-commissaris indien de vordering (opnieuw) betrekking heeft op

dezelfde verdenking / hetzelfde feitencomplex en de eerdere vordering tot inbewaringstelling werd toegewezen.

Met de RC is de rechtbank van oordeel dat zoveel mogelijk dient te worden voorkomen dat een verdachte terzake eenzelfde verdenking / hetzelfde feitencomplex herhaald wordt “lastiggevallen”. Daartoe dient een redelijke en billijke belangenafweging plaats te vinden. Denkbaar is evenwel een situatie waarbij – bijvoorbeeld gezien nieuwe feiten en omstandigheden [nova] – de uitwerking van de belangenafweging het herhaald toepassen van een dwangmiddel mogelijk moet maken. Van belang hierbij is dat het belang van de strafvordering zulks dan dringend moet vorderen en dat de nova ten tijde van de eerste toepassing van het dwangmiddel bij de strafvorderlijke autoriteiten niet bekend waren en ook redelijkerwijze niet bekend behoefden te zijn.

Indien sprake is van nova dient zich vervolgens de vraag aan of het belang van de strafvordering een herhaalde indiening van een vordering tot inbewaringstelling ten aanzien van dezelfde verdenking / hetzelfde feitencomplex dringend eist.

Uit de (herhaalde) vordering tot inbewaringstelling van de OvJ van 19 april 2011 blijkt dat door de OvJ als nova zijn vermeld:

- de herkenning van de hondjes van [naam verdachte en medeverdachte] door [getuige 1] en

- de uit opgenomen tapgesprekken blijkende betrokkenheid van [naam verdachte en medeverdachte] i.h.b.

het op de vordering beschreven gesprek tussen verdachte en [J].

Uit het dossier – pagina 30 – blijkt dat reeds op de dag van de aanhouding (21 maart 2011) van de [naam verdachte] [en de medeverdachte, zijn vader [naam medeverdachte]] 2 foto’s werden gemaakt van de in de woning/achter de woning van verdachte aangetroffen 3 honden. Deze foto’s werden op 4 april 2011 getoond aan de [getuige 1], die vervolgens een verklaring inzake de herkenning van de honden aflegde. Nu blijkens het dossier de [getuige 1] reeds eerder werd gehoord in de onderhavige aangelegenheid, onder meer op 25 maart 2011 valt niet in te zien waarom de foto’s pas op 4 april 2011 aan de [getuige 1] werden getoond. Nu de foto’s eerst op 4 april 2011 aan de getuige werden getoond is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van dit onderzoeksresultaat niet kan worden gesproken van een novum, hetwelk niet eerder bekend was dan wel redelijkerwijs niet eerder bekend behoefde te zijn.

Uit de opgenomen telefoongesprekken zoals weergegeven in het aanvullend dossier waaronder het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2011 blijkt niet van betrokkenheid van [naam verdachte] ten aanzien van de verdenkingen als opgenomen op de vordering tot inbewaringstelling. De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van deze opgenomen telefoongesprekken niet kan worden gesproken van nova, die een herhaalde indiening van de vordering tot inbewaringstelling zouden moeten kunnen rechtvaardigen.

-

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die een herhaalde indiening van de vordering tot inbewaringstelling ten aanzien van verdachte kan rechtvaardigen.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het door de OvJ herhaald / opnieuw indienen van een vordering tot inbewaringstelling ten aanzien van de [naam verdachte] aangaande dezelfde verdenking / hetzelfde feitencomplex de toets van redelijke en billijke belangenafweging niet kan doorstaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hoger beroep van de OvJ dient te worden afgewezen en dat de daarin besloten liggende vordering tot inbewaringstelling niet kan worden toegewezen.

HET RECHT

Gelet op de desbetreffende wetsartikelen;

BESLISSING

Verklaart het hoger beroep van de officier van justitie ongegrond;

Deze beschikking is aldus gegeven, 11 mei 2011,

door de rechtbank Maastricht, samengesteld uit:

mr. E.H.A.F.M. Krol, voorzitter

mr. J.H. Klifman, rechter

mr. E.B.A. Ferwerda, rechter

in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, opgesteld en ondertekend op 11 mei 2011.

De officier van justitie brengt deze beschikking ter kennisname aan de verdachte en gelast de tenuitvoerlegging daarvan.

Maastricht, 11 mei 2011,

de officier van justitie