Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ4356

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-05-2011
Datum publicatie
16-05-2011
Zaaknummer
AWB 11 / 617 + AWB 11 / 618 + AWB 11 / 619 + AWB 11 / 620
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen besluiten tot weigering exploitatievergunning voor een seksinrichting, intrekking exploitatievergunning voor een horecabedrijf, weigering bouwvergunning en intrekking vergunning ex artikel 3 Drank- en Horecawet. Geen spoedeisend belang voor treffen voorziening. Overwegingen ten overvloede met betrekking tot de vraag of advies Bureau Bibob aan (de motivering van) deze besluiten ten grondslag kan worden gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Procedurenummers: AWB 11 / 617 + AWB 11 / 618 + AWB 11 / 619 + AWB 11 / 620

Uitspraak

in de gedingen tussen

1) Aspasia BV, verzoekster,

2) [naam], verzoeker,

gezamenlijk aan te duiden als verzoekers,

en

1) de burgemeester van de gemeente Vaals,

2) het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Vaals,

gezamenlijk aan te duiden als verweerders.

Datum bestreden besluiten: 22 maart 2011

Kenmerk: 110024 11u0262

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 22 maart 2011 heeft verweerder sub 1 verzoeksters aanvraag van 8 februari 2010 om verlening van een exploitatievergunning voor een seksinrichting geweigerd (AWB 11/617) en de aan verzoekster op 14 augustus 2007 verleende exploitatievergunning voor een horecabedrijf ingetrokken (AWB 11/618). Voorts heeft verweerder sub 2 bij dit besluit verzoekers aanvraag van 3 september 2009 om verlening van een bouwvergunning geweigerd (AWB 11/619) en de aan verzoekster op 14 augustus 2007 verleende vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet ingetrokken (AWB 11/620).

Tegen deze besluiten is namens verzoekers bij brief van 18 april 2011 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Voorts is de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te treffen.

Verweerders hebben de stukken die op de zaken betrekking hebben ingezonden.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 10 mei 2011, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers, J.J.H.S. Thomassen, advocaat te Maastricht, alsmede door M.J.A.M. Tonnaer, advocaat te Geleen.

Voor verweerders is verschenen verweerder sub 1 in persoon, bijgestaan door de gemachtigde van verweerders, J.L. Stoop, advocaat te Roermond.

2. Overwegingen

In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, is bepaald dat, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt vast, dat aan de eerste twee in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu verzoekers bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten van verweerders van 22 maart 2011 ter zake waarvan een voorlopige voorziening is gevraagd en deze rechtbank bevoegd moet worden geacht om van de (mogelijke) hoofdzaken kennis te nemen.

Met betrekking tot het (ook) ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb vereiste, door verzoekers gestelde, spoedeisend belang, stelt de voorzieningenrechter vast dat dit (enkel) een financieel karakter draagt. Een zodanig belang vormt volgens vaste rechtspraak op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het staat verzoekers immers vrij schadevergoeding te vorderen indien de in geding zijnde besluiten in de bodemprocedure(s) niet in stand zouden kunnen blijven. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter wel in beeld kunnen komen indien het financiële belang zodanig zwaarwegend is dat sprake is van een actueel financiële noodsituatie of de continuïteit van een onderneming wordt bedreigd. In dat geval is het treffen van een voorziening evenwel nog niet gegeven, maar is een verdere toetsing en belangenafweging noodzakelijk.

Verzoekers hebben betoogd dat de besluiten tot gevolg hebben dat de onderneming niet langer kan worden geëxploiteerd, alsmede dat de inkomsten uit de onderneming voor verzoeker de enige bron van inkomsten vormen. Verzoekers zullen door het staken van de exploitatie in grote financiële problemen komen te verkeren.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers daarmee echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van de hiervoor bedoelde actuele financiële noodsituatie dan wel van een bedreiging van de continuïteit van de onderneming, in die zin dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. In dat verband acht de voorzieningenrechter van belang dat mede uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de exploitatie van de onderneming niet is gestaakt, zodat daaruit nog steeds inkomsten worden genoten. Verzoekers hebben ter zitting aangevoerd dat - na een publicatie in een regionaal dagblad waarin is vermeld dat door verweerders tot sluiting van de onderneming wordt overgegaan - de onderneming evenwel minder goed loopt. Bij sluiting van de onderneming zullen de vaste lasten niet meer betaald kunnen worden, aldus verzoekers. Daarnaast is in dit kader volgens verzoekers van belang dat bij verzoekster een aantal werknemers in dienst zijn.

Naar dezerzijds oordeel is het enkele feit dat de omzet reeds verminderd zou zijn echter onvoldoende om bovengenoemd spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verweerders thans (nog) niet tot handhaving zijn overgegaan. Verzoekers hebben ter zitting bovendien aangegeven dat zij de onderneming zullen blijven exploiteren, tot het moment waarop deze door verweerders (feitelijk) wordt gesloten. Derhalve zal eerst dan naar dezerzijds oordeel wellicht sprake kunnen zijn van een actuele financiële noodsituatie dan wel van een bedreiging van de continuïteit van de onderneming. Voor zover verzoekers hebben betoogd dat een faillissement van de onderneming thans al aanstaande is, had het op hun weg gelegen om dit - met stukken - te onderbouwen. Nu zij dit evenwel hebben nagelaten, slaagt dit betoog reeds daarom niet. Gelet op het feit dat van een actuele financiële noodsituatie dan wel van een bedreiging van de continuïteit van de onderneming thans niet is gebleken, ontberen de verzoeken onder voornoemde omstandigheden het voor het (eventueel) inwilligen daarvan noodzakelijke spoedeisende belang en komen zij reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

Onverminderd het vorenstaande overweegt de voorzieningenrechter, zij het gelet hierop geheel ten overvloede, het navolgende.

Verweerder sub 1 heeft bij het bestreden besluit de aan verzoekster op 14 augustus 2007 verleende exploitatievergunning voor het horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) ingetrokken op grond van artikel 2.3.1.2.5, tweede lid, onder e, van de APV. De door verzoekster op 8 februari 2010 aangevraagde exploitatievergunning voor een seksinrichting, als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV, heeft verweerder sub 1 geweigerd op grond van artikel 3.3.2, derde lid, van de APV.

Ingevolge artikel 2.3.1.2.5, tweede lid, onder e, van de APV, voor zover thans van belang, kan een vergunning (als bedoeld in artikel 2.3.1.2, van de APV) worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteits¬beoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob).

Ingevolge artikel 3.3.2, derde lid, van de APV, voor zover thans van belang, kan een vergunning (als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV) worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Verweerder sub 2 heeft bij het bestreden besluit verzoekers aanvraag van 3 september 2009 voor het veranderen en vergroten van het bedrijfspand met twee ondergrondse bouwlagen op grond van artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet geweigerd. De aan verzoekster op 14 augustus 2007 verleende vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet heeft verweerder sub 2 ingetrokken op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van deze wet.

Ingevolge artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding en voor zover thans van belang, kan de reguliere bouw¬vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Drank- en Horecawet kan een vergunning (als bedoeld in artikel 3 van deze wet) worden ingetrokken indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerders aldus artikel 3 van de Wet Bibob ten grondslag hebben gelegd aan de intrekkingen respectievelijk de weigeringen van de desbetreffende vergunningen, derhalve aan alle in geding zijnde besluiten.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt ingevolge het tweede lid van artikel 3 van de Wet Bibob de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Voorop wordt gesteld dat verweerders een discretionaire bevoegdheid hebben bij de hiervoor genoemde intrekkingen en weigeringen van de vergunningen, zodat de rechter in dezen slechts een marginale toetsing toekomt.

In het kader van de weigering tot verlening van een exploitatievergunning voor de seksinrichting overweegt de voorzieningenrechter allereerst het volgende omtrent het betoog van verzoekers dat het maken van een doorgang van het bedrijfspand naar het naastgelegen pand een herstelbaar feit betreft en derhalve thans niet kan worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan aan deze stelling niet het gewicht worden toegekend dat verzoekers hieraan toegekend wensen te zien. Voornoemd feit is door verweerder sub 1 namelijk niet ten grondslag gelegd aan de weigering tot verlening van deze exploitatievergunning, doch enkel als grond genoemd voor het van rechtswege vervallen van de voorheen geldende exploitatievergunning, hetgeen thans niet ter discussie staat. Van een onvoldoende draagkrachtige motivering is derhalve evenmin sprake, zodat dit betoog niet slaagt.

Verweerder sub 2 heeft verzoeker verzocht een Bibob-vragenformulier in te vullen bij de aanvraag om de bouwvergunning, omdat twijfel bestond omtrent de financiering van de bouw. Naar aanleiding daarvan is het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Bureau Bibob) gevraagd om een advies uit te brengen. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat evenwel niet is gemotiveerd op grond waarvan twijfel omtrent de financiering bestond. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Bij besluit van 4 juli 2005 heeft de raad van de gemeente Vaals de “BIBOB beleidslijn vergunningen horeca-inrichtingen, seksinrichtingen en speelautomatenhallen” (hierna: beleid) vastgesteld.

Volgens paragraaf II van het beleid, voor zover thans van belang, dient, voordat Bureau Bibob ingeschakeld kan worden, de gemeente eerst een eigen onderzoek uit te voeren. Bij het verrichten van het eigen onderzoek door de gemeente dient een onderscheid gemaakt te worden tussen een ‘lichte toets’ en een ‘diepgaande toets’. Met een lichte toets wordt een globaal onderzoek van de door betrokkene overlegde bescheiden bedoeld. Komt daaruit iets opvallends naar voren, bijvoorbeeld een merkwaardige financiering, dan kunnen de bescheiden nauwkeuriger gecheckt worden. Dit is de diepgaande toets. Afhankelijk van de resultaten van de diepgaande toets kan vervolgens advies aan Bureau Bibob gevraagd worden.

Volgens paragraaf IV van het beleid, voor zover thans van belang, wordt bij de aanvraag voor het exploiteren van een seksinrichting de ‘lichte toets’ als het ware overgeslagen; er wordt meteen gestart met de ‘diepgaande toets’.

Volgens paragraaf II, onderdeel a, onder 4, van het beleid, voor zover thans van belang, kan het bestuursorgaan een advies aanvragen bij Bureau BIBOB indien na de diepgaande toets nog vragen blijven bestaan. Dit wordt in ieder geval gedaan in de volgende gevallen:

- er blijven vragen bestaan over de bedrijfsstructuur;

- er blijven vragen bestaan over de financiering van het bedrijf;

- er blijven vragen bestaan over de omstandigheden in de persoon van de aanvrager, de financier van de onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd (…).

De voorzieningenrechter overweegt dat uit het verzoekformulier voor het Bibob-advies blijkt dat tijdens een interne controle de opgave van de bouwkosten niet acceptabel bleek te zijn en dat de bouwkosten vastgesteld werden op een bedrag van € 480.000,- in plaats van de door verzoekers aangegeven € 90.000,-. Voorts blijkt uit dit formulier dat verzoekers diverse malen zijn gerappelleerd voor de benodigde informatie en bescheiden, vooral wat betreft de financiering van de bouwkosten, hetgeen ook uit enkele van de zich in het dossier bevindende brieven blijkt. Daarnaast hebben verweerders daarbij in aanmerking genomen dat financiële instellingen niet snel genegen waren verzoeker een lening te verstrekken, waardoor uiteindelijk een lening is afgesloten met een privé-investeerder. In de stukken bevindt zich tevens een brief van 29 april 2010 van verweerder sub 2, gericht aan verzoeker, waarin een aantal vragen wordt gesteld omtrent deze lening. Gelet op het voorgaande heeft verweerder sub 2 derhalve naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen stellen dat gerede twijfel bestond omtrent de financiering van de bouwwerkzaamheden, welke twijfel naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkens de stukken bij verzoekers genoegzaam bekend was.

Voor zover verzoekers in dit verband hebben beoogd te betogen dat verweerders niet bevoegd waren een advies aan te vragen bij Bureau Bibob overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Blijkens een zich in het dossier bevindende brief van 12 mei 2010 gericht aan verzoekers, bleef volgens verweerders onduidelijkheid bestaan over de bedrijfsstructuur, de financiële stromen en de beslissingsbevoegdheden binnen het bedrijf, nadat desgevraagd door verzoeker informatie daarover was aangeleverd. Dit blijkt eveneens uit het verzoekformulier voor het Bibob-advies. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders zich niet op dit standpunt hebben kunnen stellen. Op grond van de bij verweerders bestaande vragen over de bedrijfsstructuur, de financiële stromen en de beslissingsbevoegdheden binnen het bedrijf hebben zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook vervolgens in redelijkheid - in overeenstemming met het beleid - kunnen overgaan tot het vragen van een Bibob-advies, zodat het betoog van verzoekers in dit kader niet slaagt.

Niet in geschil is dat verweerders de aanvragen om de vergunningen hebben afgewezen, omdat volgens hen uit het advies van 4 augustus 2010 en het nader advies van 25 februari 2011 van Bureau Bibob (hierna: de adviezen) omstandigheden naar voren komen die erop wijzen dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten dan wel dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Volgens verweerders zijn de adviezen zorgvuldig tot stand gekomen en kunnen de in de adviezen genoemde feiten de in de adviezen getrokken conclusies dragen.

De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de adviezen. Blijkens deze adviezen heeft Bureau Bibob gesteld dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de beschikkingen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Deze ernstige vermoedens zijn gebaseerd op het (vermoedelijk) structureel in strijd handelen met belastingwetgeving in de periode 1999 tot 2007, hetgeen volgens Bureau Bibob verzoekers een groot financieel voordeel heeft opgeleverd. Bureau Bibob heeft daarbij de hoogte van de naheffingsaanslagen, vergrijpboetes en overige schulden die door de belastingdienst aan verzoekers in die periode zijn opgelegd in aanmerking genomen. Daarnaast heeft Bureau Bibob, zij het in mindere mate, in dit advies meegewogen het financieel voordeel dat is behaald in de periode van maart 1995 tot en met mei 1996 dat verband houdt met verzoekers veroordeling voor mensenhandel en deelneming aan een criminele organisatie. Bureau Bibob heeft aannemelijk geacht dat verzoeker een aanzienlijk deel van de inkomsten uit prostitutieactiviteiten (vermoedelijk) buiten de kasadministratie heeft gehouden en over een deel van deze winst (vermoedelijk) nooit belasting heeft betaald.

Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat van structureel handelen in strijd met belastingwetgeving in de periode van 1999 tot en met 2007 geen sprake was. Het betrof namelijk een problematiek waarmee nagenoeg alle exploitanten van seksinrichtingen in die tijd werden geconfronteerd, waarvan de meerderheid een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met de belastingdienst. De belastingrechter heeft verzoekers in het gelijk gesteld ten aanzien van de vraag of een arbeidsrelatie bestond tussen de exploitant en de in de inrichting werkzame prostituees, maar verzoekers in het ongelijk gesteld voor wat betreft de hoogte van de af te dragen BTW, namelijk 19% in plaats van 6%. Door de sluiting van een vaststellingsovereenkomst met de belastingdienst is het door verzoekers tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep ingetrokken.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) mag het bestuursorgaan afgaan op de expertise van Bureau Bibob, tenzij de in het advies vermelde gegevens de bevindingen duidelijk niet kunnen dragen, bijvoorbeeld omdat ze daarvoor te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 17 november 2010 (LJN BO4230) en 8 juli 2009 (LJN BJ1892).

Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009 overweegt de voorzieningenrechter dat het met recht inroepen van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob vergt dat aannemelijk is dat bepaalde strafbare feiten zijn gepleegd. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet Bibob met de zinsnede ‘feiten en omstandigheden’ in artikel 3, tweede lid, van deze wet wordt aangegeven dat er concrete indicaties dienen te zijn gevonden voor betrokkenheid bij strafbare feiten als bedoeld in onderdeel a van het eerste lid. Deze feiten en omstandigheden kunnen blijken uit justitiële en politiële gegevens, zoals al dan niet onherroepelijke veroordelingen van de in het onderhavige artikel bedoelde natuurlijke en rechtspersonen, door hen aangegane transacties en de hen betreffende opsporings- en vervolgingsacties (Tweede Kamer 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 61/62).

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verweerders onder verwijzing naar de adviezen van Bureau Bibob in het onderhavige geval niet - althans niet zonder nadere motivering - aannemelijk mogen achten dat door verzoekers strafbare feiten zijn gepleegd. De gegevens in deze adviezen kunnen naar dezerzijds oordeel de daarin vermelde conclusies op dit onderdeel namelijk niet dragen. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

De vaststellingsovereenkomst tussen verzoekers en de belastingdienst, alsmede de overige

- in het advies van 4 augustus 2010 opgenomen - gegevens van de belastingdienst vormen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen concrete feiten en omstandigheden waaruit een betrokkenheid bij strafbare feiten blijkt. Verweerders hebben in navolging van Bureau Bibob in de bestreden besluiten van belang geacht dat gedurende een lange periode sprake is van oplegging van naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffing, alsmede dat deze met een boete van 25% zijn opgelegd. Door Bureau Bibob is in dit verband gemotiveerd dat uit het onderzoeksrapport van de belastingdienst is gebleken dat verzoeker heeft getracht de bedrijfsvoering dusdanig te structureren dat van belastingplicht voor de omzetbelasting en inhoudingsplicht voor de loondienst geen sprake kon zijn. Uit dit rapport is voorts gebleken dat het verzoeker evenwel duidelijk had moeten zijn dat sprake was van één dienst ten aanzien van de ontvangsten van de prostituees en de ontvangsten van kamerverhuur, aldus Bureau Bibob. Volgens de adviezen heeft de belastingdienst ten aanzien van de loonheffing vastgesteld dat de bedrijfsstructuur, met name de gezagsverhouding, dusdanig hetzelfde is gebleven, dat het verzoeker duidelijk had moeten zijn dat sprake was van loondienst. Het gevolg van het handelen van verzoeker is dat de aangiften loonbelasting en loonheffingen tot een aanzienlijk te laag bedrag zijn gedaan, waarbij de belastingdienst heeft gesteld dat sprake is van grove schuld.

De voorzieningenrechter overweegt dat blijkens het aanvullend advies van 25 februari 2011, dat in het besluit ten grondslag is gelegd aan de weerlegging van de zienswijzen, Bureau Bibob evenwel niet heeft geconcludeerd dat sprake is van belastingontduiking of (belasting-) fraude, doch ‘slechts’ dat een ernstig vermoeden bestaat dat in strijd is gehandeld met belastingwetgeving. Daarbij is, zoals reeds is overwogen, van belang geacht dat de naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffing met een boete van 25% zijn opgelegd. Anders dan Bureau Bibob en verweerders acht de voorzieningenrechter echter in dit kader van belang dat naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is vastgesteld dat het in dezen kennelijk vergrijpboetes in de zin van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen betreft, welke als bestuurlijke boetes zijn aan te merken. In zoverre kan uit het enkele gegeven dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd met een boete van 25% naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geconcludeerd dat aldus aannemelijk is dat van strafbare feiten sprake is, waaruit voordeel zou zijn behaald. Dit klemt te meer nu Bureau Bibob uitdrukkelijk heeft opgemerkt dat het nimmer de term belastingontduiking dan wel (belasting)fraude heeft gebruikt. Verweerders conclusie dat uit de gegevens van de belastingdienst naar voren komt dat verzoekers opzettelijk te weinig belasting hebben betaald, hetgeen zich uit in het aantal en de hoogte van de naheffingsaanslagen, vergrijpboetes en overige schulden, kan daarom naar dezerzijds oordeel niet door deze gegevens worden gedragen. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat - mede gelet op de door verzoekers overgelegde brief van 5 mei 2011 van de Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven - verzoekers aannemelijk hebben gemaakt dat de belastingdienst vaststellingsovereenkomsten heeft gesloten met meer exploitanten van seksinrichtingen, hetgeen eveneens afdoet aan de conclusies van Bureau Bibob op dit punt. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband ten slotte dat uit de adviezen die aan de besluiten ten grondslag zijn gelegd niet gebleken is van overige feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet Bibob, zoals justitiële en politiële gegevens.

Verweerders hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter de besluiten derhalve niet mogen baseren op het negatief advies van het Bureau Bibob, voor zover betrekking hebbende op de conclusie dat aannemelijk is dat structureel in strijd is gehandeld met belastingwetgeving in de periode 1999 tot 2007, hetgeen financieel voordeel zou hebben opgeleverd.

De voorzieningenrechter overweegt vervolgens als volgt ter zake de conclusie van Bureau Bibob dat financieel voordeel is behaald in de periode van maart 1995 tot en met mei 1996 in verband met verzoekers veroordeling voor mensenhandel en deelneming aan een criminele organisatie. Het betoog van verzoekers dat sprake is van een gewijzigde rechterlijke opvatting omtrent de strafwaardigheid van het feit waarvoor verzoeker is veroordeeld, dat als mensenhandel is gekwalificeerd, slaagt niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat de juistheid van de strafrechtelijke veroordeling in deze procedure namelijk niet ter toetsing en heeft deze als uitgangspunt te gelden. Overigens zijn deze strafbare feiten op zichzelf niet ten grondslag gelegd aan de besluiten van verweerders, maar enkel het daaruit verkregen voordeel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verweerders zich ten aanzien van de conclusie van het Bureau Bibob dat aannemelijk is dat verzoekers financieel voordeel hebben behaald in de periode van maart 1995 tot en met mei 1996 in verband met verzoekers veroordeling voor mensenhandel en deelneming aan een criminele organisatie kunnen baseren op de adviezen. Uit de daarin genoemde gegevens is geconcludeerd dat verzoeker meer voordeel heeft genoten dan hetgeen hem strafrechtelijk is ontnomen. Deze gegevens kunnen de conclusies op dit onderdeel naar dezerzijds oordeel dragen; verzoekers hebben onvoldoende onderbouwd waarom dit niet het geval zou zijn. Nu uit de adviezen en uit de bestreden besluiten evenwel blijkt dat dit financieel voordeel in mindere mate is meegewogen, is de voorzieningenrechter - mede in aanmerking nemende dat deze feiten zich niet recent hebben voorgedaan - van oordeel dat de besluiten niet alleen op grond hiervan kunnen worden gedragen. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat verweerders zich ter zitting op het standpunt hebben gesteld dat dit feit in samenhang moet worden bezien met het gestelde structureel in strijd handelen met belastingwetgeving in de periode 1999 tot 2007.

Gelet op het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het onaannemelijk dat de bestreden besluiten als zodanig in een eventuele hoofdzaak de rechterlijke toets zouden kunnen doorstaan. Nu - zoals reeds is overwogen - de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening evenwel het ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb vereiste spoedeisend belang ontberen, komen deze verzoeken hierom niet voor toewijzing in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt daarom als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M.M. Kleijkers, rechter, in tegenwoordigheid van A.W.C.M. Frings, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2011.

w.g. A. Frings w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Verzonden:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.