Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ3944

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
03/702839-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Beperkingen als bedoeld in artikel 62 tweede lid Sv door officier van

justitie opgeheven. Door raadsman verdachte wordt bezwaarschrift tegen beperkingen ex artikel 62a lid 4 Sv niet ingetrokken met oog op het kunnen doen

van een verzoek tot opheffing, subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis.

Rechtbank: verdachte niet ontvankelijk ten aanzien van bezwaarschrift

beperkingen; wel ontvankelijk in doen verzoek opheffing/ schorsing van de

voorlopige hechtenis. Afwijzing verzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

AFWIJZING VERZOEK OPHEFFING / SCHORSING VOORLOPIGE HECHTENIS.

Parketnummer: 03/702839-11

De rechtbank te Maastricht;

Gezien de verzoeken, gedaan op 21 april 2011, van de verdachte:

[naam verdachte]

geboren op [geboortegegevens verdachte]

wonende te [adresgegevens verdachte]

thans verblijvende: PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard

tot opheffing / schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

Gezien het bevel tot gevangenhouding d.d. 07 april 2011.

Gelet op het verhandelde ter zitting, zoals bij daarvan afzonderlijk opgemaakt proces-verbaal;

Overwegende dat door de raadsman van de verdachte een bezwaarschrift beperkingen als bedoeld in artikel 62a lid 4 Sv werd ingediend op 19 april 2011;

Overwegende dat ingevolge artikel 23 tweede lid Sv het openbaar ministerie, de verdachte en diens raadsman werden opgeroepen teneinde op het bezwaarschrift te worden gehoord en dat niet is gebleken van een omstandigheid als bedoeld in artikel 23 vijfde lid Sv;

Overwegende dat de beperkingen als bedoeld in artikel 62 tweede lid Sv door de officier van justitie werden opgeheven op 20 april 2011 zodat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in diens bezwaarschrift en dat deze beslissing door de rechtbank apart werd geminuteerd op 22 april 2011;

Overwegende dat door de raadsman van de verdachte – na schriftelijke aankondiging aan de rechtbank bij schrijven van 20 april 2011 en in kopie aan de officier van justitie – mondeling ter zitting in raadkamer een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, subsidiair een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis werd gedaan en dat geen wetsbepaling zich verzet tegen het in raadkamer indienen van deze verzoeken. De omstandigheid dat de verzoeken werden gedaan ter gelegenheid van het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de beperkingen terwijl – inmiddels – deze beperkingen reeds waren opgeheven, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte dan ook ontvankelijk in diens verzoeken tot opheffing van de voorlopige hechtenis en (subsidiair) tot schorsing van de voorlopige hechtenis;

Overwegende dat de rechtbank van oordeel is dat ten aanzien van de feiten 1 en 4 zoals omschreven op de vordering bewaring de ernstige bezwaren nog bestaan;

Overwegende dat ten aanzien van feit 1 – opzettelijk aanwezig hebben op of omstreeks 22 maart 2011 te Beek van een hoeveelheid van ongeveer 2535 gram hennep als bedoeld op lijst II Opiumwet – de onderzoeksgrond niet langer van toepassing wordt geacht. De rechtbank is van oordeel dat de noodzaak van de onderzoeksgrond en het bestaan van collusiegevaar ten aanzien van dit feit onvoldoende is geconcretiseerd. De rechtbank heeft hierbij tevens acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte op 22 maart 2011 werd aangehouden en dat inmiddels sedertdien ruim vier weken zijn verstreken;

Overwegende dat ten aanzien van feit 4 – “witwassen” – de onderzoeksgrond nog van toepassing is, gelijk de rechtbank van oordeel was ten tijde van het beslissen op de vordering gevangenhouding op 7 april 2011. De rechtbank begrijpt dat o.a. ten aanzien van de bij verdachte aangetroffen grote som contant geld de herkomst nog niet duidelijk is en onderwerp van onderzoek is, gelijk de bij verdachte aangetroffen en in beslag genomen administratie die tevens nog wordt onderzocht. Gelet op vorenstaande en gehoord de officier van justitie, dat ter zake nog verdachten en getuigen dienen te worden gehoord, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van dit feit de onderzoeksgrond nog van toepassing is. De omstandigheid, dat inmiddels de beperkingen door de officier van justitie zijn opgeheven doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af;

Overwegende dat de rechtbank van oordeel is dat ten aanzien van de feiten 1 en 4 zoals omschreven op de vordering bewaring de recidivegrond van toepassing is. De rechtbank heeft hierbij tevens betrokken de vermeldingen op de Justitiële Documentatie van verdachte betreffende veroordelingen in zake overtreding van de Opiumwet (Meervoudige Kamer 2 februari 2011 en Politierechter 20 januari 2004);

Gelet op vorenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis vanwege het bestaan van ernstige bezwaren en het van toepassing zijn van de recidivegrond [feiten 1 en 4] en de onderzoeksgrond [feit 4] dient te worden afgewezen;

Overwegende dat het nog van toepassing zijn van de onderzoeksgrond in dezen een toewijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis (nog) in de weg staat en dat – gelet ook op vorenstaande – de aangevoerde persoonlijke belangen van verdachte niet van zodanig aard en omvang zijn dat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis op dit moment dient te worden toegewezen. De rechtbank heeft hierbij tevens acht geslagen op de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van de echtgenote van verdachte inmiddels werd geschorst zodat hierdoor in de zorg voor de drie kinderen is voorzien;

Overwegende dat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis dient te worden afgewezen;

BESCHIKKING:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gedaan in raadkamer dezer rechtbank op 22 april 2011

door mr. E.H.A.F.M. Krol, rechter

in tegenwoordigheid van E.H.M. Bisscheroux-Heijnens, griffier.