Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ2268

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
03/703212-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7357, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Verdachte heeft het slachtoffer in het onderhavige geval dusdanig bedreigd dat bij haar de indruk is gevestigd dat zij zou worden neergeschoten. Zij is onder die bedreiging naar haar auto gevoerd en ingestapt. Zij kon zich vanwege die bedreiging niet uit die auto verwijderen. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze situatie als vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr. te worden gezien. Tevens eendaadse samenloop tussen artt. 282 en 284 Sr. De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij door criminelen gedwongen was tot het plegen van de overval op de [een supermarkt]. De rechtbank veroordeelt verdachte voor die overval, de daarop volgende vrijheidsberoving van een voorbijgangster en de bedreiging van een andere omstander tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaren. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een echt en geladen pistool en het feit dat verdachte in 2004 reeds was veroordeeld wegens soortgelijke feiten tot een gevangenisstraf van zeven jaren, hij kort na zijn vrijlating opnieuw is veroordeeld voor een soortgelijk feit en een poging diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703212-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 april 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens ],

wonende te [adresgegevens ],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 april 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander geprobeerd heeft onder bedreiging van een pistool geld te

stelen van [naam slachtoffer 1 ] en/of [naam slachtoffer 2 ];

Feit 2: samen met een ander onder bedreiging van een pistool een roofoverval heeft

gepleegd op een supermarkt;

Feit 3: door bedreiging met een pistool [naam slachtoffer 3 ] en [naam slachtoffer 4 ] heeft gedwongen tot

afgifte van geld;

Feit 4: [naam slachtoffer 5 ] van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden en haar onder bedreiging van een pistool heeft gedwongen om met verdachte als passagier in haar auto weg te rijden;

Feit 5: [naam slachtoffer 5 ] onder bedreiging van een pistool heeft gedwongen om met verdachte als

passagier in haar auto weg te rijden;

Feit 6: [naam slachtoffer 6 ] heeft bedreigd door een pistool op hem te richten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Ze heeft daartoe – in woorden en weergave van de rechtbank – het volgende aangevoerd.

Feit 1

De officier van justitie acht de poging om [naam slachtoffer 2 ] en [naam slachtoffer 1 ] te overvallen wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het feit dat diverse getuigen, waaronder beide aangevers, hebben verklaard dat op de scooter waarmee de overvallers bij [naam slachtoffer 2 ] en [naam slachtoffer 1 ] aankwamen de kap onder het stuur ontbrak en dat bij de scooter, met behulp waarvan even later die dag de overval op de [naam supermarkt] is gepleegd, deze kap ook ontbrak;

- de verklaring van getuige [getuige 1] inhoudende dat de scooter waarop de overvallers van [naam slachtoffer 2 ] en [naam slachtoffer 1 ] aan kwamen rijden een raar geluid maakte en de verklaring van getuige [getuige 2] dat zij in Schinnen en even later in Oirsbeek, waar nog weer iets later de [naam supermarkt] is overvallen, een scooter met twee personen met bivakmutsen erop heeft gezien die een opvallend geluid maakte;

- het feit dat de beschrijving van de kleding van de bijrijder bij de overval op [naam slachtoffer 2 ] en [naam slachtoffer 1 ], die door getuige [getuige 1] en getuige [getuige 3] wordt gegeven, overeenkomt komt met de kleding die verdachte droeg tijdens de overval op de [naam supermarkt];

- het feit dat het, gelet op de tijd die ligt tussen het plegen van feit 1 en feit 2, mogelijk is om met een scooter van de ene naar de andere pleegplaats te rijden en dan een tussenstop in Schinnen te maken.

Dit alles maakt het dat volgens de officier van justitie feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Feit 2 en 3

De feiten 2 en 3 kunnen volgens de officier van justitie eveneens bewezen worden, gelet op de aangiftes en het feit dat verdachte de overval op de [naam supermarkt] te Oirsbeek heeft bekend.

Feit 4 en 5

Ook de feiten 4 en 5 komen voor bewezenverklaring in aanmerking, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte en de verklaringen van diverse getuigen.

Feit 6

Toen verdachte de feiten 4 en 5 pleegde, heeft hij met zijn wapen gezwaaid naar de mensen die in zijn nabijheid waren en die hem probeerden te overmeesteren. Aangever [naam slachtoffer 6 ] was een van die mensen. Feit 6 kan daarom eveneens wettig en overtuigend worden bewezen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. De raadsman heeft erop gewezen dat de vele getuigen diverse, onderling sterk verschillende signalementen van de daders hebben gegeven. Ook de beschrijvingen van de bij de overval gebruikte scooter lopen zeer uiteen. Verder heeft de raadsman er nog op gewezen dat één van de getuigen van de overval op de [naam supermarkt] juist heeft verklaard dat de daar gebruikte scooter geen opvallend geluid produceerde. Er is kortom te veel onzekerheid over wie nu wat juist heeft gezien met als gevolg dat hetgeen ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Feit 2 en 3

Verdachte heeft deze feiten bekend en de raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 4 en 5

De raadsman heeft erop gewezen dat de feitelijke handelingen bij feit 4 en 5 overeenkomen. Aangeefster [naam slachtoffer 5 ] is door verdachte naar de auto gevoerd en is, met verdachte, vervolgens met een lage snelheid weggereden. Ze hebben daarbij een afstand van maximaal tien meter gereden, alvorens verdachte werd overmeesterd. Verdachte heeft aangeefster gedwongen om hem te vervoeren, maar niet elke dwang is ook een vrijheidsberoving en andersom. Het kan immers, reeds gelet op de verschillende strekkingen en de grote verschillen in de strafmaxima, niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat dwang en vrijheidsberoving hetzelfde zijn. In het onderhavige geval kan er niet gesproken worden van vrijheidsberoving, gelet op de korte tijd die een en ander heeft geduurd. Het naar de auto begeleiden moet gezien worden als dwang en niet als een vrijheidsberoving.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 5 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 6

De raadsman heeft ten aanzien van feit 6 geen verweer gevoerd.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 10 juli 2010 werd er te Hoensbroek door twee mannen op een scooter onder bedreiging van een vuurwapen geprobeerd om [naam slachtoffer 1 ] en [naam slachtoffer 2 ] de opbrengst van hun drankenhandel afhandig te maken.

Van deze poging tot overval zijn verschillende mensen getuige geweest. Al deze getuigen hebben beschrijvingen gegeven van de overvallers en/of de door hen gebruikte scooter en/of het door hen gebruikte wapen. Deze beschrijvingen verschillen aanzienlijk van elkaar. Weliswaar geven twee van de getuigen een beschrijving van de kleding die past bij de kleding die verdachte op die bewuste dag droeg, maar vele andere getuigen geven geheel andere beschrijvingen van de kleding van de overvallers bij feit 1. Hetzelfde geldt min of meer voor het specifieke geluid dat de scooter gemaakt zou hebben volgens twee getuigen. Er is immers ook een getuige bij de [naam supermarkt] die nadrukkelijk stelt dat de scooter juist zo stil was. De rechtbank kan niet vaststellen wie van de getuigen zich vergist in zijn beschrijving en wie niet. Door de grote verschillen in de getuigenverklaringen en omdat er behalve de getuigenverklaringen geen ander bewijs in het dossier aanwezig is, blijft er te veel ruimte over voor twijfel of de beschrijvingen die de getuigen geven op verdachte slaan.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Feit 2 en 3

Verdachte heeft bekend dat hij samen met een ander op 10 juli 2010 in Oirsbeek, gemeente Schinnen, de daar gelegen [naam supermarkt] supermarkt heeft overvallen. Hij heeft daarbij met een wapen de caissières [naam slachtoffer 4 ] en [naam slachtoffer 3 ] bedreigd, heeft ze gedwongen hem geld te geven en heeft ook zelf geld uit de kassa’s gepakt. Nu er sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- proces-verbaal van aangifte [naam slachtoffer 4 ];

- proces-verbaal van aangifte [naam slachtoffer 3 ];

- proces-verbaal van aangifte[naam slachtoffer 7 ].

Feit 4 en 5

Verdachte heeft verklaard dat hij, na het plegen van de overval (de feiten 2 en 3), wilde ontkomen. Omdat zijn mededader met de “vluchtscooter” er niet meer was heeft hij geprobeerd om met een auto weg te komen. Hij heeft, met het pistool in zijn handen, een vrouw bedreigd en heeft tegen haar gezegd dat ze met hem als passagier weg moest rijden. De vrouw liep eerst naar een grijze auto. Daarna is ze teruggelopen naar haar eigen auto. Hij is vervolgens met haar ingestapt.

De desbetreffende vrouw is aangeefster [naam slachtoffer 5 ]. Zij heeft in haar aangifte verklaard dat ze op 10 juli 2010 bij de [naam supermarkt] in Oirsbeek, gemeente Schinnen, bij haar auto stond toen ze een persoon met een helm op zag. Die man riep “Ik moet een auto. Ik moet een auto” en zei, iets later, tegen haar “Waar is jouw auto?” Omdat ze tijd wilde rekken en ze het idee had dat er al politie onderweg moest zijn, heeft ze de man eerst een grijze auto aangewezen en heeft ze enkele malen gedaan alsof ze met de aan haar sleutel bevestigde afstandsbediening de auto wilde activeren. Ze liep op dat moment samen met die man met de helm in de richting van die auto. Ze voelde daarbij dat de man haar in de richting van de auto duwde. Toen de man kennelijk merkte dat de auto niet van haar was, heeft hij gezegd “Waar is jouw auto?”. Op dat moment zag ze in zijn rechterhand een pistool. Hij richtte dat pistool op haar en [naam slachtoffer 5 ] voelde zich zo bedreigd dat ze besloot om te doen wat de man wilde. De man zei: “Ik moet een auto, rijden, rijden, rijden” en [naam slachtoffer 5 ] is toen meteen naar haar auto gelopen. Ze zag dat de man nog steeds met het wapen in haar richting aan het zwaaien was. De man met de helm riep “Rijden, rijden, stap in, schiet op” en zij is toen aan de bestuurderskant ingestapt. De man met de helm en het wapen is aan de bijrijderszijde ingestapt. Ze kreeg de auto in eerste instantie niet gestart en de man riep weer “Rijden, rijden”. Ze probeerde nogmaals de auto te starten, hetgeen lukte. Ze reed langzaam de weg op, waarna omstanders in actie kwamen en de man met de helm uiteindelijk overmeesterden.

De getuigen [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] hebben verklaard gezien te hebben dat voordat de vrouw in de auto moest stappen, de man met het pistool haar in een wurggreep pakte en het pistool op het hoofd van de vrouw richtte.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het bovenstaande niet als vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 Wetboek van Strafrecht kan worden gezien, gelet op de zeer korte tijd die aangeefster van haar vrijheid beroofd gehouden is geweest. Gelet op de feitelijke omschrijving en de omstandigheden van het geval kan het tenlastegelegde enkel als dwang in de zin van artikel 284 Wetboek van Strafrecht worden gezien, aldus de raadsman.

De rechtbank volgt de raadsman niet in dit verweer. Volgens de Hoge Raad doelt de wetgever met artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht ook op de situatie waarin men – zonder dat de dader daartoe gerechtigd is – iemand doet verblijven op een plaats – waaronder ook een voertuig kan vallen – waarvan of waaruit die iemand zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen. Daarbij hoeft bij de dader niet het opzet te bestaan de toestand van vrijheidsbeneming zich langer te doen uitstrekken dan enige minuten (HR 23 april 1985, LJN: AC8856). De rechtbank wijst daarbij ook op HR 15 mei 1990, LJN: ZC8416, waarin de Hoge Raad oordeelde dat ook als de dader bij het slachtoffer opzettelijk de indruk heeft gevestigd dat het onmiddellijk zal worden neergeschoten indien het slachtoffer zich probeert te verwijderen, er een dwang is om te blijven en daarmee van vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht sprake is.

In het onderhavige geval heeft verdachte een pistool gericht op het bovenlichaam van [naam slachtoffer 5 ] en dit pistool tegen haar hoofd gedrukt en die [naam slachtoffer 5 ] in een wurggreep om haar hals vastgepakt en tegen die [naam slachtoffer 5 ] gezegd “Ik moet een auto, rijden, rijden, rijden” en die [naam slachtoffer 5 ] gedwongen achter het stuur van haar auto plaats te nemen en met zichzelf als passagier weg te rijden.

Verdachte heeft [naam slachtoffer 5 ] hierdoor dusdanig bedreigd, dat bij haar de indruk is gevestigd dat zij zou worden neergeschoten. Zij is onder die bedreiging naar haar auto gevoerd en ingestapt en zij kon zich vanwege de dreiging niet uit die auto verwijderen.

Alles bij elkaar heeft deze situatie zeker enige tijd geduurd. Het was de intentie van verdachte de situatie langer te laten voortduren, hij wilde immers met [naam slachtoffer 5 ] in de auto de plaats van het delict verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze situatie als vrijheidsberoving te worden gezien. Het onder 4 tenlastegelegde kan dan ook bewezen worden verklaard.

Het feitelijk voorgevallene houdt tevens in dat dwang, in de zin van artikel 284, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht, op het slachtoffer is uitgeoefend. De rechtbank wijst in dit verband nogmaals naar HR 15 mei 1990, LJN: ZC8416.

Zowel de feiten 4 en 5 kunnen dan ook bewezen worden verklaard, waarbij de bewijsmiddelen die de bewezenverklaring van feit 5 vormen, dezelfde zijn als de bewijsmiddelen bij feit 4.

Feit 6

Verdachte heeft bekend dat hij, toen hij trachtte te ontkomen, diverse omstanders bedreigd heeft door een wapen op hen te richten. Onder die omstanders was aangever [naam slachtoffer 6 ]. Nu er sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- proces-verbaal van aangifte [naam slachtoffer 6 ];

- proces-verbaal getuige [getuige 7];

- proces-verbaal getuige [getuige 8].

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

2.

hij op 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan de [naam supermarkt], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 3 ] en [naam slachtoffer 4 ], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een pistool heeft gericht op die [naam slachtoffer 3 ] en die [naam slachtoffer 4 ] en tegen die [naam slachtoffer 3 ] en die [naam slachtoffer 4 ] heeft gezegd dat zij op de grond moesten gaan liggen;

3.

hij op 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3 ] en [naam slachtoffer 4 ] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan de [naam supermarkt], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een pistool heeft gericht op die [naam slachtoffer 3 ] en die [naam slachtoffer 4 ] en tegen die [naam slachtoffer 3 ] en die [naam slachtoffer 4 ] heeft gezegd dat zij op de grond moesten gaan liggen;

4.

hij op 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, opzettelijk [naam slachtoffer 5 ], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met dat opzet een pistool heeft gericht op het bovenlichaam van die [naam slachtoffer 5 ] en tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 5 ] heeft gedrukt en gedrukt gehouden en die [naam slachtoffer 5 ] in een wurggreep om haar hals heeft vastgepakt en tegen die [naam slachtoffer 5 ] heeft gezegd: “ik moet een auto, rijden, rijden, rijden” en die [naam slachtoffer 5 ] aldus heeft gedwongen achter het stuur van haar auto plaats te nemen en vervolgens met hem, verdachte als passagier, weg te rijden;

5.

hij op 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, [naam slachtoffer 5 ] door bedreiging met geweld gericht tegen die [naam slachtoffer 5 ], die [naam slachtoffer 5 ] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, immers heeft verdachte een pistool gericht op het bovenlichaam van die [naam slachtoffer 5 ] en tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 5 ] gedrukt en gedrukt gehouden en die [naam slachtoffer 5 ] in een wurggreep om haar hals vastgepakt en tegen die [naam slachtoffer 5 ] gezegd: “ik moet een auto, rijden, rijden, rijden” en die [naam slachtoffer 5 ] aldus gedwongen achter het stuur van haar auto plaats te nemen en vervolgens met hem, verdachte, als passagier weg te rijden;

6.

hij op 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, een persoon genaamd [naam slachtoffer 6 ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool gericht op die [naam slachtoffer 6 ].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 2:

diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 4:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, in eendaadse samenloop met:

feit 5:

een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

feit 6:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte niet verweten kan worden de overval gepleegd te hebben. Volgens hem is er sprake geweest van psychische overmacht zodat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft op enig moment in een leegstaande woning een hennepplantage aangetroffen. Hiervan heeft hij beelden gemaakt met zijn mobiele telefoon. Toen de hennepplanten oogstrijp waren, heeft hij deze hennepplanten meegenomen. Een deel daarvan heeft hij opgerookt, het andere deel heeft hij verkocht. De eigenaren van de hennepplantage hebben de diefstal ontdekt en zijn er achter gekomen dat verdachte deze gepleegd heeft. Na diverse (telefonische) bedreigingen, die door verdachte in de wind werden geslagen, is hij op 10 juli 2010 meegenomen naar het bos en door drie personen met vuurwapens bedreigd. Teneinde hen schadeloos te stellen voor de gestolen hennep, moest verdachte een overval plegen. Hij heeft een wapen in zijn handen gedrukt gekregen en is achterop een scooter meegenomen naar de [naam supermarkt] te Oirsbeek. Onderweg heeft verdachte geprobeerd of het pistool dat hij gekregen had werkte, maar dit pistool bleek niet te werken en hij heeft de gedachte om te ontkomen laten varen. Ook omdat de bestuurder van de scooter eveneens gewapend was.

Gelet op zijn persoonlijkheid kon verdachte, objectief bezien, geen weerstand bieden aan de druk van de mannen die hem in het bos hebben bedreigd. Illustratief is wat dat betreft ook dat de getuigen van de overval hebben verklaard dat verdachte zelf bang was tijdens de overval en dat hij als een kip zonder kop rondrende.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op psychische overmacht verworpen dient te worden. Het verhaal van verdachte is niet te verifiëren en wordt nergens door ondersteund. Zelfs als het verhaal zou kloppen, dan heeft verdachte zichzelf in de situatie gebracht door het stelen van de hennepplanten. Ook had hij in de supermarkt anders kunnen handelen door te zeggen dat hij bedreigd werd en had hij daar om hulp kunnen vragen. Verdachte heeft echter zelf de keuze gemaakt de supermarkt te overvallen.

De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke situatie waarop verdachte zijn beroep op psychische overmacht stoelt, niet aannemelijk is geworden. Het verweer is enkel gebaseerd op de verklaringen van verdachte, die overigens in de loop der tijd steeds meer zijn ingekleurd en uitgebreid. Verdachte heeft, desgevraagd, geen nadere bijzonderheden willen geven over de locatie van de hennepplantage, de growshop waaraan hij de hennep verkocht zou hebben, de personen die hem bedreigd zouden hebben en de plaats “in het bos” waar hij bedreigd zou zijn. De politie heeft hem voorgehouden dat, zo verdachte nadere bijzonderheden zou geven, zij na kunnen gaan of zij zijn verklaring bevestigd kunnen krijgen. Verdachte heeft daarop verklaard dat dat ook op een andere manier kan, maar heeft die manier verder niet meer geduid. Die “andere manier” die er volgens verdachte zou zijn, is dus ook niet benut kunnen worden. Daar komt bij dat de vriendin van verdachte bij de politie heeft verklaard dat er sprake was van een bedreiging aan het adres van verdachte naar aanleiding van problemen met een “wiethok”, maar dat dat zo’n twee tot drie maanden terug was en dat het probleem ook weer snel weg was.

De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat het verhaal van verdachte niet aannemelijk is geworden en verwerpt het beroep op psychische overmacht.

Over de persoon van verdachte is een (uitgebreide) rapportage uitgebracht door psychiater J.L.M. Dinjens en GZ-psycholoog S. Labrijn.

Dinjens komt na een onderzoek van verdachte tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en misbruik van cocaïne en cannabis. De stoornis was ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig en verdachte heeft op de dag van de tenlastegelegde feiten één joint gerookt en de dag voorafgaande cocaïne gebruikt.

Dinjens merkt op dat een antisociale persoonlijkheidsstoornis als eerste criterium heeft het zich niet kunnen conformeren aan de maatschappelijke normen en regels zoals kan blijken uit herhaaldelijk overtreden van de wet. Elementen als onverantwoordelijkheid, onverschilligheid (voor anderen) en impulsiviteit hebben hierbij invloed op het handelen. Verdachte kan worden gezien als een “beroepscrimineel” hetgeen ook tot uiting is gekomen in de tenlastegelegde feiten. Het middelenmisbruik is hooguit slechts indirect van invloed geweest op het tenlastegelegde. Op de dag van het tenlastegelegde had hij niet of nauwelijks gebruikt. Indien de feiten bewezen worden geacht, dan adviseert Dinjens verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Tot eenzelfde aanbeveling komt ook Labrijn. Ook zij concludeert, na onderzoek van verdachte, dat bij hem sprake is van een ziekelijke stoornis (de verslavingsproblematiek) en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken en hechtingsproblematiek.

Zij merkt op - in woorden en weergave van de rechtbank - dat verdachte bereid is antisociale oplossingen te kiezen voor zijn problemen waarbij ook zijn impulsiviteit, zijn tekort aan zelfsturend vermogen en zijn tekort aan autonomie een rol spelen. De verslavingsproblematiek speelde hooguit een indirecte rol en een rol speelde ook de identificatie met een criminogene levensstijl.

Dat verdachte keer op keer recidiveert, is niet alleen te wijten aan psychische problematiek, maar ook aan het gegeven dat verdachte een antisociale levenswijze niet intrinsiek als verkeerd ervaart, maar ook als fascinerend. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, adviseert Labrijn verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusies en de gronden waarop zij gegeven zijn en maakt deze tot de hare.

Nu het beroep op psychische overmacht faalt, verdachte niet als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en er ook geen andere omstandigheden gebleken zijn die verdachtes strafbaarheid uitsluiten, is verdachte strafbaar.

5 De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op het belang van een behandeling van verdachte en heeft verzocht een gevangenisstraf te beperken tot een duur waarbij nog een deels voorwaardelijke straf kan worden opgelegd. De raadsman heeft voorgesteld de feiten te bestraffen met een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Om de behandeling zeker te stellen mag de proeftijd op drie jaren worden gesteld.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft gewapend met een pistool en vermomd door middel van een muts en een bromfietshelm een supermarkt overvallen. Bij die overval heeft hij twee caissières en een aantal aanwezige klanten bedreigd. De klanten heeft hij gedwongen op de grond te gaan liggen en de caissières moesten onder dwang diverse kassa’s openen en geld in een plastic zak doen. Ook heeft verdachte zelf geld uit de kassa’s gegrist.

Dit voorval heeft, zoals verwacht mag worden en zoals ook gebleken is uit de door hen afgelegde verklaringen, tot grote angstgevoelens bij de caissières geleid. Tijdelijke ongeschiktheid voor het werk is het gevolg geweest en ook daarna was er nog sprake van angst en onzekerheid bij het uitoefenen van het werk. Ook bij het aanwezige publiek zal dit grote angstgevoelens hebben opgeroepen. Sommige klanten hebben de bedreiging immers direct ervaren doordat zij op de grond moesten gaan liggen en anderen hebben het vanaf enige afstand kunnen waarnemen. Dat is voor betrokkenen een ervaring geweest die direct bijdraagt aan ernstige gevoelens van onveiligheid in de openbare ruimte. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

Nadat hij de supermarkt had verlaten constateerde verdachte buiten dat de medeverdachte, die met een scooter stond te wachten, was vertrokken zonder hem mee te nemen. Verdachte heeft toen een vrouw die dicht bij de supermarkt stond gedwongen hem met haar auto mee te nemen. Hij heeft dit gedaan door deze vrouw vast te pakken, het pistool op haar te richten en te roepen dat zij moest gaan rijden. Onder deze bedreiging is de vrouw in haar auto gestapt en met de verdachte gaan rijden. Nadat de auto enkele meters had gereden, hebben omstanders verdachte kunnen overmeesteren en de vrouw uit de auto kunnen bevrijden. Daarbij heeft verdachte zich hevig verzet en volgens sommige getuigen zou hij daarbij het pistool meermalen op de omstanders hebben gericht.

Door zo te handelen heeft verdachte nog meer angst en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt dan hij daarvoor al in de supermarkt had gedaan. Allereerst bij de bestuurster van de auto, maar ook bij de omstanders die haar hebben ontzet en de omstanders die niet direct bij de gijzeling en bevrijding betrokken waren, maar hier wel getuige van zijn geweest.

Uit de door de bestuurster van de auto, [naam slachtoffer 5 ], ter zitting afgelegde slachtofferverklaring maakt de rechtbank op dat zij kampt met een post traumatische stress stoornis en dat zij nog dagelijks de gevolgen van deze daad ondervindt. Zij ervaart ernstige beperkingen in haar mogelijkheden om te werken en tevens zijn er problemen met haar relaties als gevolg van haar trauma. Het is nog maar de vraag of de situatie voor haar ooit weer zo zal worden als deze was voor dit feit.

Bij de omstanders die [naam slachtoffer 5 ] hebben ontzet is gaandeweg bij een aantal van hen het besef doorgedrongen dat verdachte niet gewapend was met een “nepper” maar met een echt en geladen pistool. Hij heeft dat wapen diverse malen gericht op de omstanders en deze realiseren zich dat het voorval voor hen heel slecht had kunnen aflopen. Dit heeft hen diep geraakt.

De omstanders die niet direct bij de gijzeling en bevrijding betrokken waren, maar hier wel getuige van zijn geweest hebben moeten aanschouwen hoe op klaarlichte dag een willekeurige persoon onder dwang van een wapen werd gedwongen een overvaller mee te nemen. Het lijkt een beeld uit een film, maar helaas voor hen was het dat niet. Ook zij zullen dit gebeuren, ieder voor zich en op zijn eigen manier, hebben moeten verwerken.

Hoewel het vorenstaande op zich al voldoende ernstig is om aan verdachte een langdurige gevangenisstraf op te leggen is er meer.

De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij door “zware jongens” gedwongen zou zijn tot deze overval. Dat betekent dat de overval naar de overtuiging van de rechtbank het initiatief van verdachte zelf is en dat hij daar ook de volle verantwoordelijkheid voor moet dragen.

Bij de overval heeft verdachte gebruik gemaakt van een echt en geladen pistool. De haan was gespannen. Verdachte en een omstander die later het wapen in handen heeft gekregen, hebben verklaard dat het wapen het niet deed. Verdachte wist dat omdat hij naar zijn zeggen het wapen bij de overval heeft geprobeerd en de omstander wist dat omdat hij later heeft geprobeerd de haan te ontspannen, wat niet lukte. Een wapendeskundige van de politie heeft echter verklaard dat het wapen functioneerde en dat hij er proefschoten mee afgevuurd heeft.

Het ging dus om een echt wapen dat geladen was. Daaruit leidt de rechtbank af dat het niet enkel de bedoeling van verdachte was om louter te dreigen, immers dan zou hij een onecht of ongeladen wapen hebben meegenomen, maar dat hij ook bereid was het vuurwapen te gebruiken. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat alleen een omstandigheid waardoor het wapen niet afgegaan is, er voor gezorgd heeft dat verdachte het wapen niet daadwerkelijk heeft gebruikt. Een omstandigheid die dus niet aan verdachte te danken is en die ernstig meeweegt in de op te leggen straf.

Bovendien weegt ook nog verdachtes verleden mee. Verdachte is op 6 december 2004 door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot zeven jaren gevangenisstraf voor het plegen van twee diefstallen met geweld en een zware mishandeling op 8 maart 2003. Nadat hij deze straf had ondergaan is verdachte op 19 juni 2007 door de rechtbank te Maastricht veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor het opnieuw plegen van een diefstal met geweld, nu op 25 februari 2007. Na het ondergaan van deze straf is hij op 8 januari 2010 nog een keer veroordeeld, nu door de politierechter te Maastricht, voor een poging tot diefstal.

Ter zitting heeft verdachte uitvoerig zijn verhaal hieromtrent gedaan. Daaruit komt naar voren dat verdachte zich in hoge mate zelf slachtoffer voelt. Nadat hij na het uitzitten van een jarenlange gevangenisstraf vrijkwam, bleek er niets voor hem te zijn geregeld en zag hij zich wel genoodzaakt om strafbare feiten te plegen. Uit deze opstelling volgt dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor de feiten die hij pleegt. Hij legt voortdurend de schuld buiten zich zelf wat de drempel om straks weer nieuwe feiten te plegen lager legt.

De rechtbank kan moeilijk anders dan constateren dat verdachte de afgelopen jaren feitelijk nagenoeg aaneengesloten betrokken is geweest bij het plegen van strafbare feiten waarbij geweld vaak niet is geschuwd en dat verdachte, ondanks zware straffen, het plegen van ernstige delicten nog steeds niet schuwt. Verdachte heeft in het verleden vele kansen gehad. Hij is ook vele malen gewaarschuwd dat dergelijk gedrag niet wordt geduld. Een en ander lijkt echter geen effect te hebben op verdachte en doet hem het verkeerde van zijn handelen niet inzien. Dat vraagt om een forse reactie in de hoop dat verdachte zich daardoor uiteindelijk wel zal realiseren dat zijn gedrag voor de maatschappij volstrekt onacceptabel is. Voor zover die hoop ijdel mocht blijken brengt een lange vrijheidstraf met zich mee dat verdachte een groot aantal jaren aan de maatschappij zal zijn onttrokken gedurende welke tijd hij in ieder geval geen nieuwe strafbare feiten kan plegen.

Hoewel de rechtbank komt tot een beperktere bewezenverklaring dan de officier van justitie brengt het vorenstaande met zich mee dat de rechtbank een gevangenisstraf van 10 jaren gepast en geboden vindt en deze ook zal opleggen.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank ten bezware van verdachte er rekening mee gehouden dat verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan strafbare feiten, vervat in het dossier met het parketnummer 03/703212-10, terzake waarvan de officier van justitie heeft medegedeeld dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd, te weten: het voorhanden hebben van wapens/munitie van categorie III op 10 juli 2010 op de [M.] in Oirsbeek. Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat hij licht verminderd toerekeningsvatbaar is.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer 3 ] vordert een schadevergoeding van € 1.724,50 terzake van feit 2 en 3.

De officier van justitie en de raadsman zijn van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de hiervoor onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 24,50.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 3 ] door de hiervoor onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De hoogte van deze immateriële schade wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 1.500,-.

Nu aan de verdachte ter zake van die feiten een straf zal worden opgelegd, zal de vordering daarom tot het totaalbedrag van € 1.524,50, te vermeerderen met de wettelijke rente, worden toegewezen.

Nu de verdachte onder meer ter zake van de hiervoor onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer

[naam slachtoffer 3 ], zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij, aansprakelijk is voor de schade die door die strafbare feiten zijn toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van de schademaatregel besloten.

De benadeelde partij [naam slachtoffer 4 ], vordert een schadevergoeding van € 1.658,48 terzake van feit 2 en 3.

De officier van justitie en de raadsman zijn van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de hiervoor onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 8,48.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 4 ] door de hiervoor onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De hoogte van deze immateriële schade wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 1.500,-.

Nu aan de verdachte ter zake van die feiten een straf zal worden opgelegd, zal de vordering daarom tot het totaalbedrag van € 1.508,48, te vermeerderen met de wettelijke rente, worden toegewezen.

Nu de verdachte onder meer ter zake van de hiervoor onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer

[naam slachtoffer 4 ], zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij, aansprakelijk is voor de schade die door die strafbare feiten zijn toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van de schademaatregel besloten.

De benadeelde partij [naam slachtoffer 5 ] vordert een schadevergoeding van € 4.618,51 terzake van de feiten 4 en 5. Deze vordering is opgebouwd uit een bedrag van € 375,- ter zake schoonmaken van de auto, een bedrag van € 839,11 ter zake medische kosten, een bedrag van € 1.654,40 ter verlies van arbeidsinkomsten en een bedrag van € 1.750,- ter immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen en de schademaatregel op te leggen.

De raadsman is van oordeel dat het schoonmaken van de auto geen causaal verband heeft met het tenlastegelegde feit. Bij de inkomstenderving is het niet duidelijk of er een verzekering is die de schade dekt. De benadeelde partij dient volgens de raadsman ten aanzien van deze posten daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank overweegt met betrekkingen tot deze vordering als volgt.

De schade aan de auto

Alleen vergoeding van schade die rechtstreeks is geleden door een strafbaar feit dat in de tenlastelegging is opgenomen en vervolgens bewezen is verklaard is in het strafproces mogelijk. Dat rechtstreekse verband bestaat wettelijk gezien alleen indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De door verdachte overtreden strafbepalingen beogen echter niet te voorkomen dat de auto van het slachtoffer wordt beschermd. Daarom bestaat er onvoldoende rechtstreeks verband tussen deze vordering en de bewezen feiten en moet de benadeelde partij in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De medische kosten

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 5 ] door de hiervoor onder 4 en 5 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 839,11 ter medische kosten.

Verlies van arbeidsinkomsten

Voor de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij door hetgeen haar overkomen is arbeidsinkomsten heeft moeten missen. De rechtbank beschouwt deze schade als een rechtstreeks gevolg van hetgeen aan de verdachte tenlastegelegd is en door de rechtbank bewezen is verklaard. Uitgangspunt is dan ook dat deze schade in het strafproces voor vergoeding in aanmerking komt.

De omvang van die schade is voor de rechtbank echter moeilijk vast te stellen, nu de door de benadeelde partij overgelegde bescheiden meerdere vragen oproepen.

De rechtbank acht gemiste arbeidsinkomsten tot een bedrag van € 992,64 als voldoende vaststaand. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen. Voor het meerdere is echter nadere bewijsvoering noodzakelijk. Gelet op de stand van het geding, de behoefte van verdachte aan zekerheid met betrekking tot zijn situatie en de belangen van de andere benadeelde partijen acht de rechtbank een heropening van de zaak voor dit doel te onevenredig belastend voor het strafgeding. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor het meerdere van dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 5 ] door de hiervoor onder 4 en 5 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht tot een bedrag van € 1.750,--.

De rechtbank zal gelet op bovenstaande de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 3.581,75 te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de verdachte onder meer ter zake van de hiervoor onder 4 en 5 bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer [naam slachtoffer 5 ], zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij, aansprakelijk is voor de schade die door die strafbare feiten zijn toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van de schademaatregel besloten.

De benadeelde partij [naam slachtoffer 6 ] vordert een schadevergoeding van € 811,- ter zake van feit 6.

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De raadsman heeft bepleit dat de rugpijn waarmee [naam slachtoffer 6 ] zegt te kampen, is veroorzaakt door de medeverdachte. [naam slachtoffer 6 ] heeft getracht de op de scooter ontkomende medeverdachte tegen te houden en is daarbij gewond geraakt. Verdachte hoeft daarom deze kosten niet te dragen. De vordering met betrekking tot de immateriële schade dient gematigd te worden tot een bedrag van maximaal € 200,-.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 6 ] door het hiervoor onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 811,- en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Nu de verdachte onder meer ter zake van het hiervoor onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer [naam slachtoffer 6 ] ,zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van de schademaatregel besloten.

7 Het beslag

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 1, 2, 12, 13 en 24, 25, 26 en 27 zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder feit 2 tot en met 6 bewezenverklaarde is begaan danwel dat het voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en uit de aard blijkt dat zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven.

Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

Ten aanzien van de in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 3 en 4, zal de rechtbank teruggave aan de [naam supermarkt] supermarkt te Oirsbeek gelasten.

Ten aanzien van de in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 14, 15 en 23 zal de rechtbank teruggave aan verdachte gelasten

Ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen met de nummers 28, 29 en 30 is thans niet duidelijk wie daarop rechthebbende is. Derhalve zal de rechtbank de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 55, 56, 57, 282, 284, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart de onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1, 2, 12, 13 en 24 tot en met 27;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 28 tot en met 30;

- gelast de teruggave van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 3 en 4 aan de [naam supermarkt] supermarkt te Oirsbeek;

- gelast de teruggave van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 5 tot en met 11, 14, 15 en 23 aan verdachte voornoemd.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3 ], [adresgegevens], van € 1.524,50 en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 3 ] voor het overige af;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 3 ], € 1.524,50 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 4 ], [adresgegevens], van € 1.508,48 en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 4 ] voor het overige af;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 4 ], € 1.508,48 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 5 ], [adresgegevens], van € 3.581,75 en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 5 ], € 3.581,75 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 45 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 6 ], [adresgegevens], van € 811,-;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 6 ], € 811,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 16 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Koonen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 april 2011.

Buiten staat

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Hoensbroek, gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1 ] en/of [naam slachtoffer 2 ], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1 ] en/of die [naam slachtoffer 2 ], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam slachtoffer 1 ] en/of die [naam slachtoffer 2 ] heeft gericht en/of tegen die [naam slachtoffer 1 ] en/of die [naam slachtoffer 2 ] heeft gezegd: "wie heeft de envelop, wie heeft het geld" en/of tegen die [naam slachtoffer 1 ] en/of die [naam slachtoffer 2 ] gezegd dat hij/zij op de grond moest(en) gaan liggen en/of die [naam slachtoffer 2 ] tegen het hoofd geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt terwijl die [naam slachtoffer 2 ] op de grond was gelegen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [naam supermarkt], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die geldbedrag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 3 ] en/of [naam slachtoffer 4 ], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op het hoofd van die [naam slachtoffer 3 ] en/of die [naam slachtoffer 4 ] en/of tegen die [naam slachtoffer 3 ] en/of die [naam slachtoffer 4 ] heeft gezegd dat zij op de grond moesten gaan liggen en/of heeft gevraagd om een zak en/of om nog meer geld;

3.

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3 ] en/of [naam slachtoffer 4 ] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [naam supermarkt], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op het hoofd van die [slachtoffer 3]en/of die [naam slachtoffer 4 ] en/of tegen die [naam slachtoffer 3 ] en/of die [naam slachtoffer 4 ] heeft gezegd dat zij op de grond moesten gaan liggen en/of heeft gevraagd om een zak en/of om nog meer geld;

4.

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, opzettelijk [naam slachtoffer 5 ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer 5 ] en/of tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 5 ] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of die [slachtoffer 5] in een wurggreep om haar hals heeft vastgepakt en/of tegen die [naam slachtoffer 5 ] heeft gezegd: "ik moet een auto, rijden rijden, rijden" en/of die [naam slachtoffer 5 ] aldus heeft gedwongen achter het stuur van haar auto plaats te nemen en vervolgens met hem, verdachte als passagier, weg te rijden;

5.

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen,, [naam slachtoffer 5 ], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [naam slachtoffer 5 ] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft verdachte een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer 5 ] en/of tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 5 ] gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of die [naam slachtoffer 5 ] in een wurggreep om haar hals vastgepakt en/of tegen die [naam slachtoffer 5 ] gezegd: "ik moet een auto, rijden rijden, rijden" en/of die [naam slachtoffer 5 ] aldus gedwongen achter het stuur van haar auto plaats te nemen en vervolgens met hem, verdachte als passagier, weg te rijden;

6.

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, een persoongenaamd [naam slachtoffer 6 ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op die [naam slachtoffer 6 ];

BIJLAGE II: De beslaglijst

2010082740 1 1.00 STK Wapen Kl:zwart

1812852 pistool

2010082740 2 1.00 STK Helm

1812853

2010082740 3 Geld Nederlands

onbekend bedrag (IBG 10-7-2010)

2010082740 4 Geld Nederlands

onbekend bedrag (IBG 10-7-2010)

2010082740 5 1.00 STK Broek Kl:rood

1812849

2010082740 6 1.00 STK Shirt Kl:grijs

1812850

2010082740 7 2.00 STK Sok Kl:zwart

1812851

2010082740 8 2.00 STK Schoeisel Kl:zwart

[merk]

1812854

2010082740 9 1.00 STK Handschoen Kl:zwart

1812858

2010082740 10 1.00 STK Laken Kl:wit

1812859

2010082740 11 1.00 STK Handschoen Kl:wit

1812861

2010082740 12 1.00 STK Munitie Kl:goud

1813347

2010082740 13 1.00 STK Imitatiewapen Kl:zwart

[MERK]

1813393

2010082740 14 1.00 STK GSM Kl:zwart

[MERK]

1813359

2010082740 15 1.00 STK GSM Kl:zilver

1813349

2010082740 23 1.00 STK Computer Kl:grijs

[MERK]

1813343

2010082740 24 1.00 STK Wapen Kl:zwart

1817573

2010082740 25 1.00 STK Munitie

1817581

2010082740 26 1.00 STK Traangas Kl:zwart

[MERK]

1817611

2010082740 27 1.00 STK Traangas Kl:zwart

[MERK]

1817614

2010082740 28 1.00 STK GSM Kl:grijs

[MERK]

1817641

2010082740 29 1.00 STK GSM Kl:roze

[MERK]

1817656

2010082740 30 1.00 STK Fototoestel Kl:grijs

[MERK]

1817671