Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ1766

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
AWB 11 / 410 + AWB 10 / 2004
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV8064, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 14 juni 2010 verzoekster – wegens handelen in strijd met de voorwaarde verbonden aan de vrijstelling van 24 november 1998 – een last onder dwangsom opgelegd inhoudende dat de betreffende beplantingsvoorwaarde alsnog wordt uitgevoerd conform de verleende vrijstelling.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verbinden van een voorwaarde aan een vrijstelling inhoudende het aanbrengen van beplanting toegestaan is. Niet in geschil is dat de voorwaarde waaronder vrijstelling is verleend niet door verzoekster werd / wordt nagekomen. Derhalve is verzoekster in overtreding, zodat verweerder bevoegd is de naleving van de voorwaarde af te dwingen door oplegging van de last onder dwangsom.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen zicht op legalisatie aanwezig is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het belang bij handhaving van de beplantingsvoorwaarde zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van verzoekster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4931
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Procedurenummers: AWB 11 / 410 + AWB 10 / 2004

Uitspraak

in het geding tussen

de besloten vennootschap J.H. van der Heijden Internationale Transporten B.V.,

gevestigd te Wahlwiller, verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 16 november 2010

Kenmerk: U.10.05933

1. Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit.

Verzoekster heeft tevens ten aanzien van dit besluit bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank[dhr A] (een buurtbewoner, die verzocht heeft om handhaving) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2011. Verzoekster is vertegenwoordigd door R.D.L. van der Heijden (directeur) en bijgestaan door

J.J.M. Goumans, advocaat te Maastricht. Verweerder is verschenen bij gemachtigde

N. Abbas, werkzaam voor de gemeente Gulpen-Wittem. Tevens is van [dhr A] voornoemd verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht.

2. Overwegingen

In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter is gewezen in de kennisgeving aan partijen van de behandeling van het verzoek ter zitting, alsook ter zitting.

Na kennisneming van de stukken en na de behandeling ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de hoofdzaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De voorzieningenrechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Bij besluit van 24 november 1998 heeft verweerder, met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan “Buitengebied” verleend voor het realiseren c.q. afwerken van de (vergrote) parkeerplaats aan de oostzijde van de Capucijnenweg overeenkomstig de daartoe overgelegde tekeningen B01 en B02 van 20 januari 1998 alsmede de daarbij behorende “uitgangspunten voor te gebruiken beplantingssoorten”.

De aan de vrijstelling gekoppelde beplantingsvoorwaarde houdt onder meer in dat langs het betreffende parkeerterrein aan de straatzijde van de Capucijnenweg een tweetal in- en uitritten wordt gecreëerd met daar tussen in groenbeplanting.

Vast staat dat deze voorwaarde waaronder destijds vrijstelling is verleend niet werd / wordt nagekomen door verzoekster.

Op 19 juni 2009 is door [dhr A] een verzoek om handhaving ingediend.

Verweerder heeft hierop bij besluit van 14 juni 2010 de directeur van verzoekster – wegens handelen in strijd met de voorwaarde verbonden aan de vrijstelling van 24 november 1998 – een last onder dwangsom opgelegd inhoudende dat de betreffende beplantingsvoorwaarde alsnog wordt uitgevoerd conform de verleende verijstelling.

Bij het thans bestreden besluit van 16 november 2010 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond (voor zover de last onder dwangsom aan de gemachtigde van verzoekster bekend werd gemaakt) en gedeeltelijk ongegrond verklaard en het primaire besluit van 14 juni 2010 herroepen, in die zin dat de last onder dwangsom is bekend gemaakt aan verzoekster en de begunstigingstermijn is verlengd tot en met 31 maart 2011. Ter zitting is gebleken dat ook de gemachtigde van verzoekster een afschrift van het bestreden besluit en het herroepen primaire besluit heeft ontvangen.

Verzoekster heeft zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank alsook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster is - samengevat weergegeven - van oordeel dat de groenstrook nimmer besproken is als voorwaarde voor het verlenen van vrijstelling voor het vergroten van het parkeerterrein en het niet aan gaat om een dergelijke voorwaarde te stellen voor het gebruik van een onroerende zaak die al overeenkomstig het bestemmingsplan wordt gebruikt. Voorts beperkt het aanleggen van de groenstrook de manoeuvreerruimte op het parkeerterrein alsmede het in- en uitrijden en kan dit parkeerterrein dus niet meer volledig worden benut. Bij afweging van de betrokken belangen behoort een onbelemmerde voortgang van de bedrijfsmatige werkzaamheden de doorslag te geven. Het economisch nadeel voor verzoekster is onevenredig groot. De herziening van het bestemmingsplan dient afgewacht te worden, omdat het niet is uitgesloten dat de in het bestemmingsplan voorziene beplantingsvoorwaarde zal vervallen.

De voorzieningenrechter ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen, en zo ja, of hij in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

In artikel 5:32, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verbinden van een voorwaarde aan een vrijstelling inhoudende het aanbrengen van beplanting toegestaan is. Verweerder heeft destijds de beplantingsvoorwaarde ruimtelijk relevant geacht in het kader van het vergroten van het parkeerterrein. Indien verzoekster het niet eens is met deze verplichting had het op de weg van verzoekster gelegen hier in rechte tegen op te komen. Nu verzoekster geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de voorwaarde is deze voorwaarde onherroepelijk geworden. Aan de inhoudelijke bezwaren van verzoekster tegen de beplantingsvoorwaarde kan de voorzieningenrechter niet meer toekomen. Niet in geschil is dat de voorwaarde waaronder vrijstelling is verleend niet door verzoekster werd / wordt nagekomen. Derhalve is verzoekster in overtreding, zodat verweerder bevoegd is de naleving van de voorwaarde af te dwingen door oplegging van de last onder dwangsom.

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen zicht op legalisatie aanwezig is. Van de zijde van verzoekster is geen aanvraag tot legalisering gedaan en ter zitting is voorts gebleken dat het nieuwe bestemmingsplan “Kern Wahlwiller” in de raadsvergadering van 19 mei 2011 ter vaststelling wordt aangeboden en in dit bestemmingsplan de thans bestreden beplantingsvoorwaarde is opgenomen. Verweerder hoeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter de procedure van het bestemmingsplan niet af te wachten.

Verzoekster heeft betoogd dat bij de belangenafweging een onbelemmerde voortgang van de bedrijfsmatige werkzaamheden van doorslaggevende betekenis dient te zijn. Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat de manoeuvreerruimte op het parkeerterrein door de groenstrook zodanig wordt ingeperkt dat de capaciteit van het parkeerterrein niet volledig kan worden benut. Het wegrijden en verplaatsen van de trekkers met opleggers wordt door het verkleinen van de in- en uitrit ernstig belemmerd, aldus verzoekster.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit betoog van verzoekster niet kan slagen. De voorzieningenrechter is gebleken dat het wagenpark van verzoekster ten tijde van de vrijstelling in 1998 kleiner was dan thans het geval is. Met dit kleinere wagenpark en de realisatie van de groenstrook zou er naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende manoeuvreerruimte op het parkeerterrein aanwezig moeten zijn. Door de groenstrook niet te realiseren heeft verzoekster de parkeermogelijkheden op haar terrein verruimd en op die manier de parkeercapaciteit van haar bedrijf uitgebreid. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat zodoende de omgeving extra belast wordt met geluid, er een verslechtering van de luchtkwaliteit plaatsvindt en de verkeersveiligheid in het gedrag komt. Indien de beplantingsvoorwaarde bij de vrijstelling zou zijn nageleefd door verzoekster, zou dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekenen dat het aantal geparkeerde vrachtwagens wordt beperkt en daarmee de voormelde overlast voor de omgeving wordt verminderd. De voorzieningenrechter is – gelet hierop – dan ook van oordeel dat verweerder het belang bij handhaving van de beplantingsvoorwaarde zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van verzoekster. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat het opleggen van een last onder dwangsom niet onevenredig is. Dat verweerder enige jaren heeft gewacht om tot handhaving over te gaan maakt dat niet anders. Het beroep van verzoekster is ongegrond.

Nu onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan en het bestreden besluit daardoor niet langer onderwerp vormt van een door de rechtbank te beslissen geschil, is het belang aan het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening komen te ontvallen. Het daartoe strekkende verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

1.verklaart het beroep ongegrond;

2.wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door R.J.G.H. Seerden in tegenwoordigheid van D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.

w.g. D. Laeven w.g. Seerden

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 7 april 2011

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.