Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ1244

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
03/700659-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, op zijn minst twee onafhankelijke bronnen nodig zijn op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte bij de inbraak betrokken is geweest. In de onderhavige zaak zijn er weliswaar verschillende bewijsmiddelen met betrekking tot de inbraak, maar is er slechts één bewijsmiddel dat de verdachte als mededader aanwijst. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoelde wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van feit 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700659-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 februari 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans verblijvende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: tezamen en in vereniging met een ander of anderen een woninginbraak heeft gepleegd.

Feit 2: tezamen en in vereniging met een ander of anderen in een supermarkt heeft ingebroken.

Feit 3: tezamen en in vereniging met een ander of anderen een personenauto heeft geheeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Met betrekking tot feit 1 baseert de officier van justitie haar bewezenverklaring op de aangifte, het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [G], en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting.

Met betrekking tot feit 2 baseert de officier van justitie haar bewezenverklaring op de aangifte, de getuigenverklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 2], en de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 1]. De officier van justitie stelt dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] bij de politie heeft verklaard dat verdachte bij de inbraak in de Super de Boer betrokken is geweest. Daarnaast is er een aangifte en blijkt uit de verklaringen van voormelde getuigen dat, behalve medeverdachte [naam medeverdachte 1], nog drie of vier mannen bij de inbraak betrokken zijn geweest. Daarmee is voldoende steunbewijs geleverd dat ook verdachte betrokken is geweest bij de inbraak in de Super de Boer. Dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] heden ter terechtzitting, in de hoedanigheid van getuige in de zaak van medeverdachte [naam medeverdachte 3], welke verklaring op verzoek van de verdediging in de vorm van een uittreksel van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in de zaken tegen die medeverdachte aan het onderhavige dossier is toegevoegd, heeft verklaard dat hij zijn verklaring bij de politie onder druk heeft afgelegd en dat verdachte, in tegenstelling tot hetgeen hij bij de politie heeft verklaard, niet bij de inbraak betrokken was, is volgens de officier van justitie ongeloofwaardig. Het feit dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] zijn verklaring bij de politie niet heeft ondertekend doet volgens de officier van justitie niet af aan de inhoud van de verklaring.

Met betrekking tot feit 3 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat bij de inbraak in de Super de Boer twee auto’s gebruikt werden, te weten een Ford Escort en een Volkswagen Golf. De officier van justitie stelt dat uit de verklaringen van medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2], en het proces-verbaal van aanhouding van voornoemde medeverdachten is gebleken dat medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zowel voor de inbraak, als daarna in de Ford Escort hebben gezeten. Nu de officier van justitie bewezen acht dat, behalve voornoemde medeverdachten, ook verdachte bij de inbraak in de Super de Boer betrokken is geweest, staat volgens de officier van justitie daarmee vast dat verdachte in de andere auto die bij de inbraak is gebruikt, te weten de Volkswagen Golf met kenteken [..-..-..], heeft gezeten. Uit de aangifte en het proces-verbaal van sporenonderzoek is gebleken dat de auto van diefstal afkomstig was, dat het slot van het linkerportier was geforceerd en dat de elektrische bedrading van het contactslot was doorverbonden. De officier van justitie heeft zich, gelet vorenstaande, op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de Volkswagen Golf.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2 en 3. De raadsman heeft daartoe het volgende naar voren gebracht.

Met betrekking tot feit 2:

Er is geen enkel spoor dat erop wijst dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraak in de Super de Boer. Er is slechts een persoon, te weten medeverdachte [naam medeverdachte 1], die bij de politie heeft verklaard dat verdachte ook betrokken zou zijn geweest bij de inbraak. Heden heeft [naam medeverdachte 1], in de hoedanigheid van getuige in de zaak tegen een medeverdachte, aangegeven dat hij bij de politie onder druk namen heeft genoemd, maar dat verdachte niet aanwezig is geweest bij de inbraak. De verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 1] bij de politie en de verklaring die hij ter terechtzitting als getuige heeft afgelegd spreken elkaar bijzonder tegen en kunnen derhalve niet meewegen voor het bewijs. Daarbij dient in overweging te worden genomen dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] zijn verklaring bij de politie niet heeft ondertekend en dat hij zijn verklaring, in de hoedanigheid van getuige, onder ede heeft afgelegd. Nu de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 1] niet kan worden gebruikt voor het bewijs, blijft er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs over om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Met betrekking tot feit 3:

Er is geen enkel spoor dat erop wijst dat verdachte in de Volkswagen Golf heeft gezeten. Verdachte is niet betrokken geweest bij de inbraak in de Super de Boer. Bovendien heeft getuige [naam getuige 3] verklaard dat hij twee getinte mannen in de Volkswagen Golf zag instappen. Verdachte heeft geen getinte huidskleur. Gelet op vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het onder 3 ten laste gelegde feit.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht de inbraak in de woning op de [adres] (feit 1) wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;

- de aangifte van [naam benadeelde partij 1].

De rechtbank merkt hierbij op dat de betrokkenheid van verdachte zich niet beperkt heeft tot op het op de uitkijk staan, maar dat uit zijn eigen verklaring blijkt dat hij deelgenomen heeft aan een bewuste en nauwe samenwerking, waarbij hij tijdens de inbraak de rol van het op de uitkijk staan op zich heeft genomen.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3 overweegt de rechtbank het volgende.

Feit 2

Verdachte heeft ontkend dat hij op 21 november 2010 tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft ingebroken in een supermarkt genaamd Super de Boer, gelegen aan de [adres] te Maastricht. Voorts heeft verdachte ontkend dat hij zich op diezelfde datum schuldig heeft gemaakt aan de heling van een personenauto van het merk/type Volkswagen Golf, gekentekend [..-..-..]. Deze auto is in samenhang met feit 2 waargenomen, met als inzittenden twee – zoals getuige [naam getuige 3] aangaf – ‘getinte’ mannen, die niet verder zijn aangeduid.

Medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft in zijn verklaring bij de politie aangegeven dat ook verdachte bij de inbraak in de supermarkt gelegen aan de [adres] betrokken zou zijn geweest. Daarnaast is er een tweetal getuigen, te weten [naam getuige 1] en [naam getuige 2], die onder andere hebben verklaard dat zij vier of vijf mannen hebben gezien tijdens de inbraak in de supermarkt, zonder dat ze de mannen nader hebben aangeduid. Door [naam benadeelde partij 2] is namens Super de Boer aangifte gedaan van de inbraak.

Door de officier van justitie is gesteld dat de verklaring van [naam medeverdachte 1] bij de politie in verband met steunbewijs in de vorm van de aangifte en de verklaringen van de andere getuigen voldoende bewijs opleveren om tot een bewezenverklaring te komen van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank deelt dit standpunt van de officier van justitie niet. De rechtbank is van oordeel dat, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, op zijn minst twee onafhankelijke bronnen nodig zijn op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte bij de inbraak betrokken is geweest. In onderhavige zaak zijn er weliswaar verschillende bewijsmiddelen met betrekking tot de inbraak maar is er slechts één bewijsmiddel, te weten de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 1], die de verdachte als mededader aanwijst. De rechtbank is, gelet op vorenstaande, van oordeel dat de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 1] bij de politie, in samenhang bezien met de aangifte en de getuigenverklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 2], onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren om tot een bewezenverklaring te komen van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van feit 2.

Feit 3

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 3 ten laste gelegde feit. Nu de vaststelling van de feiten in verband met het tenlastegelegde feit onder 2 geen aanwijzing oplevert dat verdachte enige betrokkenheid had bij de Volkswagen Golf, gekentekend [..-..-..] en er geen ander bewijs voor diens betrokkenheid bij dit feit is voorhanden, moet verdachte ook van feit 3 worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 25 november 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een laptop, toebehorende aan [naam benadeelde partij 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en met daaraan gekoppeld een bijzondere voorwaarde in de vorm van reclasseringstoezicht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de eventueel op te leggen straf naar voren gebracht dat verdachte bij de inbraak in de woning op de [adres] alleen op de uitkijk heeft gestaan en dus slechts een kleine rol heeft gehad. De raadsman heeft aangevoerd dat, ondanks het strafrechtelijk verleden van verdachte, bij bewezenverklaring van feit 1 een gevangenisstraf van 2 maanden gerechtvaardigd is. De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank eveneens tot het oordeel zal komen dat een gevangenisstraf van 2 maanden op zijn plaats is, de voorlopige hechtenis met ingang van 23 februari 2011 op te heffen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte reeds 86 dagen in voorlopige hechtenis zit en dat, indien een gevangenisstraf van 2 maanden zal worden opgelegd, de omstandigheid zoals vermeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft zich op 25 november 2010 tezamen en in vereniging met een ander schuldig gemaakt aan een woninginbraak op de [adres]. Verdachte heeft tijdens de inbraak op de uitkijk gestaan en is daarna samen met zijn mededader gevlucht in een auto.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijk gepubliceerde Oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin wordt indicatief voor een woninginbraak een gevangenisstraf genoemd voor de duur van 10 weken onvoorwaardelijk.

Verdachte voldoet niet aan het criterium voor een veelpleger volgens de genoemde oriëntatiepunten, dat tot een hogere gevangenisstraf dient te leiden.

Daarnaast let de rechtbank ook op de straffen die zij zelf in soortgelijke gevallen pleegt op te leggen.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van € 773,50 terzake van feit 1.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding van benadeelde [naam benadeeldepartij 1] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering tot schadevergoeding niet ziet op het feit dat aan verdachte ten laste is gelegd.

De raadsman heeft zich, evenals de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeeldepartij 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel, gehoord de officier van justitie en de raadsman van verdachte, dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de door benadeelde geleden schade en het aan verdachte ten laste gelegde feit.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde een strafbaar feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot de voorlopige hechtenis met ingang van 23 februari 2011.

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 februari 2011.

Buiten staat

Mr. E.B.A. Ferwerda, rechter, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 november 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 21 november 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een supermarkt, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid pakjes sigaretten en/of tabak/shag en/of vuilniszakken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Super de Boer, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 21 november 2010 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een personenauto (merk/type Volkswagen Golf GTI, gekentekend [..-..-..]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en) althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/700659-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 23 februari 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans verblijvende te [adres verdachte]

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht.