Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ1092

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
03-700206-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Shaken babysyndroom: Verdachte heeft erkend zijn vijf maanden oude zoon te hebben geschud. Deze gedraging kan niet beschouwd worden als een begin van uitvoering gericht op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen de kans op de dood of ernstig letsel bij het slachtoffer bewust op de koop heeft toegenomen. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700206-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 april 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht. Hij neemt waar voor zijn kantoorgenoot mr. M.M.H. Zuketto, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25 augustus 2009, 24 januari 2011 en 29 maart 2011, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd zijn vijf maanden oude zoon, [naam slachtoffer], te doden dan wel dat hij [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door hem (meermalen) vast te pakken en (met kracht) te schudden.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft zich gebaseerd op de aangifte door de Raad voor de Kinderbescherming, het rapport van het Advies en Meldpunt Kinderbescherming (AMK), de verklaringen van verdachte en mevrouw [naam moeder slachtoffer], de moeder van [naam slachtoffer], de medische rapporten en de verklaringen van de deskundigen prof. dr. Van Nieuwenhuizen en dr. Hamulyák, welke ter zitting werden gehoord. De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte minstens een keer met [naam slachtoffer] heeft geschud. Mogelijk heeft dit ook eerder in december 2007 plaatsgevonden.

Ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat het algemeen bekend is dat het hoofd van een baby zo veel mogelijk moet worden ondersteund. Verdachte is hierop keer op keer gewezen door zijn echtgenote. Hij wist derhalve dat het schudden van [naam slachtoffer] fout was. De geconstateerde subdurale bloedingen hadden tot de dood van [naam slachtoffer] kunnen leiden.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde betoogd. Hij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat verdachte niet het opzet had om zijn zoon iets te willen aandoen. De raadsman heeft verder betoogd dat evenmin sprake was van voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft de risico’s van zijn gedraging niet onderkend (hij wist niet dat het schudden met een baby gevaarlijk was) en, al zou hij die risico’s wel hebben gekend, dan heeft hij ze in ieder geval niet aanvaard. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsman bovendien nog aangevoerd dat er onvoldoende informatie is over de aard, frequentie en duur van het schudden om te kunnen aannemen dat er een aanmerkelijke kans op overlijden was.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het meermalen schudden van [naam slachtoffer]. Verdachte heeft enkel het schudden op 5 januari 2008 erkend. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een tweede, eerder, “schudmoment”.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 5 januari 2008 wordt [naam slachtoffer] (geboren [2007]) met een ernstig tekort aan zuurstof opgenomen op de intensive care van het Academisch Ziekenhuis te Maastricht. In het ziekenhuis wordt geconstateerd dat [naam slachtoffer] last heeft van epileptische aanvallen.

Na onderzoek wordt vastgesteld dat [naam slachtoffer] op diverse plaatsen in de hersenen subdurale bloedingen heeft. Naast recente bloedingen zijn ook “oudere” bloedingen te zien. Nu voor deze bloedingen geen medische verklaring kan worden gegeven, wordt er melding van gemaakt bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK).

Door forensisch arts Van Hooren wordt vastgesteld dat er sprake is van letsel dat ontstaan is door uitwendig mechanisch geweld met repeterende verplaatsing van de hersenen ten opzichte van de schedel, welk fenomeen optreedt bij schudden van het kind, het zogenaamde shaken babysyndroom. Gelet op de recente en oude subdurale bloedingen moet er volgens Van Hooren sprake zijn geweest van twee schudmomenten.

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij op 5 januari 2008, nadat zijn echtgenote [naam moeder slachtoffer] na een woordenwisseling thuis was weggegaan, alleen bleef met [naam slachtoffer]. Toen [naam slachtoffer] maar bleef huilen, heeft verdachte [naam slachtoffer] uit de box gepakt en heeft hij met [naam slachtoffer] geschud. Hij hield [naam slachtoffer] hierbij onder zijn oksels vast. Ter zitting heeft hij hieraan toegevoegd dat hij [naam slachtoffer] met gebogen armen vermoedelijk van voren naar achteren bewoog. Hierbij heeft hij het hoofd van [naam slachtoffer] niet ondersteund. Hij heeft niet lang en ook niet heftig geschud. Verdachte heeft verklaard dat hij handelde in een opwelling, welke werd ingegeven door frustratie en vermoeidheid. Vrijwel direct realiseerde hij zich dat het niet goed was wat hij deed. Vervolgens heeft hij [naam slachtoffer] in het wipstoeltje gezet en hem de fles gegeven. Na twee slokken raakte [naam slachtoffer] in shock, zijn ogen draaiden weg en hij begon schokkend te ademen. Verdachte is hierop meteen met [naam slachtoffer] naar het ziekenhuis gereden.

Letsel van [naam slachtoffer] is ontstaan door het schudden

De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat verdachte [naam slachtoffer] op 5 januari 2008 heeft vastgepakt en heeft geschud, als gevolg waarvan letsel behorende bij het zogenaamde shaken babysyndroom is ontstaan. Kort nadat verdachte met [naam slachtoffer] heeft geschud, zijn er namelijk uitvalsverschijnselen opgetreden en in het ziekenhuis blijkt dat er recente bloedingen in de hersenen zijn ontstaan. Gelet op het korte tijdsbestek tussen het schudden en het ontstaan van het (recente) letsel, kan naar het oordeel van rechtbank het ontstane (recente) letsel van [naam slachtoffer] aan het handelen van verdachte, namelijk het schudden met [naam slachtoffer], worden toegerekend. De rechtbank heeft bij dit oordeel aansluiting gezocht bij de verklaring van deskundige prof. dr. Van Nieuwenhuizen ter zitting afgelegd, inhoudende dat de bloedingen in de hersenen welke op 5 januari 2008 zijn ontstaan, passen bij het shaken babysyndroom.

De rechtbank stelt derhalve vast dat er ten gevolge van het schudden met [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, in de vorm van subdurale bloedingen, is ontstaan.

Eén keer of meerdere keren geschud?

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat verdachte eerder (op 28 december 2007 of een ander moment in december 2007) met [naam slachtoffer] zou hebben geschud, zoals ten laste gelegd is. Zij overweegt daartoe als volgt.

In een brief aan de Raad voor de Kinderbescherming opgesteld door de heer Beker, vertrouwensarts, en mevrouw Dams, maatschappelijk werker, staat vermeld dat verdachte tegenover hen zou hebben bekend [naam slachtoffer] ook op 28 december 2007 te hebben geschud.

Verdachte heeft deze ‘bekentenis’ ten overstaan van de politie betwist. Hij zou dit niet zo verklaard hebben. Naar aanleiding van de geconstateerde oudere bloedingen bij [naam slachtoffer] is aan verdachte gevraagd of er eerder momenten geweest zijn waarop hij met [naam slachtoffer] alleen is geweest. De maand december is daarbij aan verdachte voorgelegd als mogelijke periode van een eerder schudmoment. Verdachte heeft hierop aangegeven dat hij op 28 december 2007 alleen met [naam slachtoffer] is geweest, maar dat hij niet meer weet of er toen iets met [naam slachtoffer] is gebeurd.

Ter zitting heeft verdachte eveneens ontkend dat hij op 28 december 2007 of eerder die maand met [naam slachtoffer] zou hebben geschud.

Gelet op het hetgeen hiervoor is geschetst, is naar het oordeel van de rechtbank allerminst zeker dat verdachte een eerder schudmoment zou hebben bekend. Er lijkt veelal sprake te zijn geweest van speculeren over een eerder schudmoment naar aanleiding van de medische gegevens die destijds voorhanden waren. Bovendien heeft de forensisch arts Van Hooren niet kunnen uitsluiten dat de oudere bloeding vóór 28 december 2007 is ontstaan.

Was er sprake van (boos) opzet?

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of het handelen van verdachte, te weten het schudden met [naam slachtoffer] zonder zijn hoofd te ondersteunen, een poging tot doodslag dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert. Zij overweegt daartoe als volgt.

Van een strafbare poging tot een misdrijf is sprake, als het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering van dat misdrijf heeft geopenbaard. Het voornemen van de dader kan worden gelijkgesteld aan de opzet van de dader om het strafbare feit te plegen.

Van begin van uitvoering is sprake als de gedraging van de dader naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.

Verdachte heeft weliswaar bekend met [naam slachtoffer] te hebben geschud, maar deze gedraging kan niet als een begin van uitvoering gericht op de dood van [naam slachtoffer] worden beschouwd. Op basis van verdachtes verklaring kan namelijk allerminst worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen wilde bewerkstelligen dat [naam slachtoffer] zou komen te overlijden. Er is derhalve geen sprake van (boos) opzet om het primair ten laste gelegde feit te plegen.

Datzelfde geldt mutatis mutandis voor het subsidiair ten laste gelegde. Ook hier geldt dat op basis van verdachtes verklaring allerminst kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen wilde bewerkstelligen dat [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Er is derhalve evenmin sprake van (boos) opzet om het subsidiair ten laste gelegde feit te plegen.

Was er sprake van voorwaardelijk opzet?

Dan resteert de vraag of verdachte mogelijk voorwaardelijk opzet op de dood (primair) danwel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (subsidiair) heeft gehad.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg in dit geval de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel - is volgens vaste jurisprudentie aanwezig indien de verdachte willens en wetens (bewust) de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg zal intreden.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het door elkaar schudden van een baby, in dit geval een baby van slechts vijf maanden oud, ernstig letsel voor die baby tot gevolg kan hebben. Het is een bekend gegeven dat het babylichaam, in het bijzonder het in die fase relatief grote en zware hoofd, goed moet worden ondersteund. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat hij weliswaar niet wist dat het schudden met een baby dodelijke gevolgen kon hebben, maar dat hij wel meermalen door zijn echtgenote erop was gewezen dat hij het hoofdje van [naam slachtoffer] diende te ondersteunen. Overigens is uit het onderzoek ter terechtzitting niet komen vast te staan dat zijn echtgenote verdachte heeft gewezen op de mogelijke gevolgen (bv. de kans op ernstig letsel) van het niet ondersteunen van het hoofdje van [naam slachtoffer].

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte minst genomen had moeten vermoeden dat het schudden van [naam slachtoffer] ernstige gevolgen kon hebben. Of die ernstige gevolgen zouden hebben bestaan uit de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van [naam slachtoffer], is daarbij naar het oordeel van de rechtbank thans niet relevant, en wel om de volgende reden.

Hoewel op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat verdachte in ieder geval had moeten vermoeden dat het schudden van [naam slachtoffer] zeer ernstige gevolgen kon hebben, is daarmee nog niet gezegd dat verdachte die gevolgen ook bewust op de koop heeft toegenomen. Voor de vaststelling dat iemand zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een bepaalde kans is immers niet alleen vereist dat de betrokkenene wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Uit de verklaring van verdachte kan - kort gezegd - worden afgeleid dat hij weliswaar erkent dat hij met [naam slachtoffer] heeft geschud, maar dat hij dit enkel deed omdat hij [naam slachtoffer] stil wilde krijgen. Voorts volgt uit de verklaring van verdachte dat [naam slachtoffer] door dit schudden niet ophield met huilen, dat verdachte vrij snel bedacht dat hij er mee moest stoppen en dat hij vervolgens voor de, nog altijd huilende, [naam slachtoffer] een flesje is gaan maken. Toen [naam slachtoffer] vervolgens na enkele slokken in shock is geraakt is verdachte direct met [naam slachtoffer] naar het ziekenhuis gegaan.

Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij zich vrijwel direct realiseerde dat het niet goed was wat hij deed maar dit (in een ander verhoor) toegelicht. Hij bedoelde dat het schudden niet het door hem beoogde resultaat had, namelijk dat [naam slachtoffer] ophield met huilen.

Andere omstandigheden, buiten de verklaring van verdachte, die wijzen op aanvaarding van de aanmerkelijke kans op de dood dan wel ernstig letsel van [naam slachtoffer] zijn niet gebleken.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet zonder meer gezegd kan worden dat verdachte door zijn handelen de kans op de dood of ernstig letsel bij [naam slachtoffer] bewust op de koop heeft toegenomen. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van [naam slachtoffer].

Bovenstaande leidt tot het oordeel dat zowel de primair ten laste gelegde poging tot doodslag als de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling niet bewezen kan worden en dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ten slotte

Dat het handelen van verdachte juridisch gezien niet onder deze ten laste gelegde strafbare feiten valt, neemt niet weg dat verdachte door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel bij zijn toen vijf maanden oude zoon [naam slachtoffer] heeft veroorzaakt. Zijn echtgenote heeft hem meermalen erop gewezen dat hij het hoofdje van [naam slachtoffer] moest ondersteunen. Verdachte heeft dit op 5 januari 2008 - ondanks deze waarschuwingen - nagelaten. Dat verdachte heeft verklaard dat hij vanuit frustratie en vermoeidheid heeft gehandeld, doet niet af aan het feit dat hij zeer onzorgvuldig met zijn zoon is omgegaan, hetgeen heeft geleid tot subdurale bloedingen, hersenweefselschade, een tekort aan zuurstof en een (naar het zich laat aanzien blijvende) ontwikkelingsachterstand.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.A.F.M. Krol, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 april 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 5 januari 2008 in de gemeente Maastricht, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] (geboren op [2007]) van het leven te beroven, met dat opzet (telkens) die [naam slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (door elkaar) heeft geschud, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 5 januari 2008 in de gemeente Maastricht, meermalen, althans eenmaal, (telkens) aan een persoon genaamd [naam slachtoffer] (geboren op [2007]), zijnde zijn, verdachtes, kind, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meer subdura(a)l(e) hemato(o)m(en)) heeft toegebracht door die [naam slachtoffer] (telkens) opzettelijk vast te pakken en/of (vervolgens) die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (door elkaar) te schudden.