Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ0947

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
411319 AZ VERZ 11-6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijtbaar handelen werkgever bij verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 411319 AZ VERZ 11-6

typ: LE

Beschikking van 31 maart 2011

in de zaak van

de stichting MONDRIAAN,

gevestigd te Heerlen,

verzoekende partij,

verder ook te noemen: Mondriaan,

gemachtigde: mr. S.G.J. Habets, advocaat te Maastricht

tegen

[verweerder],

wonend te [adres],

verwerende partij,

verder ook te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. A.A.M. Hoogveld, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn de navolgende processtukken ingediend/overgelegd:

- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 24, ingekomen ter griffie op 17 januari 2011;

- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 24, ingekomen ter griffie op 16 februari 2011;

- een faxbericht van 18 februari 2011 van de zijde van de gemachtigde van Mondriaan, inhoudende bijlagen 25 tot en met 29;

- een schrijven van de zijde van de gemachtigde van [verweerder], ingekomen op 25 februari 2011, inhoudende bijlagen 25 en 26;

- een faxbericht van 25 februari 2011 van de zijde van de gemachtigde van Mondriaan, inhoudende bijlagen 30 tot en met 33;

- een faxbericht van 28 februari 2011 van de zijde van de gemachtigde van [verweerder], inhoudende bijlagen 27 tot en met 30;

- pleitnotities van de zijde van de gemachtigde van Mondriaan, overgelegd ter zitting van 21 februari 2011.

Partijen en hun gemachtigden zijn gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandelingen op 21 februari 2011 en op 28 februari 2011. Van het aldaar verhandelde heeft de griffier schriftelijk aantekening gehouden.

Vervolgens is de uitspraak bepaald op heden.

MOTIVERING VAN DE BESLISSING

Tussen partijen staat vast dat [verweerder], geboren op [1951], sedert 1 februari 2008 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst is van Mondriaan in de functie van Kinder- en Jeugdpsychiater tegen een maandloon van laatstelijk € 9.918,53 bruto. Daarnaast is [verweerder] (met ingang van voornoemde datum) binnen zijn divisie benoemd om de opleiding kinder- en jeugdpsychiatrie op te starten.

[verweerder] is sedert 7 juni 2011 arbeidsongeschikt.

Mondriaan verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens veranderingen in de omstandigheden.

Mondriaan heeft zich op het standpunt gesteld dat van haar niet langer kan worden gevergd het dienstverband met [verweerder] te laten voortduren, omdat gebleken is dat [verweerder] niet in staat is zijn inhoudelijke werkzaamheden als psychiater op een deugdelijke wijze uit te voeren. Voorts is gebleken dat [verweerder] bepaalde (administratieve) taken ernstig heeft verzaakt, waardoor hij patiënten in gevaar heeft gebracht en de goede naam en reputatie van Mondriaan heeft geschaad. [verweerder] is bovendien zodanig nalatig geweest, dat Mondriaan thans geen erkenning meer heeft voor de opleiding kinder- en jeugdpsychiatrie.

Zowel bij de collega’s als bij het management ontbreekt draagvlak voor [verweerder].

Ten slotte heeft [verweerder] het vertrouwen van Mondriaan in ernstige mate beschaamd door zonder medeweten van Mondriaan noch van de bedrijfsarts nevenwerkzaamheden te verrichten, namelijk het organiseren van het Nationaal Autisme Congres.

[verweerder] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden afgewezen. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet eerder dan op 1 mei 2011 moet worden vastgesteld, onder veroordeling van Mondriaan tot betaling van een vergoeding van € 492.000,-.

[verweerder] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat hem kort na zijn indiensttreding in februari 2008 is gebleken dat er echt iets mis was met de sfeer op de werkvloer en dat de samenwerking tussen het management van Mondriaan en het personeel niet goed verliep. Een en ander heeft voor [verweerder] persoonlijk geleid tot mentale en fysieke uitputting, uiteindelijk resulterend in een ziekmelding.

De verwijten van de zijde van Mondriaan met betrekking tot het functioneren van [verweerder] zijn nieuw voor hem en ontberen enige onderbouwing, alsook iedere feitelijke grondslag.

De kantonrechter heeft ter zitting aan partijen voorgehouden dat [verweerder] formeel nog steeds arbeidsongeschikt is en dat er derhalve sprake kan zijn van reflexwerking van het opzegverbod bij ziekte. [verweerder] heeft betoogd dat hij vermoeid en depressief is en al sinds januari 2010 op advies van de huisarts een psycholoog bezoekt wegens werkgerelateerde spanningsklachten. Het ziektebeeld is zodanig dat hij niet alleen in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Mondriaan klachten had, maar ook in de uitoefening van zijn nevenwerkzaamheden. Uiteindelijk zag hij zich genoodzaakt zijn werkzaamheden in juni 2010 te staken. Desalniettemin is de wijze waarop zaken tot nu toe zijn gelopen voor [verweerder] aanleiding om los te willen komen van Mondriaan.

Gelet op het vorenstaande stelt de kantonrechter vast dat geen van beide partijen heil ziet in voortzetting van de arbeidsrelatie. De kantonrechter is dan ook voornemens de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 mei 2011.

Thans moet de vraag worden beantwoord of aan [verweerder] een ten laste van Mondriaan komende vergoeding moet worden toegekend. Wil sprake zijn van toekenning van een vergoeding, dient vastgesteld te worden wie ter zake verwijten zijn te maken althans in wiens risicosfeer de ontbindingsgrond ligt.

Zowel uit de door [verweerder] overgelegde brieven en e-mailwisseling (bijlagen 2 tot en met 5 bij het verweerschrift), als uit de door Mondriaan overgelegde brief van 24 februari 2011 van dr. [psychiatrer], psychiater Divisie kinder- en jeugdpsychiatrie, aan de heer [divisiedirecteur], divisiedirecteur (bijlage 30 bij het verzoekschrift), kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [verweerder] onder zeer moeilijke omstandigheden heeft moeten werken.

[verweerder] is begonnen in een periode dat bij Mondriaan een veranderingstraject gaande was. In 2007 is gebleken dat de samenwerking en communicatie binnen de Divisie kinder- en jeugdpsychiatrie zowel top-down als bottum-up als ineffectief en niet effici?nt werd ervaren. In 2008 is naar aanleiding daarvan een verbeteringstraject doorlopen en afgerond (bijlage 2 bij het verweerschrift).

[psychiater], een directe collega van [verweerder], maakt in een mailwisseling met [divisiedirecteur] melding van een hoge werkdruk en een negatieve beleving van de werkplek (bijlage 3 bij het verweerschrift). De ondernemingsraad van de Divisie Kinderen en Jeugdigen heeft in mei 2008 haar taken en verantwoordelijkheden neergelegd omdat constructieve samenwerking met het divisiemanagementteam uitbleef. De ondernemingsraad werd niet, te laat en/of onvolledig ge?nformeerd over belangrijke zaken, waardoor zij onvoldoende in de gelegenheid werd gesteld om haar werk op een juiste wijze te doen (bijlage 5 bij het verweerschrift).

Onder deze omstandigheden - die door Mondriaan niet worden betwist - is [verweerder] begonnen met het opstarten van de opleiding kinder- en jeugdpsychiatrie. Hij heeft persoonlijk ervaren dat zich problemen voordeden met de planning van zijn agenda, met het treffen van facilitaire voorzieningen ten behoeve van de uitoefening van zijn werkzaamheden en met het voorzien in secretariële ondersteuning (bijlage 6 bij het verweerschrift). Bij het aankaarten van deze problemen heeft zich kennelijk een probleem voorgedaan in de verstandhouding tussen [verweerder] en [divisiedirecteur], dat zelfs op een zodanige wijze is geëscaleerd dat [verweerder] van een incident in september 2009 tegen [divisiedirecteur] aangifte heeft gedaan (bijlage 7 bij het verweerschrift).

Ondanks al deze omstandigheden, die in overwegende mate in de risicosfeer van Mondriaan liggen, is [verweerder] erin geslaagd in ieder geval het eerste jaar van de opleiding kinder- en jeugdpsychiatrie op te starten. Het door Mondriaan doorlopen verbetertraject heeft echter niet kunnen voorkomen dat [verweerder] aan de werkdruk en aan de negatieve werksfeer is bezweken. Nu dit wel het geval is geweest had van de zijde van Mondriaan verwacht mogen worden dat zij inspanningen verrichte om tot re-integratie van [verweerder] te komen of om middels mediation weer tot een werkbare relatie te komen.

Van inspanningen ten behoeve van de re-integratie van [verweerder] is onvoldoende gebleken. De gang van zaken met betrekking tot de door partijen opgestarte mediation is onduidelijk gebleven, maar heeft in ieder geval niet tot een positief resultaat geleid.

Met betrekking tot de klachten ten aanzien van de (mogelijke) professionele tekortkomingen van [verweerder] stelt de kantonrechter allereerst vast dat hij zich daarover - gezien de ontbrekende dan wel zeer beperkte documentatie daarover - kan nog zal uitlaten. Duidelijk is dat [verweerder] in veel gevallen niet in de gelegenheid is gesteld weerwoord te voeren en zelfs in deze procedure voor het eerst daarmee werd geconfronteerd. Mondriaan stelt weliswaar dat de directie [verweerder] duidelijk heeft aangegeven dat “hij zijn houding, gedrag en werkwijze drastisch moest aanpassen” maar op geen enkele wijze blijkt, bijvoorbeeld uit een verslag, dat dit op adequate wijze aan de orde is gesteld, waartoe toch alle reden zou zijn geweest gezien de (beweerdelijke) ernst van de klachten. Nader deskundige onderzoek terzake behoort in deze procedure niet tot de mogelijkheden.

Bovendien is de stellingname van Mondriaan inconsistent. Zij stelt (notabene) dat zijn optreden “risicovol handelen richting patiënten” met zich meebracht en dat door zijn nalatigheid de erkenning voor de opleiding kinder- en jeugdpsychiatrie verloren is gegaan.

Terwijl de heer [lid RvB], lid van de Raad van Bestuur hem (notabene) op 23 juli 2010 laat weten dat uit zijn gesprek met de heer [X] gebleken is dat de opleiding en het functioneren van [verweerder] als opleider “een positief beeld oplevert”; tevens dat alsdan nog moet worden nagegaan of er wel daadwerkelijk sprake is van risicovol handelen.

Terwijl nog in het najaar van 2010 mediation - mogelijk leidend tot terugkeer van [verweerder] – wordt afgesproken is korte tijd daarvan voortzetting van de samenwerking kennelijk geheel onmogelijk.

Door onder deze omstandigheden op de gestelde een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te verzoeken en daarin te volharden, heeft Mondriaan naar het oordeel van de kantonrechter onzorgvuldig en verwijtbaar jegens [verweerder] gehandeld.

Indien een werkgever van oordeel is op deze zwaarwegende gronden een werknemer te kunnen ontslaan, dient hij zorg te dragen voor een grondig gedocumenteerde motivering en/of onderbouwing. Bij gebreke daaraan is de handelwijze van de werkgever onverantwoord en laakbaar.

Als [verweerder] al op onderdelen van zijn functioneren zou zijn tekortgeschoten had het op de weg van Mondriaan gelegen om hem op zijn functioneren aan te spreken en een verbeteringstraject aan te bieden. De van de zijde van Mondriaan overgelegde klachten van ouders (bijlage 31 bij het verzoekschrift) zijn dan ook van weinig meerwaarde, nog daargelaten dat de status van de klachten volstrekt onduidelijk zijn gebleven.

Het vorenstaande leidt tot de gevolgtrekking dat ontbindingsgrond in overwegende mate ana het handelen van Mondriaan te wijten is en dat derhalve aan [verweerder] een ten laste van Mondriaan komende vergoeding moet worden toegekend.

De verwijtbare handelwijze van Mondriaan zal weliswaar in de vergoeding worden verdisconteerd, maar de aanspraak van [verweerder] - kort gezegd: vergoeding van de volledige inkomensschade tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd - acht de kantonrechter bovenmatig.

Het moet zeer wel mogelijk worden geacht dat [verweerder] na hersteld te zijn van zijn huidige arbeidsongeschiktheid, nog werkzaamheden als psychiater zal kunnen verrichten.

Voor de berekening van de hoogte van de vergoeding acht de kantonrechter de hantering van de kantonrechtersformule, gelet op de korte duur van het dienstverband van [verweerder], niet geschikt. De kantonrechter zal de vergoeding dan ook naar billijkheid vaststellen op

€ 238.120,- bruto, welk bedrag is gerelateerd aan twee bruto jaarinkomens van [verweerder].

De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter partijen in kennis stellen van zijn voornemen de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een vergoeding, waarbij Mondriaan tot en met 10 april 2011 in de gelegenheid zal worden gesteld het verzoek in te trekken. In dat geval zal zij de kosten van deze procedure dienen te dragen.

BESLISSING

Voor het geval Mondriaan haar verzoek niet uiterlijk op 10 april 2011 heeft ingetrokken

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2011.

Kent aan [verweerder] een ten laste van Mondriaan komende vergoeding toe van € 238.120,- bruto.

Veroordeelt Mondriaan - voor zover nodig - tot betaling van die vergoeding aan [verweerder].

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Voor het geval Mondriaan haar verzoek uiterlijk op 10 april 2011 heeft ingetrokken

Veroordeelt Mondriaan in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 400,- voor het salaris van de gemachtigde.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.A.F. Coenegracht, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.