Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ0803

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-04-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
03/700521-10 en 03/630995-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk ter zake van poging zware mishandeling, mishandeling en bedreigingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/700521-10 en 03/630995-08 (vordering tot tenuitvoerlegging)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 april 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. R.R.J.W. Delsing, advocaat te Kerkrade.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 maart 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is, zoals deze luidt na wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd om een woninginbraak met geweld te plegen dan wel heeft geprobeerd om [naam slachtoffer 1] zwaar te mishandelen dan wel [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld.

Feit 2: [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] meerdere malen heeft bedreigd met de dood/zwaar lichamelijk letsel.

Feit 3: [naam slachtoffer 3] gedurende enkele dagen van haar vrijheid heeft beroofd.

Feit 4: [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met de dood/zwaar lichamelijk letsel.

Feit 5: [naam slachtoffer 3] heeft mishandeld.

Feit 6: [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met de dood/zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank leest in het tweede feit, derde regel van de tenlastelegging, dat aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zowel [naam slachtoffer 2] als [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd en niet alleen [naam slachtoffer 2]. Dit betreft een kennelijke verschrijving. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair, nu het oogmerk van verdachte om te stelen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte had bovendien enkel nog maar de centrale toegangsdeur van het appartementencomplex geforceerd en nog niet de deur naar de woning van [naam slachtoffer 3].

Wel kunnen volgens de officier van justitie de feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 en 6 wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Voor wat betreft feit 1 subsidiair verwijst de officier van justitie naar de aangifte van [naam slachtoffer 1], de verklaring van verdachte ter terechtzitting, het proces-verbaal van bevindingen van de politie en de verklaring van getuige [naam getuige 1].

De officier van justitie verwijst ter zake van feit 2 naar de aangiften van [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 2] en de bekennende verklaring van verdachte.

Voor wat betreft feit 3 wijst de officier van justitie op de aangifte van [naam slachtoffer 3] en het feit dat de werknemers van de pizzeria inderdaad een ruziënd stel hebben gezien. Uit de geneeskundige verklaring volgt voorts dat [naam slachtoffer 3] letsel heeft opgelopen. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte ter zake van dit feit onbetrouwbaar.

Ten aanzien van feit 4 verwijst de officier van justitie naar de aangifte van [naam slachtoffer 3] en de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van de feiten 5 en 6 wijst de officier van justitie ten slotte op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, de aangiften van [naam slachtoffer 3], de constatering van letsel van [naam slachtoffer 3] door de politie, de geneeskundige verklaring en de verklaringen van de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3].

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het oogmerk had om te stelen. Verdachte moet voorts ter zake van de feiten 1 subsidiair en 1 meer subsidiair worden vrijgesproken, omdat hij de feiten niet heeft gepleegd, dan wel ontslagen worden van alle rechtsvervolging nu verdachte een beroep kan doen op noodweer gezien het excessieve geweld dat [naam slachtoffer 1] tegen verdachte heeft gebruikt. Voorts is de raadsman van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feit 3. Ten aanzien van feit 3 bestaat immers geen enkel bewijs anders dan de verklaring van [naam slachtoffer 3]. Ten aanzien van feit 5 wijst de raadsman er ten slotte op dat verdachte enkel heeft bekend dat hij [naam slachtoffer 3] aan de haren heeft getrokken. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Op 25 september 2010 heeft [naam slachtoffer 1] aangifte gedaan ter zake van een poging tot inbraak dan wel poging tot zware mishandeling door verdachte op 24 september 2010 te Heerlen. [naam slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij de eigenaar is van het appartementencomplex gelegen in het perceel [adres]. Een van de appartementen wordt door hem bewoond. Op 24 september 2010 bevond hij zich in zijn woonkamer van zijn appartement, toen hij het geluid van een dichtslaande deur hoorde. Terwijl [naam slachtoffer 1] op straat poolshoogte ging nemen, hoorde hij een deur in zijn pand open of dicht gaan. Toen [naam slachtoffer 1] een duw tegen de voordeur van dit pand gaf , ging de deur open en zag hij een persoon die hij niet kende - naar later bleek verdachte - in de gang staan. [naam slachtoffer 1] probeerde de voordeur te sluiten om de politie te bellen, maar verdachte trok volgens [naam slachtoffer 1] de voordeur open en zei: “Die kankerhoer heeft van mij gestolen, ik ben hier niet voor jou”. [naam slachtoffer 1] heeft verdachte hierop aan diens jas vastgepakt en hem tegen de garagedeur gedrukt. Volgens [naam slachtoffer 1] hield hij verdachte van achteren vast en had hij zijn armen om hem heen geslagen. [naam slachtoffer 1] voelde meerdere klappen met een ijzeren voorwerp op zijn gezicht, hoofd, linkerschouder, linkeronderarm, linkerbeen en linkerheup. Verdachte hield dit ijzeren voorwerp volgens [naam slachtoffer 1] eerst rechts en daarna links vast, terwijl hij daarmee achter zich sloeg. [naam slachtoffer 1] zag tijdens de worsteling dat dit ijzeren voorwerp een breekijzer was. Ter terechtzitting heeft [naam slachtoffer 1] aan deze verklaring toegevoegd dat verdachte enkel de voordeur van het appartementencomplex had geforceerd, maar nog niet een van de deuren die toegang geven tot de appartementen.

De politie heeft geconstateerd dat [naam slachtoffer 1] klaagde over pijn aan zijn hoofd en lijf en dat hij meerdere rode vlekken in het gezicht, een gezwollen linkerarm en rode vlekken op een gezwollen linkerbeen had. Uit de geneeskundige verklaring volgt dat [naam slachtoffer 1] kneuzingen en blauwe plekken had links in zijn gelaat, aan zijn linkerbovenarm en linkeronderarm en dat hij rode plekken had aan zijn linkerboven- en onderbeen. De linkerknie van [naam slachtoffer 1] was gezwollen en gekneusd. De linkerhelft van het gelaat van [naam slachtoffer 1] was tevens gezwollen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij een koevoet heeft gebruikt om de voordeur van het appartementencomplex open te breken. Verdachte heeft verklaard dat hij niet van plan was om iets te stelen, maar dat hij de deur van het appartement van de aldaar wonende [naam slachtoffer 3] wilde beschadigen zodat zij hierdoor onkosten zou maken. Volgens verdachte was hij hier echter nog niet aan toegekomen. [naam slachtoffer 1] verscheen namelijk in de hal, waarop verdachte hem heeft gezegd dat hij voor [naam slachtoffer 3] kwam. Volgens verdachte vloog [naam slachtoffer 1] hem echter meteen aan. Verdachte heeft verklaard dat [naam slachtoffer 1] hem tegen de grond en de trapleuning aanduwde en daarbij op hem inbeukte. Omdat [naam slachtoffer 1] een grote man is en omdat hij verdachte in een wurggreep hield, heeft verdachte zijn breekijzer vastgepakt, dat inmiddels uit zijn broekspijp op de grond was gegleden. Om zich te verweren heeft verdachte hiermee naar achteren gepord en geslagen. Volgens verdachte heeft hij [naam slachtoffer 1] daarbij echter niet geraakt.

Nu uit geen der processtukken volgt dat verdachte het oogmerk had om in te breken teneinde goederen en/of geld van [naam slachtoffer 3] of [naam slachtoffer 2] weg te nemen, acht de rechtbank het onder feit 1 primair aan verdachte ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

Gelet op de inhoud van de verklaring van aangever [naam slachtoffer 1], de constatering van letsel bij [naam slachtoffer 1] door de politie, de geneeskundige verklaring en de verklaring van verdachte dat hij met de koevoet naar achteren heeft geslagen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, in dier voege dat hij heeft geprobeerd om aan [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een ijzeren voorwerp tegen het hoofd en lichaam te slaan.

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende. Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die voorwaarden houden volgens artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigen gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval (vgl. HR 21 november 2006, LJN AX9177, NJ 2006, 650).

De rechtbank stelt voorop dat het niet onbegrijpelijk is dat [naam slachtoffer 1] verdachte heeft vastgepakt, nu verdachte zich met geweld toegang had verschaft tot het perceel van [naam slachtoffer 1] en vervolgens in de hal van het perceel door [naam slachtoffer 1] werd aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank stond [naam slachtoffer 1] in zijn recht toen hij verdachte vastpakte. De rechtbank is van oordeel dat aan de lezing van de verdachte van het gebeuren, namelijk dat [naam slachtoffer 1] excessief geweld heeft gebruikt, geen geloof kan worden gehecht. Uit geen van de bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte door [naam slachtoffer 1] in een verwurging is genomen en door de politie werd geen letsel bij verdachte geconstateerd. Evenmin heeft verdachte gewag gemaakt van letsel. De enige getuige die spreekt over geweld dat op verdachte is uitgeoefend door [naam slachtoffer 1], beschrijft een situatie die noch door verdachte, noch door de aangever wordt bevestigd. De rechtbank acht derhalve niet aannemelijk dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer wordt daarom door de rechtbank verworpen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het meermalen bedreigen door verdachte van [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] met de dood wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting;

- de aangiften van [naam slachtoffer 3];

- de aangifte van [naam slachtoffer 2].

Ten aanzien van feit 3

Op 24 september 2010 deed [naam slachtoffer 3] aangifte ter zake van gijzeling dan wel ontvoering door verdachte in de periode van 18 september 2010 tot en met 24 oktober 2010. Volgens [naam slachtoffer 3] is zij, tijdens deze gijzeling, op 18 september 2010 door verdachte mishandeld. [naam slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij na deze mishandeling de woning van verdachte is uitgevlucht naar een pizzeria naast deze woning. Volgens [naam slachtoffer 3] heeft verdachte haar opgehaald in de pizzeria en moest zij van hem weer mee naar de woning van verdachte. Verdachte heeft vervolgens enkele dagen lang voorkomen dat [naam slachtoffer 3] de woning kon verlaten.

Verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie ontkend dat hij [naam slachtoffer 3] in deze periode tegen haar wil heeft vastgehouden.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam slachtoffer 3] geen ondersteuning vindt in het procesdossier. Hoewel er door de politie tijdens het verhoor van [naam slachtoffer 3] op 24 september 2010 letsel bij [naam slachtoffer 3] werd geconstateerd, is de rechtbank van oordeel dat dit letsel ook op andere wijze kan zijn ontstaan dan door toedoen van verdachte en dat het enkele feit dat [naam slachtoffer 3] letsel heeft nog niet betekent dat zij is gegijzeld of ontvoert. De rechtbank acht aldus niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde gijzeling heeft gepleegd. Zij zal hem dan ook vrijspreken van feit 3.

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht de bedreiging door verdachte van [naam slachtoffer 3] met de dood wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting;

- de aangifte van [naam slachtoffer 3].

Ten aanzien van de feiten 5 en 6

Op 15 juni 2010 deed [naam slachtoffer 3] aangifte ter zake van mishandeling en bedreiging door verdachte op diezelfde dag te Heerlen. Op 16 juni 2010 heeft [naam slachtoffer 3] deze aangifte aangevuld, waarbij zij heeft verklaard dat zij op 15 juni 2010 naar de kamer van verdachte is gegaan, omdat zij daar samen zouden eten. Volgens [naam slachtoffer 3] vroeg verdachte aan haar waar zij ’s middags was geweest, waarop verdachte vond dat [naam slachtoffer 3] ontwijkend antwoordde en vervolgens zei: “Kankerhoer, ik maak je af, ik sla je dadelijk kapot”. Verdachte kwam daarna op [naam slachtoffer 3] af en trok haar aan haar haren. Volgens [naam slachtoffer 3] zag zij dat hij hierop een pluk haren in zijn hand hield. Vervolgens pakte verdachte [naam slachtoffer 3] bij haar keel en kneep hij volgens haar haar keel dicht, waarna zij geen lucht meer kreeg. Hierna is [naam slachtoffer 3] op de grond terecht gekomen. Terwijl zij op de grond lag, sloeg verdachte haar met gebalde vuisten op haar hele lichaam. [naam slachtoffer 3] weet niet meer hoe vaak verdachte haar precies heeft geslagen. Vervolgens schopte verdachte [naam slachtoffer 3] een aantal maal met een geschoeide voet, onder meer tegen haar linkeronderbeen. [naam slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij een grote blauwe plek op haar linkeronderbeen heeft en dat zij pijn heeft bij het slikken. Verbalisant ziet dat [naam slachtoffer 3] inderdaad een grote blauwe plek op haar linkeronderbeen heeft en dat zij tevens een aantal rode kleine striemen in haar nek heeft. [naam slachtoffer 3] heeft voorts verklaard dat verdachte tijdens het slaan en schoppen meerdere keren heeft gezegd dat hij haar ‘kapot gaat maken’. [naam slachtoffer 3] voelde zich hierdoor ernstig bedreigd.

Uit de geneeskundige verklaring van 18 juni 2010 volgt dat bij [naam slachtoffer 3] roodheid in de hals en een bloeduitstorting op haar scheenbeen van ongeveer 15 bij 10 centimeter worden geconstateerd.

De dochter van [naam slachtoffer 3], getuige [naam getuige 3], is op 15 juni 2010 naar de woning van verdachte gegaan omdat haar moeder daar was. Zij heeft verklaard dat haar moeder wilde vertrekken, maar dat verdachte haar niet wilde laten gaan. Verdachte hield [naam slachtoffer 3] volgens [naam getuige 3] tegen door haar aan haar trui vast te pakken en haar vervolgens bij haar haren vast te pakken. [naam slachtoffer 3] viel hierop op de grond. [naam getuige 3] hoorde dat verdachte tegen [naam slachtoffer 3] zei: “Ik maak je af”. [naam getuige 3] heeft niet gezien dat verdachte [naam slachtoffer 3] heeft geslagen of geschopt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad tegen [naam slachtoffer 3] heeft gezegd: “Ik maak je af”, maar dat hij dit niet zomaar heeft geroepen. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft geschopt of geslagen, maar dat hij [naam slachtoffer 3] wel aan haar haren heeft getrokken en gedaan heeft alsof hij haar wilde schoppen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij [naam slachtoffer 3] met een arm tegen de borst tegen de wc-deur heeft gedrukt en haar heeft geduwd en vastgepakt.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, gelet op het volgende. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [naam slachtoffer 3] bij de keel heeft gegrepen en deze heeft dichtgeknepen, gezien de verklaring van [naam slachtoffer 3] en het door verbalisanten en de geneeskundige geconstateerde letsel. Gelet op de verklaringen van verdachte, [naam slachtoffer 3] en [naam getuige 3] ter zake acht de rechtbank voorts bewezen dat verdachte [naam slachtoffer 3] aan de haren heeft getrokken, haar heeft geduwd en vastgepakt. Gelet op het feit dat verdachte [naam slachtoffer 3] aan de haren heeft getrokken en de verklaring van [naam slachtoffer 3] dat verdachte bij haar een pluk haren heeft uitgetrokken, acht de rechtbank ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen.

De rechtbank is ten slotte van oordeel, gelet op de verklaringen van verdachte, [naam slachtoffer 3] en [naam getuige 3] over de uitlatingen van verdachte dat het onder 6 aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 24 september 2010 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, met een ijzeren voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam van die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

in de periode van 28 juli 2010 tot en met 14 september 2010 in de gemeente Kerkrade en/of Heerlen, [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] meermalen, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd:

- "Als ik erachter kom dat je met Karin bent dan maak ik jullie allebei af. Ik

kan ook schieten." en/of

- "Ik wil mijn laptop terug en anders gaan jullie er aan!" en/of

- "Je bent van mij. Ik maak je kapot" en/of

- "Jan is van mij, ik maak hem kapot. Wacht maar af." (per SMS-bericht via

het nummer van [naam slachtoffer 3])

- "Jan weg of ik maak hem weg" (per SMS-bericht via het nummer van

[naam slachtoffer 3]),

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

op 18 juli 2010 in de gemeente Kerkrade [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 3]

dreigend toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat hij haar kapot zou maken;

5.

15 juni 2010, in de gemeente Heerlen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer 3]), aan de haren heeft vastgepakt en een pluk haren heeft uitgetrokken en bij de bovenarmen heeft vastgepakt en tegen de muur heeft geduwd/gedrukt en bij de keel heeft vastgepakt en de keel heeft dichtgeknepen, waardoor die [naam slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

6.

op 15 juni 2010, in de gemeente Heerlen, [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"Dadelijk sla ik je op je bek" en/of "kankerhoer, ik maak je af, ik sla je dadelijk kapot" en/of "ik maak je af" en/of "ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van feit 5:

mishandeling

Ten aanzien van feit 6:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling

Zoals onder 3.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep op noodweer ter zake van feit 1 subsidiair niet. Ook zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van de duur van het voorarrest en met oplegging van een proeftijd voor de duur van twee jaren. De officier van justitie is van mening dat aan deze proeftijd als bijzondere voorwaarde moet worden verbonden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als deze inhouden een meldingsgebod en een behandeling ter zake van huiselijk geweld bij FPK De Horst of een soortgelijke instelling. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar strafeis rekening gehouden met de talrijke feiten die verdachte heeft gepleegd en de gewelddadige aard daarvan.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, indien zij zal komen tot een bewezenverklaring, niet over te gaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, nu verdachte daarbij niet is gebaat omdat hij zijn leven nu opnieuw aan het opbouwen is en daarmee vooruitgang boekt. De raadsman ziet wel aanleiding om een werkstraf en eventueel een zware voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, opdat de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden aan verdachte kunnen worden opgelegd. Deze bijzondere voorwaarden kunnen dan gelden als ‘stok achter de deur’, zodat verdachte op het rechte pad zal blijven.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft gedurende een periode van circa 4 maanden meerdere strafbare feiten gepleegd die bestaan uit een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [naam slachtoffer 1], een mishandeling van [naam slachtoffer 3] en het meerdere malen bedreigen van [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 2]. In beginsel acht de rechtbank hiervoor een gevangenisstraf passend. Verdachte heeft ter terechtzitting niet laten zien dat hij inziet dat hij onjuist heeft gehandeld. Geconfronteerd met zijn handelen heeft verdachte er ter terechtzitting blijk van gegeven dat hij volgens hem goede redenen had om zo te handelen als hij heeft gedaan.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS). De rechtbank houdt in het nadeel van verdachte rekening met het feit dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld. Bovendien rekent de rechtbank verdachte diens houding ten aanzien van de feiten zwaar aan en houdt zij rekening met de ernst van de feiten en het feit dat verdachte gedurende een periode van enkele maanden dezelfde personen herhaaldelijk heeft bedreigd.

De klinisch psycholoog drs. F. van Nunen stelt in haar Pro Justitia-rapportage van 29 december 2010 vast dat uit haar onderzoek blijkt dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een lichte persoonlijkheidsstoornis, waarbij sprake is van een zekere onrijpheid waarbij zelfbeeld en zelfgevoel onvoldoende in de persoonlijkheid zijn geïntegreerd net met narcistische, afhankelijke en antisociale kenmerken. Verder is er sprake van een cannabisverslaving. Deze gebrekkige ontwikkeling beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes c.q. zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde zodanig dat het tenlastegelegde mede daaruit verklaard kunnen worden. Uit de rapportage volgt de conclusie dat verdachte op grond van zijn beperkingen als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Volgens de klinisch psycholoog is intensieve begeleiding door en/of onder de regie van de reclassering geïndiceerd om het leven van verdachte verder goed op de rails te krijgen. De rechtbank maakt deze conclusie tot de hare.

De reclasseringswerker [naam reclasseringswerker] schat in haar advies van 4 januari 2011 het recidiverisico in als hoog gemiddeld. Verdachte heeft na het beëindigen van zijn relatie wel meerdere leefgebieden in orde gekregen. Hij heeft nieuwe zelfstandige woonruimte, wil gaan werken en is gestopt met het drinken van alcohol. Ingeschat wordt dat er een laag / gemiddeld risico op onttrekken aan voorwaarden is. [naam reclasseringswerker] schat in dat betrokkene zal meewerken aan de voorwaarden. Gezien de hoge kans op recidive en de problemen op diverse leefgebieden is er volgens [naam reclasseringswerker] een toezicht geïndiceerd. In het toezicht moet er vooral aandacht zijn voor het alcohol- en cocaïnegebruik van verdachte en eventuele terugvalpreventie. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijke) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden: een meldingsgebod en een behandelverplichting, inhoudende aanmelding bij een Forensische Poli voor een training huiselijk geweld.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de voorlopige hechtenis passend en geboden. De rechtbank zal hiermee, gelet op het feit dat de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van het onder 4 ten lastegelegde, een hogere straf aan verdachte toemeten dan door de officier van justitie is geëist. Echter, door de gezamenlijkheid van de feiten en de hoeveelheid feiten die verdachte heeft gepleegd, acht de rechtbank dit passend en geboden. De rechtbank zal deze straf dan ook opleggen en zal bepalen dat verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft en dat verdachte dient mee te werken aan een meldingsgebod en een behandelverplichting bij de FPK DE Horst of een soortgelijke instelling ter zake van een training huiselijk geweld.

6 De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van veertien dagen, aan verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank te Maastricht d.d. 4 maart 2009 gewezen onder parketnummer 03/630995-08.

De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

De verdediging voert aan dat verdachte niet gebaat is bij tenuitvoerlegging van bovengenoemde straf, gezien zijn pogingen om op het rechte pad te blijven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan, zijn niet aanwezig.

De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten 1 primair en 3;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook indien deze inhouden een meldingsgebod en een de verplichting om bij FPK De Horst of een soortgelijke instelling een training ter zake van huiselijk geweld te volgen;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tot tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 4 maart 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 03/630995-08, te weten een gevangenisstraf voor de duur van veertien dagen, ten uitvoer zal worden gelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 april 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging, ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 september 2010 in de gemeente Heerlen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid goederen en/of

geld, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 3],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte een (voor)deur van een

pand, gelegen aan de [adres], heeft geforceerd en/of geopend en/of

(vervolgens) voornoemd pand heeft betreden, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1]

voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [naam slachtoffer 1] meermalen,

althans eenmaal, met een (ijzeren) voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam

heeft geslagen;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 24 september 2010 in de gemeente Heerlen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd J.G.J.

[naam slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

meermalen, althans eenmaal, met een (ijzeren) voorwerp tegen het hoofd en/of

het lichaam van die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 24 september 2010 in de gemeente Heerlen opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer 1]), meermalen, althans eenmaal,

met een (ijzeren) voorwerp tegen/het hoofd en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] heeft

geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2010 tot en met 14 september 2010

in de gemeente Kerkrade en/of Heerlen, in elk geval in het arrondissement

Maastricht [naam slachtoffer 2] en/of meermalen, althans eenmaal, (telkens) heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans (telkens) met

zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde

[naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd:

- "Als ik erachter kom dat je met Karin bent dan maak ik jullie allebei af. Ik

kan ook schieten." en/of

- "Ik wil mijn laptop terug en anders gaan jullie er aan!" en/of

- "Je bent van mij. Ik maak je kapot" en/of

- "Jan is van mij, ik maak hem kapot. Wacht maar af." (per SMS-bericht via

het nummer van [naam slachtoffer 3])

- "Jan weg of ik maak hem weg" (per SMS-bericht via het nummer van

[naam slachtoffer 3]),

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 18 september 2010 tot en met 24 september

2010 in de gemeente Kerkrade opzettelijk [naam slachtoffer 3] wederrechtelijk van

de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet die [naam slachtoffer 3]

heeft gedwongen met hem, verdachte, mee te gaan en/of (vervolgens) achter die

[naam slachtoffer 3] heeft gelopen en/of (vervolgens) iets "puntigs" in de rug van die

[naam slachtoffer 3] heeft geduwd en/of (vervolgens) heeft gezegd dat die [naam slachtoffer 3]

moest doorlopen en/of (vervolgens) (bij de woning van verdachte aangekomen)

die [naam slachtoffer 3] gedwongen heeft eten voor hem te maken en/of (vervolgens) dei

[naam slachtoffer 3] heeft gestompt en/of geslagen en/of getrapt en/of geschopt en/of

(vervolgens) de woning heeft afgesloten en/of (vervolgens) de sleutel bij zich

heeft gehouden;

4.

hij op of omstreeks 18 juli 2010 in de gemeente Kerkrade [naam slachtoffer 3] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 3]

dreigend toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat hij haar kapot zou maken,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;(861263-10)

5.

hij op of omstreeks 15 juni 2010,

in de gemeente Heerlen,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer 3]), aan de haren

heeft vastgepakt en/of een pluk haren heeft uitgetrokken en/of bij de

bovenarmen heeft vastgepakt en/of tegen de muur heeft geduwd/gedrukt en/of

bij de keel heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel heeft dichtgeknepen,

waardoor die [naam slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;(861296-10)

6.

hij op of omstreeks 15 juni 2010,

in de gemeente Heerlen,

[naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 3] dreigend de woorden

toegevoegd :"Dalijk sla ik je op je bek" en/of "kankerhoer, ik maak je af, ik

sla je dalijk kapot" en/of "ik maak je af" en/of "ik maak je kapot", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;(861296-10)

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummers: 03/700521-10 en 03/630995-08 (vordering tot tenuitvoerlegging)

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 11 april 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. R.R.J.W. Delsing, advocaat te Kerkrade.