Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ0595

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
399109 CV EXPL 10-5126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eerst bij repliek legt Energiedirect uit hoe zij gemeenlijk contracteert, factureert, correspondeert en hoe zij klanten 'begeleidt' .

Niet alleen is dit (te) laat, maar bovendien te weinig op het geval van deze klant en haar rekening(en) toegespitst. Mede omdat eisende partij geen bewijs aangeboden heeft en omdat ook het verweer van de klant niet opgaat dat er totaal geen betalingsachterstand resteert, ziet de kantonrechter aanleiding om die achterstand aan de hand van de wel beschikbare gegevens te schatten. Verzuim ter zake kan echter in verband met gebrekkige naleving van de stelplicht door Energiedirect eerst per datum dagvaarding aangenomen worden. Dit heeft ook gevolgen voor de proceskosten (algehele compensatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer 399109 CV EXPL 10-5126

Vonnis van 30 maart 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap ENERGIEDIRECT B.V.,

statutair gevestigd te [plaats sub 1] en kantoorhoudend te [plaats sub 2],

verder ook te noemen: ED,

eisende partij,

gemachtigden: A.H. Groenwegen en mr. A.J. Steenstra, deurwaarders te Arnhem

tegen

[gedaagde],

wonend te [plaats sub 3],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, gemeente Sittard-Geleen

(toev. [toevoegingsnummer]).

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

ED heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 26 oktober 2010 in rechte betrokken ter zake van een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding (zonder enige productie).

De als [gedaagde] gedagvaarde [gedaagde] heeft - na gevraagd en verkregen uitstel - als ‘[gedaagde]’ schriftelijk geantwoord.

Vervolgens hebben partijen voor repliek respectievelijk dupliek geconcludeerd, ED onder toevoeging (alsnog) van vijf, deels meervoudige producties.

De repliek was weliswaar afkomstig van een onbekende (ongenoemd gelaten) persoon in [plaats sub 2] en niet van de aangewezen gemachtigden, maar zal wel aan ED toegerekend worden

(de repliek is mogelijk zelfs rechtstreeks afkomstig van ED, die zich in het stuk consequent ‘energie:direct’ noemt en in de tekst herhaaldelijk de ‘wij-vorm’ gebruikt).

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

ED vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 765,47, nog te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 612,00 vanaf 23 oktober 2010 tot de voldoening en onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

ED baseert haar vorderingen in het uiterst summiere exploot van dagvaarding op een of meer overeenkomst(en) tot levering van energie onder niet nader geëxpliciteerde voorwaarden, ter uitvoering waarvan [gedaagde] een of meer (nader blijkt slechts één) factuur / facturen tot een bedrag van € 612,00 onbetaald gelaten heeft. Reeds daarom acht ED [gedaagde] tevens vertragingsrente (‘tot op heden’ in het exploot berekend op € 3,47) en (vergoeding van) buitengerechtelijke kosten tot een forfaitair bedrag van € 150,00 verschuldigd.

In augustus 2010, stelt ED in het exploot, is [gedaagde] ‘tenminste’ (bedoeld zal zijn: ten minste) tweemaal per brief aangemaand en desondanks is zij ‘in gebreke’ gebleven.

Eerst bij repliek en naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] heeft ED enige uitwerking aan de aldus betrokken stellingen gegeven en de grondslag van haar diverse claims van meer substantie voorzien.

Het oorspronkelijke verweer legde de vinger op het gebrek aan substantiëring in het exploot, dat volgens de gemachtigde van [gedaagde] niet aan de eisen van artikel 111 lid 3 Rv. voldoet (ten aanzien van de overeenkomst, de factuur en de verdere onderbouwing van hoofdvordering en nevenvorderingen). In voortgezet debat strekt het nadere verweer ertoe te betogen dat ED met de nader ingediende stukken nog steeds niet aantoont dat [gedaagde] de door ED gestelde betalingsachterstand had en heeft. Volgens [gedaagde] ‘ligt de vordering voor afwijzing gereed’. Daarenboven betwist [gedaagde] de ontvangst van volgens ED naar haar e-mailadres verzonden ‘herinneringen’ en van beweerdelijk door ‘Intrum Justitia’ aan haar gestuurde stukken (allemaal niet in het geding gebracht). Er zijn ten aanzien van incasso slechts twee op blanco papier gemaakte prints ingebracht, waaronder de naam ‘Groenwegen en Partners’ staat.

Onduidelijk blijft volgens [gedaagde] dan ook wat ED in haar richting ondernomen heeft.

Zij concludeert dat er geen vordering is die zich voor toewijzing leent. .

b. de feiten en omstandigheden

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

- Er heeft tussen ED en [gedaagde] een kennelijk langs telefonische weg tot stand gekomen leveringsovereenkomst bestaan, waarvan de exacte voorwaarden (zowel specifiek voor deze klant als de eventueel van toepassing verklaarde algemene) volstrekt onduidelijk gebleven zijn.

- Een schriftelijke bevestiging van de tussen partijen gemaakte afspraken ontbreekt bij de stukken en er is ook niet aangeboden deze alsnog in het geding te brengen.

- Netwerkbeheerder Enexis heeft gedurende enige tijd (in de jaren 2008 /2009) ten aanzien van het adres van [gedaagde] afgifte van gas en elektra waargenomen/vastgesteld (en [gedaagde] erkent ook dat daar ‘in het verleden’, korte tijd of langer, sprake van was).

- ED heeft een ‘eindnota’ van 20 juli 2010 in het geding gebracht, waarin de door Enexis gemeten gegevens verwerkt zijn.

- De nota mondt uit in een totaal aan verbruikskosten/vaste kosten stroom ad € 807,60 en een totaal aan verbruikskosten/vaste kosten gas ad € 965,30.

- In een afzonderlijk ‘financieel overzicht klant 480745’ (het nummer waaronder [gedaagde] ook in de ‘eindnota’ figureert) verwerkt ED voor het jaar 2009 betalingen, vrijwel geheel via automatische incasso, van [gedaagde] tot een totaal van € 1.160,90 naast de opsomming van een reeks ‘gestorneerde’ betalingen.

c. de beoordeling

Door het ontbreken van essentieel te achten documenten is de inhoud van de overeenkomst tot energielevering door ED aan [gedaagde] niet komen vast te staan, terwijl ter zake ook geen bewijs aangeboden is. Indien en voor zover ED dan ook beroep doet op een specifiek contractueel beding dan wel op een of meer algemene voorwaarden waarvan noch het bedongen zijn als zodanig noch de inhoud vaststaat, kan daaraan geen enkel gevolg verbonden worden, behoudens in het geval [gedaagde] de gelding en de inhoud uitdrukkelijk erkend heeft. De bij repliek - deels in algemene bewoordingen voor zover het gaat om de bij ED gangbare praktijk - gerelateerde totstandkoming langs telefonische weg van een leveringsrelatie tussen ED en [gedaagde] is als zodanig echter niet betwist, ook niet naar moment van totstandkoming. Verder betwist [gedaagde] in voortgezet debat niet dat er energie in de vorm van zowel gas als elektriciteit aan haar woonadres [adres] geleverd is in het tijdvak 11 november 2008 tot 19 augustus 2009. De over die periode ten aanzien van het leveringsadres door netwerkbeheerder Enexis geregistreerde vergelijkende meterstanden (321/4.302 voor elektriciteit en 24.296/25.502 voor gas; zie productie 1 bij repliek) heeft [gedaagde] voor kennisgeving aangenomen, althans niet bestreden (zij merkt er slechts over op - op zichzelf terecht - dat daar nog geen betalingsachterstand uit blijkt).

ED heeft die meterstanden echter tot uitgangspunt genomen voor wat zij haar ‘eindnota’ noemt en dat is in het licht van hetgeen nu vaststaat, aanvaardbaar. De ‘eindnota’ van 20 juli 2010 (waarvan [gedaagde] overigens opmerkelijkerwijs bij antwoord noch bij dupliek betwist heeft die ontvangen te hebben en de inhoud dus ook buiten de procedure gekend te hebben) is eigenlijk geen factuur te noemen maar geeft een totaaloverzicht van verbruik en (vaste) kosten over een periode die vanaf de ‘facturering’ een jaar terug in de tijd ligt. Onduidelijk is gebleven of en hoe (dan wel wanneer) [gedaagde] eerder dan 20 juli 2010 over (al) die in de ‘eindnota’ opgenomen gegevens geïnformeerd is en zich aldus een beeld heeft kunnen vormen van het totale verbruik en de daarop betrekking hebbende totale kosten. De aan de hand van de meterstanden van Enexis (productie 1) door ED zelf berekende hoeveelheden geleverd gas (in m³) en geleverde elektriciteit (in kWh) stemmen voor wat betreft de stroom precies overeen met de Enexis-gegevens (3.981 kWh). De berekening van het gasverbruik bevat evenwel een storende, door [gedaagde] niet opgemerkte fout. Niet alleen wordt uitgegaan van een 10 m³ hogere beginstand (hetgeen tot een evenredig voordeel voor [gedaagde] zou moeten leiden, omdat er dan 10 m³ minder verbruik uit zou resulteren), maar de aftreksom van 25.502 m³ en 24.306 m³ had moeten uitmonden in een verbruikscijfer van 1.196 m³ gas.

De kantonrechter zal - omdat exactere gegevens uitgebleven zijn en ED ook geen alternatieve vordering aan hem voorgelegd heeft, voor deze evidente fout via een schatting een billijkheidscorrectie op de rekening toepassen, waarover later.

Cruciaal is vervolgens hoe, wanneer en op basis van welke (liefst vaststaande) gegevens ED het gemeten verbruik plus de daaraan verbonden (ook vaste) kosten gerelateerd heeft aan de van [gedaagde] (periodiek) ontvangen betalingen en aldus een eventuele restschuld van [gedaagde] bepaald heeft. Opmerking behoeft in dit verband dat [gedaagde] de in de ‘eindnota’ aangehouden tarieven voor zowel vaste als variabele kosten niet betwist heeft, zodat die voor juist gehouden moeten worden. Met uitzondering van de hierboven gereleveerde evidente rekenfout heeft dit ook te gelden voor de diverse onbetwist gebleven rekensommen waarvan de afrekening blijk geeft. [gedaagde] handhaafde in voortgezet debat slechts als verweer dat uit alle stukken geen betalingsachterstand of schuld van haar afgeleid kan worden. Dit is vreemd, want uit een afzonderlijk, ongedateerd overzicht (productie 2, waarvan inderdaad niet blijkt dat dit haar eerder gestuurd is; het heeft er meer de schijn van dat het speciaal voor deze procedure geredigeerd is) kan precies afgeleid worden welke van [gedaagde] afkomstige betalingen verrekend zijn met de gedurende de leveringsperiode in rekening gebrachte kosten. Die kosten zijn (zie de ‘eindnota’) voor stroom € 807,60 en voor gas € 965,30. De ‘correcties’ waarvan in de nota van 20 juli 2010 sprake is, kunnen niet uitgelegd worden als ontvangen betalingen, maar hadden kennelijk tot doel (ook al is dat een enigszins curieuze werkwijze) om alles in één ‘transactie tbv gerechtelijke procedure’ te rangschikken als restschuld, in dit geval een bedrag (volgens ED) van € 612,00. Laatstgenoemd bedrag vond ED door de optelsom van kosten (€ 1.772,90) te vergelijken met alle ontvangen betalingen (volgens productie 2 in totaal € 1.160,90). Omdat [gedaagde] op geen enkele wijze betwist heeft dat slechts € 1.160,90 betaald is, laat staan dat zij haar betalingen met bewijsstukken geadstrueerd heeft, moet dit overzicht voor juist gehouden worden. De zes door ED in aanmerking genomen betalingen via automatische incasso en de eenmalige ‘handmatige’ bancaire betaling waren in 2009 goed voor een totaal van € 1.160,90, terwijl uit het overzicht tevens afgeleid kan worden dat tot vijfmaal toe een poging tot automatische incasso mislukt is. Ongetwijfeld ligt in dit laatste de verklaring voor het ontstaan van een achterstand.

De kantonrechter zal de door ED gemaakte rekenfout aldus redresseren, dat van de hoofdsom slechts € 580,00 voor toewijzing vatbaar verklaard wordt. Omdat ED voorts op volstrekt ontoereikende wijze geadstrueerd heeft dat, waarom en wanneer (voor die schuld) buiten rechte betalingsverzuim aan de zijde van [gedaagde] ingetreden is, zal dit verzuim eerst per datum dagvaarding aangenomen kunnen worden. Een verzuim immers dat door dagvaarding in rechte ingetreden is. Dit impliceert dat van toewijzing van een post vervallen rente noch een post vergoeding van buitengerechtelijke kosten sprake kan zijn en dat de wettelijke rente over € 580,00 eerst vanaf 26 oktober 2010 toewijsbaar is.

Omdat ED tot slot pas in deze procedure, en dan nog eerst bij repliek, de duidelijkheid verschaft heeft die nodig was om de gerechtvaardigdheid van een restvordering op [gedaagde] te kunnen beoordelen, acht de kantonrechter het aanvaardbaar om de proceskosten in het geheel te compenseren: iedere partij draagt de eigen kosten.

BESLISSING

[gedaagde] wordt veroordeeld om aan ED tegen bewijs van kwijting een bedrag van € 580,00 te betalen, met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2010 tot de datum van voldoening.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.