Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ0567

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
383901 CV EXPL 10-3021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op goede gronden betwist een (ex-) klant van een telefoonprovider de rechtsgeldigheid van een beweerde cessie van daaruit ontstane rechten op naam aan een financieringsmaatschappij (opkoper van zulke vorderingen). Ten overvloede wordt eveneens ingegaan op enige inhoudelijke aspecten van de beweerde vordering van de provider in relatie tot daaraan te stellen motiveringseisen en beoordelingsmarges (ontbinding bij geringe achterstand en 'uitfacturering' voor een wellicht te fors bedrag).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer 383901 CV EXPL 10-3021

Vonnis van 30 maart 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MARJOC I B.V.,

handelend onder de naam MARJOC FINANCE,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te [plaats],

verder ook te noemen: MF,

eisende partij,

gemachtigde: mr. E.E.J.M. Buttolo, deurwaarder te Heerlen

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

MF heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 23 juni 2010 in rechte betrokken ter zake van een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding (er is bij gelegenheid van dagvaarding met het exploot geen enkele productie betekend en ook ter eerst dienende datum zijn geen producties ingebracht).

[gedaagde] heeft - na bij herhaling gevraagd en verkregen uitstel - schriftelijk geantwoord.

De rolrechter heeft vervolgens, toen bleek dat MF op de aangewezen datum niet gerepliceerd had (noch op uitstel aangedrongen had), een datum voor vonnis bepaald.

Op uitdrukkelijk verzoek van MF is alsnog gelegenheid geboden te repliceren, waarvan MF op 24 november gebruikgemaakt heeft. Met de repliek zijn (in fotokopie) liefst negen (meervoudige) producties (‘produkties’ volgens de stempelopdruk) ingediend.

Tot slot heeft [gedaagde] op 19 januari 2011 voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

MF vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 528,38, nog te vermeerderen met de bedongen rente naar 1% per maand over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 478,61 vanaf 15 juni 2010 tot de voldoening en onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten. Met het exploot van 23 juni 2010 is [gedaagde] tevens aangezegd dat MF haar rechten op naam door cessie op 31 december 2009 verkregen had van Telfort B.V. te Amsterdam (verder: Telfort).

De aldus verworven vorderingen jegens [gedaagde] baseerde MF bij exploot - samengevat - op een overeenkomst tot levering van mobiele telefoondiensten onder toepasselijkheid van algemenen voorwaarden, ter zake waarvan [gedaagde] in gebreke gebleven was aan haar betalingsverplichting(en) tot een totaalbedrag van € 478,61 te voldoen (door MF verder aangemerkt als ‘wanbetaling’ en ‘toerekenbare tekortkoming’), hetgeen tot de noodzaak van ‘incasso’ geleid heeft. In verband met het laatste zegt MF ‘buitengerechtelijke kosten verschuldigd’ te zijn die zij voor een bedrag van € 75,00 aan [gedaagde] doorberekent, naast de hoofdsom en een bedrag van € 28,08 aan vervallen contractuele rente ‘vanaf 10 dagen na factuurdatum’. In voortgezet debat en naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] heeft MF (alsnog) een grote hoeveelheid slechts ten dele toegelichte producties in het geding gebracht en getracht nadere onderbouwing aan haar vordering te verschaffen. MF is van oordeel dat het de eigen ‘verantwoording’ (bedoeld is ongetwijfeld: verantwoordelijkheid) van [gedaagde] was om bij een verhuizing tijdig de adreswijziging door te geven (aan Telfort, zal hier maar aangenomen worden). Omdat op ‘betalingsherinneringen’ niet gereageerd werd, heeft Telfort ‘de aansluiting definitief beëindigd’ en ‘de resterende abonnementsgelden als schadebedrag in rekening gebracht’ (het ging bij die rekening van november 2009 om een bedrag van niet minder dan € 453,67). Toen daarna evenmin betaling volgde, is de vordering ter incasso uit handen gegeven aan “GGN Incasso B.V.”. Een betalingsregeling - die MF ziet als blijk van (impliciete) erkenning van ‘onderhavige vordering’ - is [gedaagde] ‘niet correct’ nagekomen.

Het verweer in twee ronden komt erop neer dat [gedaagde] primair de rechtsgeldigheid van de cessie blijft betwisten, ook nadat MF bij repliek een kopie van een akte d.d. 26 maart 2009 zonder bijlage(n) in het geding gebracht had. Subsidiair betwist zij het bedrag verschuldigd te zijn dat MF / Telfort op grond van een factuur van 25 november 2009 in rekening brengt, al is het maar omdat er geen grond bestond tot contractbeëindiging (sterker nog: Telfort heeft daardoor aan [gedaagde] schade toegebracht, zodat de vordering niet alleen ongegrond, maar ook onredelijk is). Bij antwoord had [gedaagde] zich er ook nog over beklaagd dat MF bij exploot geen enkel inzicht bood in de vordering door geen stukken over te leggen, niet te specificeren en geen rekening te houden met diverse tussentijdse verhuizingen van [gedaagde]. Uitdrukkelijk heeft [gedaagde] bestreden dat zij ‘toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de door eiseres gestelde overeenkomst’. Geheel subsidiair heeft zij zich nog gemotiveerd verzet tegen de nevenvordering die ziet op het doorberekenen van kosten tot incasso en die - als zij zich al zouden lenen voor vergoeding - ‘aanzienlijk’ gematigd zouden moeten worden. De renteclaim is alleen bij antwoord betwist.

b. de beoordeling

Alvorens op de inhoudelijke aspecten van de consumentenovereenkomst d.d. 15 november 2008 tussen Telfort en [gedaagde] in te (kunnen) gaan, zal eerst uitgemaakt moeten worden of MF op goede gronden beweert een rechtsvordering die uit die relatie voortvloeit, jegens [gedaagde] geldend te kunnen maken. Het antwoord daarop moet ontkennend luiden, omdat MF te dien aanzien tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] volstrekt onvoldoende feitenmateriaal verschaft en bovendien nalaat uitdrukkelijk bewijs aan te bieden. Wat dat laatste betreft, zij erop gewezen dat bij exploot namens MF weliswaar in uiterst globale zin bewijs aangeboden is ten aanzien van ‘al haar stellingen’, maar dat dit aanbod eerstens bij repliek niet eens meer herhaald is, maar - belangrijker - niet toegespitst is op het thema cessie en op de onderwerpen die te bewijzen waren en de middelen waarmee bewijs geleverd zou kunnen worden. Dat bewijslevering eventueel aan de orde zou kunnen zijn, hangt overigens in hoge mate af van het antwoord op de vraag of MF ten aanzien van die cessie wel in voldoende mate aan haar stelplicht voldaan heeft. Dat antwoord valt nog allerminst vanzelfsprekend in het voordeel van MF uit, gelet op de evidente tegenspraak in het eigen betoog van MF en haar gemachtigde. In dit opzicht is frappant hoe MF gereageerd heeft op de tegenwerping van [gedaagde] bij antwoord (na een betwisting bij gebrek aan wetenschap) dat zij de cessie aangetoond wil zien. Waar bij exploot - zowel in de aanzegging van de ‘cessie’, als in de tweede overweging - melding gemaakt wordt van een akte van 31 december 2009 waarbij door Telfort N.V. te Amsterdam rechten ten opzichte van (onder meer) [gedaagde] overgedragen zouden zijn aan ‘Marjoc I B.V.’, doet MF zonder enige verdere verklaring (die alleszins op haar plaats of zelfs noodzakelijk geweest zou zijn) bij repliek uitsluitend beroep op een in kopie ingebrachte akte van 26 maart 2009. Eerstens gaat het dan om een datum die (ruimschoots) voor het moment ligt dat Telfort het contract met [gedaagde] meende te moeten beëindigen wegens een toen verkregen (al dan niet opeisbare) vordering op [gedaagde] (einde november 2009, althans einde augustus 2009) en kan door het ontbreken van een essentiële bijlage niet vastgesteld worden welke rechtsvorderingen deel uitmaakten van het overgedragen bestand. Blijkens het bewuste document heeft Telfort in maart 2009 op basis van verkoop een verder onbekend gebleven voorraad rechtsvorderingen bovendien niet aan MF maar aan ‘Marjoc B.V.’ overgedragen. Dat deze cessionaris gelijkgesteld moet worden met MF dan wel de directe rechtsvoorgangster van MF was, is verder gesteld noch gebleken. Om dit samenstel van redenen moet geconcludeerd worden dat MF niet aangetoond of zelfs maar aannemelijk gemaakt heeft dat zij rechten jegens [gedaagde] uit een overeenkomst tussen Telfort en [gedaagde] kan uitoefenen, zodat de vordering in haar geheel afgewezen moet worden. Geheel ten overvloede wordt overwogen dat [gedaagde] ook tegenover Telfort een sterke zaak lijkt te hebben als zij zich blijft verzetten tegen het eenzijdig en compromisloos beëindigen van een duurcontract door Telfort bij een achterstand in de betaling van € 24,94 (…) en a fortiori tegen een ‘uitfacturering’ zonder verdere tegenprestaties voor een bedrag van € 453,67. Ongeacht of daarvoor een beroep gedaan wordt op de rechtspraak over onredelijk bezwarende bedingen in consumentencontracten (in het licht van Europese richtlijnen) of dat steun gezocht wordt in artikel 6:248 lid 2 BW, moet de kans hoog ingeschat worden dat [gedaagde] op zijn minst voor een deel haar verweer tegen de hoofdvordering en eventuele nevenvorderingen van Telfort gehonoreerd zal krijgen.

In deze zaak leidt het ongelijk van MF tot een proceskostenveroordeling, die erop neerkomt dat zij [gedaagde] een bedrag van € 200,00 aan salaris gemachtigde zal dienen te vergoeden.

BESLISSING

De vordering(en) wordt (worden) integraal afgewezen.

MF wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op een totaalbedrag van € 200,00 aan salaris gemachtigde.

Het vonnis wordt voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.