Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ0502

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
03/700680-10 en 10/741106-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Verdachte wordt veroordeeld terzake het opzettelijk vervoeren van heroïne en cocaïne.

Het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, dan wel dat er sprake moet zijn van bewijsuitsluiting, omdat een verbalisant in strijd met de aanzegging van de rechter-commissaris heeft gehandeld, wordt verworpen. De rechtbank volstaat in dat verband met de constatering dat er sprake is van een vormverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/700680-10 en 10/741106-10 (VTVV)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 april 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

Raadsman is mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 maart 2011, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen [naam medeverdachte] met het parketnummer 03/[700xxx-xx].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander heroïne en cocaïne heeft vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

3.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging pleit voor de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, omdat gehandeld zou zijn in strijd met (primair) het Zwolsmancriterium, dan wel (subsidiair) het zogenoemde Karmancriterium.

Het Zwolsmancriterium zou aan de orde zijn, omdat politieambtenaar [S.] na zijn verhoor door de rechter-commissaris, in strijd met de uitdrukkelijke instructies van die rechter-commissaris, contact heeft opgenomen met politieambtenaar [L.] vóórdat laatstgenoemde door de rechter-commissaris werd gehoord. Om die reden is volgens de verdediging sprake van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Het Karmancriterium zou aan de orde zijn, omdat door voornoemd handelen van politieambtenaar [S.] sprake is van een fundamentele inbreuk op de procesorde die het wettelijke systeem in zijn kern raakt, nu [S.] de verhouding tussen hem en de rechterlijke macht heeft miskend.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat van een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen sprake kan zijn. Zij voert hiertoe aan dat er geen aanleiding is om te menen dat sprake is van doorgestoken kaart, nu elke verbalisant iets anders heeft verklaard te hebben gezien. Bovendien is het belang van de verdediging niet geschaad. Indien de rechter-commissaris zou menen dat in strijd met zijn instructie was gehandeld, zou hij dat ongetwijfeld hebben aangekaart, aldus de officier van justitie.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verbalisant [S.] op 25 januari 2011 en verbalisant [L.] op 27 januari 2011 in deze zaak als getuigen werden gehoord door de rechter-commissaris.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de rechter-commissaris getuige [S.] heeft aangezegd dat hij zich met betrekking tot deze zaak en tot de inhoud van het verhoor diende te onthouden van contact met de collega’s die nog zouden moeten worden gehoord op 27 januari 2011, zulks tot na het verhoor van die getuigen.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat in de tijd gelegen tussen beide verhoren [S.] en [L.], in strijd met de aanzegging van de rechter-commissaris, contact met elkaar hebben gehad. Immers, [L.] verklaarde tegenover de rechter-commissaris onder meer: ‘Collega [S.] heeft mij verteld dat hij bij de rechter-commissaris had aangegeven dat hij mij gebeld heeft.’

De rechtbank stelt voorop dat verbalisant [S.] onjuist heeft gehandeld door in strijd met de aanzegging van de rechter-commissaris contact op te nemen met verbalisant [L.]. Dit betreft een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat niet meer kan worden hersteld. Een dergelijk verzuim kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet (artikel 359a, eerste lid aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering).

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak en er evenmin sprake is van een fundamentele inbreuk op de procesorde die het wettelijk systeem in zijn kern raakt, zoals door de verdediging is gesteld.

Gelet op de inhoud van de verklaringen van de verschillende verbalisanten ziet de rechtbank geen enkele reden om aan te nemen dat deze op enigerlei wijze op elkaar zijn afgestemd. De rechtbank acht de verklaringen juist betrouwbaar, nu iedere verbalisant – er werden in totaal vijf verbalisanten door de rechter-commissaris gehoord – lijkt te verklaren vanuit zijn/haar eigen gezichtspunt. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander opzettelijk ruim 600 gram harddrugs heeft vervoerd.

De officier van justitie brengt naar voren dat de aanhouding van verdachte rechtmatig was. Hiertoe verwijst ze naar de verklaringen van de verbalisanten, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris. Uit die verklaringen blijkt dat de reden van de controle op grond van de Wegenverkeerswet 1994 was gelegen in de vreemde reactie van de bestuurder, medeverdachte [naam medeverdachte], nu deze zou hebben getwijfeld of achteruit zou hebben gereden op het moment dat hij zijn weg mocht vervolgen. De verklaringen van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] dat laatstgenoemde niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de verdovende middelen acht de officier van justitie ongeloofwaardig.

4.2 Het standpunt van de verdediging

In de eerste plaats brengt de verdediging naar voren dat wanneer het door haar gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer niet door de rechtbank mocht worden gehonoreerd, al hetgeen is verkregen als gevolg van de controle door de politie van het bewijs dient te worden uitgesloten om dezelde redenen als hiervoor onder 3.1 weergegeven.

In de tweede plaats voert de verdediging aan dat hetgeen is aangetroffen bij de controle buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat de betrouwbaarheid van hetgeen de verbalisanten daaromtrent hebben gerelateerd onvoldoende vast staat. Om die reden zou niet kunnen worden vastgesteld of de controle op rechtmatige gronden heeft plaatsgevonden.

In beide gevallen dient verdachte te worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

In de derde plaats brengt de verdediging naar voren dat er een probleem is met de zogenoemde chain of custody. Er kan namelijk onvoldoende worden vastgesteld dat de verdovende middelen die naar het NFI zijn gezonden, de stoffen betreffen die bij verdachte werden aangetroffen, nu:

- in het proces-verbaal van politie wordt gerelateerd over het aantreffen van de verdovende middelen in een plastic zak;

- de naar het NFI gestuurde verdovende middelen een partij betrof zonder die plastic zak;

- verbalisant [S.] heeft verklaard dat de verdovende middelen zijn bewaard zoals ze zijn aangetroffen, dat hij niets heeft weggegooid en dat hij ook zijn collega’s niets heeft zien weggooien.

Ook dit dient te leiden tot vrijspraak van verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewijsuitsluiting

Zoals hierboven aangegeven onder 3.3 is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verbalisant [S.] in strijd met de aanzegging van de rechter-commissaris een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek oplevert. Dit vormverzuim kan leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen (artikel 359a, eerste lid aanhef en onder b van het Wetboek van Strafvordering). Bij de vraag of bewijsuitsluiting dient te worden toegepast, dient de rechtbank onder meer rekening te houden met het nadeel dat door het verzuim wordt veroorzaakt (artikel 359a, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). Nu naar het oordeel van de rechtbank de verdachte door het verzuim niet in enig belang is geschaad, acht zij uitsluiting van het bewijs niet aan de orde. De rechtbank zal volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten

Zoals hierboven onder 3.3 is aangegeven acht de rechtbank de verklaringen van de verbalisanten betrouwbaar. In de door de verdediging aangehaalde tegenstrijdigheden ziet de rechtbank juist een aanwijzing dat de verklaringen niet op elkaar zijn afgestemd. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze tegenstrijdigheden zien op de minder belangrijke details.

Chain of custody

De rechtbank stelt vast dat de politie op pagina 2 van het proces-verbaal van bevindingen heeft gerelateerd over het in de auto aantreffen van een plastic zak met daarin twee plastic zakken en dat verderop in het dossier niet meer wordt gerept over de buitenste plastic zak.

Het enkele feit dat er mogelijk een plastic zak ontbreekt, is geen reden voor het doorbreken van de zogenoemde chain of custody, zoals de verdediging stelt. Immers, de verbalisanten geven in het proces-verbaal aan dat de bij verdachte aangetroffen stoffen de verdovende middelen zijn die naar het Nederlands Forensisch Instituut werden verzonden. Bovendien heeft verdachte niet aangevoerd dat de in het proces-verbaal van bevindingen beschreven en gefotografeerde verdovende middelen niet de stoffen waren die hij vervoerde. Dat het om andere stoffen zou gaan is ook anderszins niet aannemelijk geworden.

Gelet op het bovenstaande verwerpt de rechtbank alle door de verdediging gevoerde verweren met betrekking tot (de rechtmatigheid van) het bewijs.

Het bewijs

Inleiding

Op 15 december 2010 omstreeks 14:50 uur bevonden verschillende verbalisanten zich op de [K.weg] te Eijsden in verband met een reanimatie. Deze verbalisanten waren onder meer doende het verkeer ter plaatse te reguleren.

Aan [naam medeverdachte] werd, als bestuurder van een personenauto, in dat kader een stopteken gegeven. Verdachte [naam verdachte] zat als bijrijder in deze auto. De auto reed over de [K.weg] komende uit de richting van Maastricht en gaande in de richting van Eijsden.

Op enig moment werd door enkele verbalisanten een controle in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 ingesteld.

Het aantreffen van de verdovende middelen

Verbalisant [L.] zag aan de voeten van de bijrijder een doorzichtige plastic zak liggen, inhoudende kleine plastic bollen met bruine en witte substanties, hem ambtshalve bekend als vermoedelijk heroïne en cocaïne.

Verbalisant [S.] vroeg of de bijrijder zijn armen wilde spreiden, teneinde hem te kunnen fouilleren. Hij zag toen dat, onder de kleding van de bijrijder vandaan, een zwarte sok op de grond viel.

Verbalisant [J.] raapte de sok op en zag dat deze gevuld was met diverse bollen, gewikkeld in doorzichtig cellofaan, met daarin een bruine substantie, haar ambtshalve bekend als vermoedelijk heroïne.

De stoffen werden inbeslaggenomen. Het betrof bruto 29,4 gram cocaïne en bruto 581,8 gram heroïne, waarvan bruto 511 gram zich in de sok bevond.

Ter terechtzitting d.d. 23 maart 2011 verklaarde verdachte onder meer – zakelijk weergegeven –: “Ik had de verdovende middelen bij me. Toen de politie kwam gooide ik vanuit mijn kleding een zak op de grond, ter hoogte van de plek waar ik in de auto zat. Bij mijn fouillering viel de sok uit mijn kleren. Ik had niet tegen [naam medeverdachte] gezegd dat ik drugs bij mij had.”

Conclusie:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aangetroffen heroïne en cocaïne opzettelijk heeft vervoerd, nu hij zelf heeft erkend dat hij de verdovende middelen opzettelijk bij zich had en de politie heeft waargenomen dat de auto, waarin verdachte als bijrijder zat, kwam aanrijden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft gepleegd ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’, nu verdachte heeft verklaard dat de bestuurder van de auto niet wist dat hij, verdachte, de verdovende middelen bij zich had en dit ook niet kón weten, omdat verdachte een deel van de verdovende middelen eerst onder zijn kleding vandaan haalde op het moment van de verkeerscontrole en het resterende deel uit zijn kleding viel op het moment van fouillering. Van een mogelijk andere mededader is de rechtbank niet gebleken. Van het ten laste gelegde medeplegen zal de rechtbank verdachte dan ook partieel vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 15 december 2010 in de gemeente Eijsden opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 70,8 gram en een sok met ongeveer 511 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 29,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest.

Hiertoe voert ze aan dat het gaat om een grote hoeveelheid verdovende middelen, dat verdachte heeft gehandeld uit financieel gewin en dat de handel in verdovende middelen maatschappelijke overlast veroorzaakt. Voorts voert de officier van justitie aan dat verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat de eis van de officier van justitie te hoog is, nu de oriëntatiepunten van het LOVS bij de ten laste gelegde hoeveelheid verdovende middelen, de categorie ‘standaard’ en recidive, uitgaan van een gevangenisstraf van negen maanden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft ruim 600 gram harddrugs vervoerd. Dit is een ernstig strafbaar feit.

Verdachte kan als betrokkene bij de handel in verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt.

Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Bij de bepaling van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS. Het LOVS kent geen oriëntatiepunten voor het opzettelijk vervoeren van harddrugs, wel voor het opzettelijk uitvoeren daarvan. Bij de uitvoer van 500 tot 1.000 gram harddrugs gaan de oriëntatiepunten – voor de categorie ‘standaard’, waartoe de rechtbank verdachte rekent – uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes tot acht maanden.

Daar het strafmaximum voor het opzettelijk vervoeren van harddrugs tweederde is van het strafmaximum voor het opzettelijk uitvoeren van harddrugs en het in dit geval gaat om een hoeveelheid van zo’n 600 gram, acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend.

Echter, gelet op het feit dat verdachte op 13 juli 2010 nog werd veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet acht de rechtbank een hogere straf op zijn plaats en zal zij aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opleggen.

7 Het beslag

De rechtbank zal de in het dictum te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven verdovende middelen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien zij van zulke aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met betrekking waartoe het bewezenverklaarde is begaan.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.

De verdediging pleit voor afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging, gelet op haar conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat verdachte van het ten laste gelegde feit behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij vonnis van de rechtbank Rotterdam (parketnummer 10/741xxx-xx) op 13 juli 2010 werd veroordeeld tot – kort gezegd – een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Nu verdachte in deze proeftijd een strafbaar feit heeft gepleegd, heeft hij zich niet gehouden aan de voorwaarde die bij voornoemd vonnis werd bepaald.

Verdachte was een gewaarschuwd man. Niettemin heeft hij zich wederom schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten, nu zij geen reden ziet om daarvan af te zien.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen aan het verkeer onttrokken:

o 382.9 gram heroïne, voorwerpnummer 1872228;

o 29.4 gram cocaïne, voorwerpnummer 1872264;

o 70.8 gram heroïne, voorwerpnummer 1872265;

o 128.1 gram heroïne, voorwerpnummer 1872522;

o monster heroïne, voorwerpnummer 1872525;

o monster heroïne, voorwerpnummer 1872527;

o monster cocaïne, voorwerpnummer 1872529;

o monster heroïne, voorwerpnummer 1872531;

o monster heroïne, voorwerpnummer 1872532;

Tenuitvoerlegging (10/741106-10)

- gelast dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. J.H. Klifman en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 april 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 15 december 2010 in de gemeente Eijsden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 70,8 gram heroïne en/of (een sok met) 511 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 29,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.