Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP9760

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 906
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Looninhouding chauffeur wegens schade aan voertuig bij inparkeren. Beroep gegrond en herroeping primaire besluit. Aan eiser is roekeloos rijgedrag verweten onder verwijzing naar te hoge snelheid. Aan vastgestelde snelheid kan slechts waarde worden toegekend aan de hand van objectieve criteria, schatting van twee getuigen is daartoe onvoldoende. Oordelen van verzekeringsexperts zijn summier en kennen ruime marges. Tweede expert meldt nadrukkelijk dat het schatting betreft die moeilijk juridisch kan worden onderbouwd. Black box in voertuig levert geen informatie want was buiten werking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 906

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser],

wonend te Cadier en Keer, eiser,

en

[verweerder],

verweerder.

Datum bestreden besluit: 12 mei 2010

Kenmerk: 2010/2096

1. Procesverloop

Eiser heeft tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 februari 2011. Ter zitting is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door S. Cloosterman, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door G.P.F. van Duren, advocaat te

’s-Hertogenbosch, en H.J.M. Gummels, werkzaam bij de GGD Zuid-Limburg.

2. Overwegingen

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Eiser is in dienst van de GGD Zuid-Limburg in de functie van ambulancechauffeur.

Bij besluit van 8 februari 2008 heeft verweerder eiser op grond van artikel 16:1:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) de disciplinaire straf opgelegd van een schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim, bestaande uit het veroorzaken van schade aan bezittingen van een van zijn collega’s alsmede aan een van de garagepoorten van de Ambulancezorg, locatie Maastricht (‘het garagepoortincident’). Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

In de avond van 28 januari 2009 heeft eiser tijdens de dienst een zogenoemde ‘A1-melding’gekregen, met als plaats van bestemming de instelling Vijverdal te Maastricht. Bij aankomst ter plaatse bleek een auto de inrit aan een kant te versperren. Daarop is eiser langs de andere kant van de inrit het terrein opgereden en heeft hij de ambulance achteruit ingeparkeerd. Bij deze manoeuvre heeft de ambulance een luifel van het gebouw geraakt. Hierbij heeft de bijrijder van de ambulance rugletsel (van voorbijgaande aard) opgelopen en is de achterkant van de ambulance beschadigd geraakt.

Na daartoe bij brief van 10 juni 2009 het voornemen kenbaar te hebben gemaakt, heeft verweerder eiser bij besluit van 28 september 2009 op grond van artikel 16:1:2, eerste lid, aanhef en onder e, van de CAR/UWO wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf opgelegd van niet-betaling van het bruto salaris over een halve maand (exclusief toelagen). Het aan eiser verweten plichtsverzuim bestaat uit het onnodig hard en roekeloos rijden met een dienstvoertuig waardoor onnodig materiële schade is veroorzaakt en bovendien de goede naam dan wel het imago van verweerder schade is toegebracht. Verweerder heeft daarbij laten meewegen dat aan eiser ook in 2008 al een disciplinaire straf is opgelegd wegens plichtsverzuim.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 28 september 2009 ongegrond verklaard.

In beroep heeft eiser zich, mede onder verwijzing naar de gronden van bezwaar, gemotiveerd gekeerd tegen het bestreden besluit.

Naar aanleiding van wat partijen in beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank herinnert eraan dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 16 oktober 1997, LJN AK6390 en TAR 1998, 1) de bestuursrechter in ambtenarenzaken die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de voorhanden zijnde gegevens voldoende aanwijzingen opleveren voor de stelling dat eiser roekeloos hard achteruit heeft gereden. Verweerder heeft zich daarbij voornamelijk gebaseerd op getuigenverklaringen en op verklaringen van een tweetal schade-experts.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder de snelheid waarmee eiser heeft achteruit gereden niet exact heeft kunnen vaststellen. Vast staat dat de zogenoemde ‘blackbox’ die de gereden snelheid zou hebben kunnen registeren ten tijde van het ongeval buiten werking was.

Wat betreft de door verweerder ingeroepen getuigenverklaringen stelt de rechtbank voorop dat het in zijn algemeenheid niet eenvoudig is om de snelheid van een rijdend voertuig in te schatten en dat verklaringen die - zoals hier - op schattingen zijn gebaseerd terughoudend moeten worden beoordeeld (vgl. Hoge Raad 6 oktober 2009, LJN BJ9367). Dit mede in aanmerking nemende kan de rechtbank aan de getuigenverklaringen van de portier van Vijverdal, Z, en de bijrijder, V, niet die waarde toekennen die verweerder daaraan toegekend wil zien. Daarbij laat de rechtbank wegen dat de betreffende verklaringen weinig gedetailleerd, zo niet zeer summier zijn te noemen.

Verweerder heeft zich daarnaast gebaseerd op een verklaring van de schade expert J. Snippe Kiers. Deze deskundige schat de gereden snelheid, gelet op de aan hem voorgelegde foto’s van de schade aan de ambulance, op “tussen de 30 en 40 km per uur”. De door hem nader geraadpleegde verkeersongevallenanalist W. Hofman denkt dat de botssnelheid is vast te stellen op 25 tot 35 km per uur. Een dergelijke snelheid moet volgens Hofman voldoende zijn geweest om de opgetreden deformatie te veroorzaken. Aan deze verklaringen kan de rechtbank evenmin die waarde kan toekennen die verweerder daaraan toegekend wil zien.

Aan de verklaring van Snippe Kiers kleeft naar het oordeel van de rechtbank in de eerste plaats het bezwaar dat Snippe Kiers niet zelf heeft gerapporteerd omtrent zijn bevindingen en conclusies. Onder de gedingstukken bevindt zich slechts een ‘Memo telefonisch onderhoud’ van 28 september 2009 dat een, kennelijk door een medewerker van verweerder opgestelde, weergave bevat van een met Snippe Kiers gevoerd telefoongesprek. Het oordeel van Snippe Kiers is bovendien summier en (daarmee) naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd.

Ook de onderbouwing van de conclusie van de deskundige Hofman is bepaald summier te noemen. Daarnaast valt op dat Hofman zelf de nodige voorbehouden maakt ten aanzien van de mogelijkheid om alleen op basis van de schadebeelden de snelheid vast te stellen waarmee een voertuig in botsing is gekomen. Anders dan bij een normaal verkeersongeval beschikt Hofman met betrekking tot een eenzijdige botsing, zoals in dit geval, niet over vergelijkingsmateriaal. Hofman besluit zijn verklaring bovendien nadrukkelijk met de opmerking:

“Het blijft echter een schatting en juridisch kan dit moeilijk onderbouwd worden.”

Samenvattend kan de rechtbank niet anders oordelen dan dat verweerder niet op grond van een deugdelijke onderbouwing voldoende overtuigend heeft aangetoond dat eiser zich aan het hem verweten plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.

Bij gebreke van een afdoende feitelijke grondslag was verweerder niet bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Aangezien geen andere conclusie mogelijk is dan dat het primaire besluit van 28 september 2009 ook ten onrechte door verweerder is genomen, terwijl dit gebrek niet bij een nieuw besluit op bezwaar hersteld kan worden, zal de rechtbank het besluit van 28 september 2009 herroepen.

Het door eiser gedane verzoek om schadevergoeding is onvoldoende gespecificeerd zodat de rechtbank het daarom afwijst.

Eiser heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Omdat de rechtbank het besluit van 28 september 2009 zal herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid is er aanleiding verweerder op grond van artikel 7:15 in verbinding met artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten van eiser in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand. Voorts bestaat aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand en op € 4,12 aan reiskosten in beroep.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit van 28 september 2009;

wijst het verzoek om schadevergoeding af;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 1.752,12 te vergoeden aan eiser;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.T. Nijeholt, voorzitter, en M. Hillen en W.A.M. de Loo, leden, in tegenwoordigheid van F.A.W. van Gils, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2011.

w.g. F.A.W. van Gils w.g. B.T. Nijeholt

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.