Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP9437

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
03/703651-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van openlijk geweld tegen een homoseksuele man met wie via internet een afspraak is gemaakt. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte feitelijk heeft deelgenomen aan het geweld en evenmin dat hij op een andere wijze een voldoende wezenlijke bijdrage daaraan geleverd heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703651-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 maart 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. R. Wijnands, advocaat te Schinnen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 maart 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: samen met anderen op een openbare plaats geweld heeft gepleegd tegen

[naam slachtoffer].

Subsidiair: samen met anderen met voorbedachten rade [naam slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [naam slachtoffer], gelet op de navolgende omstandigheden:

- verdachte was van tevoren op de hoogte van het plan om een homo in elkaar te gaan slaan;

- samen met anderen is hij naar de plek gegaan waar [naam slachtoffer] uiteindelijk in elkaar is geslagen;

- vooraf zijn afspraken gemaakt, zo zou [naam medeverdachte 1] [naam slachtoffer] naar zich toe lokken en hem de eerste klap geven waarna iedereen er op af zou komen rennen en een ieder dan mocht doen wat hij wilde.

De gemaakte afspraken zijn ook daadwerkelijk uitgevoerd. [naam medeverdachte 1] heeft [naam slachtoffer] de eerste klap gegeven. Volgens [naam medeverdachte 1] werd hij daarbij door de anderen aangemoedigd. “Iedereen zei dat ik gelijk moest slaan”, zo heeft hij bij de politie verklaard. Na de klap van [naam medeverdachte 1] zijn de anderen, die zich collectief in de bosjes hadden verstopt, met zijn allen op [naam slachtoffer] afgestormd. Voor [naam slachtoffer] moet dit zeer beangstigend zijn geweest. [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] zijn na de eerste klap als een gek tekeer gegaan door [naam slachtoffer] te slaan en te schoppen waarbij hij het uitschreeuwde van de pijn. Ook [naam medeverdachte 8] heeft in het op [naam slachtoffer] uitgeoefende geweld een, zij het marginale, rol gespeeld. Niemand van de groep heeft ook maar iets gedaan om te voorkomen dat [naam slachtoffer], na de eerste klap, het slachtoffer zou worden van nog meer geweld. Sterker nog: zij hebben [naam slachtoffer] schreeuwend van de pijn aan zijn lot overgelaten.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte op geen enkele wijze een bijdrage heeft geleverd aan het op [naam slachtoffer] uitgeoefende geweld en hij zich direct van het geweld heeft gedistantieerd door van de plaats delict weg te rennen. Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat het wegrennen van verdachte, na het zien van de eerste klap, kan worden beschouwd als een vrijwillige terugtred ten gevolge waarvan verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat bij een vrijspraak van het primair tenlastegelegde geen veroordeling kan volgen voor het subsidiaire feit, nu dit laatstgenoemde geen vereenvoudiging van het primaire feit is.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt hierna aangeduid als [naam medeverdachte 5] en als [naam medeverdachte 5] .

In de nacht van 12 op 13 augustus 2010 heeft er een zware mishandeling plaatsgevonden in het Stadspark te Sittard. Hiervan is [naam slachtoffer] het slachtoffer geworden. Naar aanleiding hiervan heeft de moeder van het slachtoffer, [naam moeder slachtoffer], bij de politie verklaard dat haar zoon reeds eerder is mishandeld .

Op 11 oktober 2010 heeft [naam slachtoffer] alsnog aangifte gedaan van de eerdere mishandeling waarvan hij slachtoffer is geworden. In zijn aangifte verklaart hij niet meer te weten wanneer, waar en wat er is gebeurd, hij is een heel stuk van zijn geheugen kwijt. Volgens hem, bevestigd door zijn moeder [naam moeder slachtoffer], heeft hij bij die mishandeling een dik rechteroog en een flinke buil op het achterhoofd opgelopen. Zijn moeder heeft in haar verklaring aangegeven, dat deze mishandeling is gebeurd in de nacht van 19 op 20 juli 2010.

In het dan reeds gestarte onderzoek is een aantal verdachten van dit feit in beeld gekomen. Uiteindelijk hebben alle verdachten bekend bij het voorval aanwezig te zijn geweest. Het gaat dan om de volgende verdachten: [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 8], [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] , [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 7]. Van hen heeft [naam medeverdachte 7] geen dagvaarding ontvangen zodat zijn verklaring in de verdere weergave ook geen bespreking krijgt te meer nu deze in grote lijnen de verklaringen van [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] bevestigt.

[naam medeverdachte 1] verklaart, verspreid over diverse verhoren, - verkort en zakelijk weergegeven - dat dit de eerste keer was dat ze met iemand hadden afgesproken en daarna in elkaar hadden geslagen. Op die avond was hij bij [naam medeverdachte 3] thuis. Daar waren ook aanwezig [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 8], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 6] en een neefje van [naam medeverdachte 8] ([naam medeverdachte 11]). Hij heeft samen met [naam medeverdachte 2] de afspraak gemaakt met het latere slachtoffer [naam slachtoffer] via bullchat.nl. [naam medeverdachte 1] ging samen met [naam medeverdachte 2] op de scooter naar de afgesproken plek en de anderen op de fiets. De jongens gingen achter een steen zitten. [naam medeverdachte 1] stond op het pad. [naam slachtoffer] kwam en zette zijn fiets neer. [naam medeverdachte 1] kwam naar hem toegelopen en gaf hem een hand. Samen liepen ze het paadje in. Op dat moment zei iedereen dat hij hem moest slaan, aldus [naam medeverdachte 1]. [naam medeverdachte 1] heeft hem geslagen in zijn gezicht waarna het slachtoffer is gevallen. Toen kwam iedereen aanrennen. [naam medeverdachte 2] heeft het slachtoffer geschopt. [naam medeverdachte 8] vertelde hem ook iets gedaan te hebben. [naam medeverdachte 2] heeft zijn horloge afgepakt. Hijzelf heeft het slachtoffer twee of drie keer geslagen in zijn gezicht. Ook [naam medeverdachte 2] heeft hem twee of drie keer geslagen en tegen het hoofd getrapt. Later heeft hij die man nog met de platte hand in de zij of rug geslagen. Toen zijn ze allemaal weggerend. Iedereen rende daarbij langs de man.

[naam medeverdachte 2] verklaart in verschillende verhoren dat [naam medeverdachte 1] op het idee kwam om homo’s te mishandelen. Omtrent deze zaak verklaart hij dat [naam medeverdachte 1] het slachtoffer aan het opwachten was. De man kwam uit de richting van het zwembad te Sittard. [naam medeverdachte 1] en de man gingen een plaats uitzoeken. Ze liepen het donker in. Hij zag dat [naam medeverdachte 1] zich omdraaide en de man direct een klap gaf. Door de klap lag het slachtoffer op de grond. Hij rende daar naar toe en schopte het slachtoffer tegen de rug en rende weg. Het horloge van de man is meegenomen.

[naam medeverdachte 8] verklaart dat hij met [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] bij [naam medeverdachte 3] thuis was. [naam medeverdachte 1] zat op zijn laptop en kwam op het idee om een homo in elkaar te slaan. Op de fiets zijn ze allemaal naar de afgesproken plek gegaan. Achter in het pad hebben ze zich verstopt. Afgesproken was dat [naam medeverdachte 1] de eerste klap zou uitdelen. Dan zou iedereen naar voren rennen en was aan jezelf de keuze of je nog iets zou doen. [naam medeverdachte 1] gaf de jongen een klap en de jongen ging naar de grond. [naam medeverdachte 2] stampte hem in zijn gezicht en maag. Zelf heeft hij de jongen, die nog steeds op de grond lag, in zijn buik geschopt.

[naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] verklaren ieder voor zich dat ze bij [naam medeverdachte 3] thuis waren en dat [naam medeverdachte 1] met het idee kwam een homo in elkaar te slaan. [naam medeverdachte 2] vond dat wel een goed idee. [naam medeverdachte 4] ontkent te hebben geweten wat er ging gebeuren nabij zwembad de Hatenboer te Sittard. Hij is wel meegegaan naar de Schwienswei. Allen verklaren voorts dat ze dachten dat niet zou gaan gebeuren wat [naam medeverdachte 1] had aangekondigd. Ze hebben achter in het pad gewacht, al dan niet verstopt. Op het moment dat de jongen eraan kwam gaf [naam medeverdachte 1] een seintje, volgens [naam medeverdachte 6]. Allen zagen dat [naam medeverdachte 1] hem een klap gaf en dat de jongen naar de grond ging. [naam medeverdachte 4] heeft gezien dat [naam medeverdachte 1] over de man heen boog en nog eens sloeg. [naam medeverdachte 5] heeft gezien dat ook [naam medeverdachte 2] de man heeft geslagen. Op dat moment zijn ze allemaal weggerend waarbij ze noodzakelijkerwijs de op de grond liggende man moesten passeren, dat was nu eenmaal de route naar de fietsen. Volgens [naam medeverdachte 4] klopte het een beetje dat onderling was afgesproken dat iedereen zelf maar moest zien of hij meedeed of niet.

Op basis van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat [naam medeverdachte 1] deze avond het plan heeft geopperd om een homo in elkaar te gaan slaan. [naam medeverdachte 1] heeft [naam slachtoffer] neergeslagen. Toen [naam slachtoffer] op de grond lag zijn de anderen in de richting van [naam medeverdachte 1] en het slachtoffer gerend. Daarbij hebben [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 8] geweldshandelingen gepleegd tegen het slachtoffer. Wat de intentie van de anderen is geweest laat zich slechts raden. [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] hebben verklaard dat zij zich wilden onttrekken aan het gebeuren maar dat zij daartoe wel in de richting van het slachtoffer moesten rennen omdat aan die kant hun fietsen stonden.

Tevens staat vast dat door [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] geen geweld op het slachtoffer is toegepast. Evenmin blijkt uit de verklaringen dat deze vier jongens iets hebben geroepen ter aanmoediging. De opmerking van [naam medeverdachte 1] dat iedereen naar hem zou hebben geroepen het slachtoffer te slaan, vindt geen bevestiging in enige andere verklaring.

Dat [naam medeverdachte 5] een zeer ernstig moreel verwijt treft, is voor de rechtbank boven alle twijfel verheven [naam medeverdachte 5] was ten tijde van het feit 18 jaar en dus volgens de wet meerderjarig. Een leeftijd waarop men in het algemeen geacht wordt over dusdanige verstandelijke vermogens te beschikken dat men, bijvoorbeeld, rijlessen kan nemen, grote aankopen mag doen en mag stemmen. Uit de zich in het dossier bevindende rapportage over [naam medeverdachte 5] blijkt niet dat [naam medeverdachte 5] niet over dergelijke vermogens zou beschikken. De rechtbank begrijpt dan niet dat [naam medeverdachte 5] zich zo heeft laten meeslepen in een avontuur dat - en het kan niet anders dan dat vooraf voor iedereen duidelijk is geweest - absoluut verkeerd kon aflopen en ook verkeerd is afgelopen. [naam medeverdachte 5] heeft bij de politie en ter zitting gesteld dat bij bang was voor [naam medeverdachte 1], maar daarnaar gevraagd heeft hij niet uit kunnen leggen waarom hij dan bang was. Bij die stand van zaken kan de rechtbank die eventuele angst dan ook niet zien als iets dat [naam medeverdachte 5] kan verontschuldigen. De rechtbank houdt het ervoor dat [naam medeverdachte 5] simpelweg is meegegaan om te zien hoe een homo geslagen zou worden. Die belustheid op sensatie en het er niet bij nadenken hoe het voor iemand moet zijn om, als hij niets vermoedend ergens naar toe gaat en daar in elkaar geslagen wordt, acht de rechtbank zorgwekkend. Voorts acht de rechtbank het zeer laf dat toen de aanval plaatsvond en het voor [naam medeverdachte 5] duidelijk moet zijn geweest hoe het slachtoffer te lijden had onder de aanval, [naam medeverdachte 5] op geen enkele wijze voor het slachtoffer in de bres is gesprongen. Het zou zelfs betoogd kunnen worden dat het juist van [naam medeverdachte 5] als meerderjarige verwacht mocht worden dat hij de anderen af zou remmen. Ook dat heeft [naam medeverdachte 5] echter niet gedaan.

Hoe ernstig het morele verwijt ook is dat [naam medeverdachte 5] treft, de vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of [naam medeverdachte 5] ook het tenlastegelegde juridische verwijt treft.

Voor de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank stilstaan bij de juridische merites van hetgeen in primaire en subsidiaire vorm aan [naam medeverdachte 5] ten laste is gelegd.

Primair is aan [naam medeverdachte 5] het in vereniging gepleegd hebben van openlijk geweld tenlastegelegd.

Uitgangspunt bij de beoordeling van dit verwijt door de rechtbank is dat een verdachte eerst behoort tot zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, indien hij opzettelijk een voldoende wezenlijke bijdrage aan dat openlijke, in vereniging gepleegde geweld heeft geleverd. (TK 1999-2000, 26 519, nr. 6, blz. 11).

Van een dergelijke “voldoende wezenlijke bijdrage” is in ieder geval sprake als de verdachte zelf een gewelddadige handeling heeft gepleegd. Daarnaast kunnen echter ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval andere handelingen of bemoeienissen een voldoende wezenlijke bijdrage opleveren. De wetsgeschiedenis houdt hieromtrent het volgende in: “Dat is in de eerste plaats het bemoeilijken van de herkenning van personen die gewelddadige handelingen plegen, indien daarmee opzettelijk wordt voorkomen dat deze handelingen en de gevolgen daarvan op deze personen kunnen worden teruggeleid. Een tweede soort gedraging die een voldoende wezenlijke bijdrage aan openlijke geweldpleging kan opleveren, betreft het organiseren of, op de achtergrond, sturen daarvan. Een derde gedraging betreft het wezenlijk bevorderen van gewelddadige handelingen door aanmoedigingen of gejoel. Met name bij deze gedragingen zal het sterk van de omstandigheden van het geval afhangen of een voldoende significante bijdrage aan het openlijke geweld is geleverd. Ten slotte kan gedacht worden aan het feitelijk mogelijk maken van openlijk geweld door stenen of stokken aan te reiken, dan wel door het afschermen van degenen die gewelddaden plegen tegen anderen die dat willen beletten. De in kaart gebrachte handelingen betreffen evenwel geen limitatieve opsomming, zo volgt uit het verband met het begrip medeplegen.”

(EK 1999-2000, 26 519, nr. 199a, blz. 5-6)

[naam medeverdachte 5]’ medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft op enig moment het idee geopperd om een homo in elkaar te slaan, [naam medeverdachte 2] was het hier wel mee eens. Daarbij heeft [naam medeverdachte 1] zich voorgedaan als een homoseksuele man die uit was op een vluchtig homoseksueel contact en via bullchat.nl gezocht naar iemand die ook uit was op een dergelijk contact. Een dergelijk iemand, het latere slachtoffer, werd gevonden en met hem werd de afspraak gemaakt om later die avond/nacht naar de Schwienswei bij de Hatenboer te Sittard te komen.

Voor de rechtbank staat vast dat, in ieder geval, na het gemaakt zijn van deze afspraak [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] anderen hebben bewogen mee te gaan naar de plaats des onheils. Aan die anderen is daarbij door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] de keuze gelaten of zij mee zouden doen aan de aanstaande, door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] voorgenomen, geweldpleging.

Het is de rechtbank niet gebleken dat anderen dan [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] aan het bovenomschreven uitwerken van het plan hebben bijgedragen. Zo is niet gebleken dat [naam medeverdachte 1] onder aansporing van een ander of anderen tot het daadwerkelijk maken van de afspraak met het latere slachtoffer is gekomen en is ook niet gebleken dat een ander dan [naam medeverdachte 1] heeft nagedacht over de wijze waarop het plan om een homo te slaan tot uitvoer moest worden gebracht. Aan anderen is “slechts” de keuze gelaten of zij ook het dan al gemaakte plan wilden uitvoeren en op welke wijze zij dat dan wilden doen. In zoverre kan ook niet gezegd worden dat die anderen, onder wie dus [naam medeverdachte 5], een intellectuele bijdrage hebben geleverd aan de (latere) openlijke geweldpleging door het organiseren en sturen daarvan.

Ook van andersoortige, in de aangehaalde wetsgeschiedenis genoemde gedragingen die een voldoende wezenlijke bijdrage kunnen opleveren is de rechtbank niet gebleken.

De wetgever heeft echter expliciet de mogelijkheid open willen laten om ook andere handelingen, dan de door hem genoemde voorbeelden van gedragingen en bemoeienissen, te kunnen oordelen als een wezenlijke bijdrage aan het openlijke geweld door te verwijzen naar het begrip medeplegen.

Ter beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, hecht de rechtbank eraan nogmaals de gedragingen van [naam medeverdachte 5] op te sommen:

[naam medeverdachte 5] is meegegaan met [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 8] naar een door [naam medeverdachte 1] geplande en door [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 8] uitgevoerde geweldpleging. [naam medeverdachte 5] heeft zich vervolgens niet van hen, en van de geweldpleging, gedistantieerd, maar heeft daaraan ook geen verdere actieve of passieve bijdrage geleverd. [naam medeverdachte 5]’ aanwezigheid leverde “slechts” een getalsmatige versterking van de groep op.

Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat er sprake is geweest van de “bewuste en nauwe samenwerking” die vereist is in het kader van medeplegen. Een oordeel dat zijn steun vindt in de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij verwezen zij naar de arresten van 11 november 2003 (LJN: AL6209), 7 juli 2009 (LJN: BH9029), 22 december 2009 (LJN: BK3356) en 19 januari 2010 (LJN: BK4816).

Zo bezien zijn [naam medeverdachte 5]’ gedragingen, hoe moreel onjuist ook, niet van dusdanige aard geweest dat deze beoordeeld kunnen worden als het in vereniging plegen van openlijk geweld. Hetgeen aan [naam medeverdachte 5] primair ten laste is gelegd kan daarom niet bewezen worden verklaard. [naam medeverdachte 5] zal daarvan moeten worden vrijgesproken.

Nu de rechtbank [naam medeverdachte 5] vrijspreekt van het primair tenlastegelegde, zal de rechtbank dienen te oordelen over hetgeen subsidiair aan [naam medeverdachte 5] is tenlastegelegd.

Het aan [naam medeverdachte 5] subsidiair gemaakte verwijt betreft dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een mishandeling.

Zoals zo-even overwogen is van medeplegen geen sprake indien de verdachte -ondanks de bij hem aanwezige wetenschap over hetgeen stond te gebeuren- zich niet heeft gedistantieerd van de door anderen gepleegde gewelddadigheden en zich verder heeft onthouden van enige inmenging en/of aansporing.

Gelet hierop kan ook het subsidiair gemaakte verwijt niet slagen en zal [naam medeverdachte 5] ook daarvan moeten worden vrijgesproken.

4 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.536,55.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet-ontvankelijk is in haar vordering nu deze ziet op een strafbaar feit dat niet in de onderhavige zaak ten laste is gelegd en [naam medeverdachte 5] bovendien van het primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder primair en subsidiair tenlastegelegde;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer], [adres slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer] in de kosten door verdachte ter verdediging tegen de vordering tot nu toe gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.J. van den Acker, voorzitter, mr. M.B. Bax en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 maart 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2010 tot en met 20 juli 2010 te

Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, met een ander of anderen, op of aan de

openbare weg, de Sportcentrumlaan, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer], welk geweld

bestond uit het stompen/slaan en/of schoppen/trappen van die [naam slachtoffer];

subsidiair, althans indien het voorgaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden, dat

hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2010 tot en met 20 juli 2010 te

Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, na kalm beraad en rustig overleg, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [naam slachtoffer], onder meer terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag, heeft gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt, waardoor voornoemde [naam slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/703651-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 25 maart 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. R. Wijnands, advocaat te Schinnen.