Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP9434

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
03/703646-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van openlijk geweld tegen een homoseksuele man met wie via internet een afspraak is gemaakt. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte feitelijk heeft deelgenomen aan het geweld en evenmin dat hij op een andere wijze een voldoende wezenlijke bijdrage daaraan geleverd heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703646-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 maart 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresegegevens verdachte].

Raadsman is mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat te Hoensbroek.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 maart 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: samen met anderen op een openbare plaats geweld heeft gepleegd tegen

[naam slachtoffer].

Subsidiair: samen met anderen met voorbedachten rade [naam slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [naam slachtoffer], gelet op de navolgende omstandigheden:

- verdachte was van tevoren op de hoogte van het plan om een homo in elkaar te gaan slaan;

- samen met anderen is hij naar de plek gegaan waar tegen [naam slachtoffer] geweld is uitgeoefend;

- in afwachting van [naam slachtoffer] heeft iedereen zich op de met [naam slachtoffer] afgesproken plek op strategische wijze opgesteld;

- voorafgaand aan de gang naar de afgesproken plek zijn afspraken gemaakt, zo zou [naam medeverdachte 2] [naam slachtoffer] naar zich toe lokken en hem de eerste klap geven. [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] zouden [naam slachtoffer] vervolgens mishandelen, terwijl de rest alleen maar hoefde toe te kijken.

De gemaakte afspraken zijn ook daadwerkelijk uitgevoerd. [naam medeverdachte 2] heeft [naam slachtoffer] de eerste klap gegeven ten gevolge waarvan [naam slachtoffer] naar de grond ging. [naam slachtoffer] riep “Help, help”. Vervolgens werd [naam slachtoffer] door de groep omsingeld en riepen meerdere personen “Blijf liggen, blijf liggen”. Ondanks het feit dat iemand van de groep op zijn schoen is gaan staan, is [naam slachtoffer] erin geslaagd om op één schoen weg te vluchten. Daarbij is de groep hem nog een stukje achterna gerend.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte niet wist dat er een afspraak was gemaakt om een homo in elkaar te gaan slaan. Daarnaast bevond hij zich op afstand op het moment dat [naam slachtoffer] het slachtoffer werd van fysiek geweld. Ook heeft verdachte zich meteen van het geweld gedistantieerd. Zodoende heeft hij de groep niet getalsmatig versterkt. Tevens heeft hij op geen enkele wijze een bijdrage geleverd aan het op [naam slachtoffer] uitgeoefende geweld. De raadsman heeft in dit verband verwezen naar een aantal arresten van de Hoge Raad.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat een vrijspraak van het primair tenlastegelegde automatisch dient te leiden tot een vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde, nu voor een bewezenverklaring van het medeplegen van mishandeling van [naam slachtoffer] een verdergaande samenwerking vereist is dan bij openlijke geweldpleging.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt hierna aangeduid als [naam verdachte] en als [naam verdachte].

Op woensdag 18 augustus 2010 heeft [naam slachtoffer] aangifte gedaan van een openlijke geweldpleging c.q. mishandeling waarvan hij kort daarvoor het slachtoffer was geworden. Bij het doen van deze aangifte heeft hij verklaard dat hij die nacht omstreeks 2.50 uur zijn woning had verlaten om, nu hij naar bed wilde, maar nog niet moe was, een rondje te gaan wandelen. Toen hij tijdens deze wandeling in de buurt van de Nettorama te Sittard een paadje inliep, stond er ineens een persoon voor hem. Deze persoon haalde, zonder iets te zeggen, met een vuist naar hem uit en raakte hem in het gezicht. Hij voelde meteen pijn. [naam slachtoffer] vervolgt: “Ik zag meteen sterretjes en viel op de grond. Toen ik op de grond lag, wilde ik weer opstaan en mij verdedigen. Toen ik op wilde staan zag ik opeens ongeveer 5 tot 7 jongens om mij heen staan. Ik voelde dat zij, wie kan ik niet zeggen, mij begonnen te schoppen en te slaan. Ik schopte en sloeg ook om mij heen, in een poging om weg te komen. Ik voelde ook dat er iemand op mijn schoen stond. Ik hoorde dat ze zeiden: “Blijf liggen”. Ik zette toch door en kwam toch recht te staan. De jongens bleven mij toch schoppen en slaan. Toen ben ik heel hard om hulp gaan roepen. Ik merkte dat de jongens hierdoor minder schopten en sloegen. Ik ben toen nog harder gaan roepen. Hierdoor kreeg ik de kans om weg te rennen. (...) Toen ik het paadje uit rende, keek ik achter me. Ik zag dat de jongens wegliepen in de richting van de nieuwe Oda-Parking. (...) Toen ik op het politiebureau kwam, werd mij geadviseerd eerst een bezoek te brengen aan de Nightcare in het ziekenhuis. Hier heeft men geconstateerd dat ik een hersenschudding heb. Ook heb ik een gezwollen linkeroog, schaafwonden op mijn achterhoofd en een snee op mijn jukbeen van ongeveer 3 centimeter. Deze snee moest gehecht worden.”

Diezelfde woensdag 18 augustus 2010 is [naam slachtoffer], om 19.30 uur, aanvullend gehoord. In dat verhoor is [naam slachtoffer] deels teruggekomen van zijn eerdere aangifte. Hij verklaart dan dat hij via bullchat.nl een afspraak had gemaakt met een jongen om 3.15 uur bij de Nettorama. De jongen had hem een foto gestuurd. Het was een foto van een getinte jongeman bij een zwembad. Aangekomen bij de Nettorama zag hij de jongen staan. Het was een redelijk kleine jongen, naar schatting ongeveer 165 à 175 cm lang, met kort donker haar en een normaal postuur. [naam slachtoffer] vervolgt: “Ik zag dat de man de hand opstak. (...) Ik liep zijn kant op en toen ik ongeveer een meter van hem vandaan was en hem een hand wilde geven (…) zag ik zijn vuist in de richting van mijn gezicht komen. Ik probeerde deze slag nog te ontwijken maar hij raakte mij vol in mijn gezicht. Hij raakte mij op mijn linkeroog en oogkas. Door deze klap ben ik op de grond gevallen en zag ik sterretjes voor me. Toen ik bij kwam van die dreun voelde ik een hevige pijn aan mijn linkerzijde van mijn gezicht. Naar mijn mening ben ik niet buitenwesten geweest. Toen ik bij kwam, zag ik dat een grote groep om mij heen stond. Ik denk dat deze groep uit 6 personen bestond, maar dat kunnen er ook makkelijk meer zijn geweest. Ik weet dat er minstens 2 getinte jongens bij stonden. Ook weet ik dat een jongen uit de groep een wit petje op had. Ik was zo bang, ik vreesde voor mijn leven. Op een gegeven moment hoorde ik meerdere mannen uit de groep zeggen: “Blijf liggen, blijf liggen”. Dit werd op een agressieve en schreeuwende toon gezegd. Dit werd gezegd met een Limburgs accent. Ik ben toen toch opgestaan want ik wilde weg. Een van de jongens stond op mijn linkervoet waardoor mijn linker schoen uit ging. De jongens stonden echt in een kringetje om mij heen. Ik wilde weg en ben toen om mij heen gaan slaan en schoppen. Op dat moment kreeg ik van de hele groep schoppen en klappen terug. Ook heb ik hierbij: “Help help” geroepen. Door mijn harde schreeuwen nam de groep afstand. Daardoor kon ik via de Rijksweg weglopen. Tijden het rennen riep ik: “Help help”. Ik keek achterom en zag dat de jongens nog steeds achter mij aan zaten. Ik riep wederom: “Help help” en heb nog nooit zo hard gerend van mijn leven. Ik zag dat de groep de achtervolging gestaakt had. Ik bleef keihard rennen. (...) In het ziekenhuis hebben ze een onder mijn linkeroog zittende wond gehecht. Verder heb ik een opgezwollen oog en een rood doorlopen linkeroog.”

Omtrent het door [naam slachtoffer] opgelopen letsel steekt nog een medische verklaring in het dossier. In deze verklaring van 27 augustus 2010 heeft een arts verklaard dat er sprake is geweest van wondjes en een hematoom bij het linkeroog en een wondje op het achterhoofd. Er is sprake geweest van gering uitwendig bloedverlies en er zijn geen vermoedens geweest van niet uitwendig waarneembaar letsel en ook niet van inwendig bloedverlies. Ook is er geen sprake geweest van psychische stoornissen of storingen in het bewustzijn.

In het daarop volgende onderzoek is een aantal verdachten in beeld gekomen: [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 9], [naam verdachte], [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 11]. Uiteindelijk hebben alle verdachten bekend bij het voorval aanwezig te zijn geweest.

[naam medeverdachte 1] heeft verspreid over diverse verhoren verklaard dat, verkort en zakelijk weergegeven, bij hem thuis via internet de afspraak met het slachtoffer is gemaakt, dat hij, [naam medeverdachte 2 , [naam medeverdachte 9], [naam verdachte], [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 11] naar de afspraak zijn gegaan, dat het de bedoeling was de jongen “door te laten”, dat iedereen wist wat er ging gebeuren, dat [naam medeverdachte 9] en [naam medeverdachte 11] bij de glasbakken stonden en [naam verdachte], [naam medeverdachte 12] en hij bij een huis, dat [naam medeverdachte 2] de enige is geweest die het slachtoffer geslagen heeft, dat ze nadat dat gebeurd was erop af zijn gerend, maar dat voordat hij en de anderen erbij waren gekomen het slachtoffer al weg was gerend en dat het zijn bedoeling was geweest om een paar trappen uit te delen en daarna weg te rennen.

[naam medeverdachte 2] heeft verspreid over diverse verhoren verklaard dat, verkort en zakelijk weergegeven, [naam medeverdachte 1] de afspraak met het slachtoffer had gemaakt, dat hij, [naam medeverdachte 2], het slachtoffer op zou wachten en de eerste slag zou geven, dat de anderen wisten wat er ging gebeuren, dat toen hij de man sloeg, de man op de grond viel, deze begon te trillen en schoppende bewegingen maakte, dat de man daarna opstond en begon te schreeuwen, dat de anderen niets gedaan hebben en dat zij alleen zijn opgedoken vanuit hun schuilplaats.

[naam medeverdachte 9] heeft verspreid over diverse verhoren verklaard, verkort en zakelijk weergegeven, dat hij met onder andere [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] bij [naam medeverdachte 1] was, dat hij van [naam medeverdachte 2] hoorde dat deze met iemand had afgesproken bij de Nettorama, dat [naam medeverdachte 2] vertelde dat ze via gaychat.nl met die iemand in contact waren gekomen, dat [naam medeverdachte 2] op de vraag waarom hij zo iemand pakt, antwoordde: “Die zijn makkelijk te pakken”, dat [naam medeverdachte 2] als lokaas zou dienen, dat deze de eerste klap zou geven, dat [naam medeverdachte 1] hem had overgehaald mee te gaan, dat hij ([naam medeverdachte 9]) had gezegd niet te zullen vechten, dat [naam medeverdachte 2] zei dat hij alleen maar hoefde te kijken, dat [naam medeverdachte 1] zei: “We pakken hem wel, je hoeft niets te doen”, dat ze met z’n allen naar de Nettorama zijn gegaan, dat hij zag dat [naam medeverdachte 2] de man sloeg, dat de man daarop achterover viel, dat er anderen op af renden, dat die anderen niets meer gedaan hebben en dat hij ook niets gedaan heeft.

[naam verdachte] heeft bij zijn verhoor door de politie verklaard dat hij met een aantal mensen bij [naam medeverdachte 1] was, dat deze op enig moment zei: “Ik heb met iemand afgesproken, kom met me mee”, dat ze naar de Nettorama zijn gegaan, dat [naam medeverdachte 1] een aantal vroeg te gaan staan nabij een oprit en dat een aantal moest wachten bij de glasbak die op de parkeerplaats van de Nettorama staat, dat hij met [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 1] bij de oprit stond, dat hij een man aan zag komen lopen, dat iemand van de glasbak naar die man rende, dat die man op de grond viel, dat iemand riep: “Blijf liggen, blijf liggen”, dat hij die man hoorde schreeuwen, dat [naam medeverdachte 1] zei: “Kom op, we gaan er ook naartoe”, dat ze er toen alle drie naar toe zijn gerend, dat er al wat man om hen heen stonden, dat iemand nogmaals riep: “Blijf liggen, blijf liggen”, dat hij zag dat de man opstond, angstig keek en wegrende.

[naam medeverdachte 12] heeft bij zijn verhoor door de politie verklaard dat hij met [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 9] bij [naam medeverdachte 1] was, dat hij van [naam medeverdachte 1] hoorde dat [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] de daders waren van een autobrand en eerdere mishandelingen, dat [naam medeverdachte 1] met een laptop op de bank zat en opeens zei: “Kom, we gaan naar buiten”, dat [naam medeverdachte 1] desgevraagd zei dat hij met iemand had afgesproken, dat ze naar de Nettorama zijn gegaan, dat hij met [naam verdachte] bij [naam medeverdachte 1] stond, dat [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 9] en een andere jongen bij de glasbak stonden, dat er een jongen aan kwam, dat die jongen zijn hand uitstak naar [naam medeverdachte 2], dat die jongen op de grond viel, dat [naam medeverdachte 1] er als eerste op af rende, dat de rest volgde, dat hij hoorde dat de jongen kreten uitstootte en zag dat de jongen op de grond lag te spartelen, dat hij zag dat [naam medeverdachte 9] en [naam verdachte] opkeken van het geschreeuw, dat hij met [naam medeverdachte 9] en [naam verdachte] weg wilde, dat iemand riep: “Blijf liggen”, dat die jongen toen even bleef liggen en daarop wegrende en dat zij toen ook zijn weggerend.

[naam medeverdachte 11] heeft bij zijn verhoor door de politie verklaard dat hij bij [naam medeverdachte 1] was, dat hij gehoord had dat [naam medeverdachte 1] met een man had afgesproken, deze in elkaar had geslagen en in de kofferbak had gedaan, dat die avond van de 18de augustus via een chatsite een afspraak werd gemaakt met iemand, dat ze naar de afspraak zijn gegaan, dat ze het er niet over hebben gehad wie de man zou slaan, dat op de plaats van de afspraak, een parkeerplaats, [naam medeverdachte 2] iets bij de glasbakken vandaan stond en de rest achter de glasbakken in de struiken, dat hij een man aan zag komen lopen, dat hij een klap hoorde, dat de man naar achteren viel, dat de man daarbij naar zijn ([naam medeverdachte 11]) mening over een steen is gevallen, dat iedereen er toen naartoe is gegaan en op een afstand van 1 à 2 meter van de man heeft gestaan, dat zij niks meer deden, dat de man is weggelopen en dat het het idee van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] was om dit te gaan doen.

Op basis van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat [naam medeverdachte 2] [naam slachtoffer] neer heeft geslagen met een vuistslag in het gezicht, en wel op of direct bij het linkeroog, en dat ten gevolge van die slag [naam slachtoffer] achterover is gevallen. Bij deze val heeft [naam slachtoffer] zich bezeerd aan zijn achterhoofd. Dit strookt met het beeld dat van het letsel naar voren komt uit de aangifte en de verklaring van [naam slachtoffer], de medische verklaring en de verklaringen van onder andere [naam medeverdachte 9] en [naam medeverdachte 11].

Dat [naam slachtoffer], zoals deze zelf verklaard heeft, na deze slag nog verder fysiek geweld zou zijn aangedaan door meer personen, is onvoldoende vast komen te staan. Het bestaan van meer en ernstigere verwondingen zou dan verwacht mogen worden en daarvan is nu juist niet gebleken.

Na de vuistslag is [naam medeverdachte 1] in de richting van [naam medeverdachte 2] en [naam slachtoffer] gerend en de anderen zijn hem, zo volgt uit de verklaringen van onder andere [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12], gevolgd. Wat de intentie daarbij van [naam medeverdachte 9], [naam verdachte], [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 11] is geweest, laat zich slechts raden.

Een aantal verdachten heeft nog ter zitting verklaard dat zij zich wilden onttrekken aan het gebeuren, maar dat zij daartoe, op hun weg - weg van het gebeuren - wel in de richting van het slachtoffer moesten lopen. Een verklaring die strookt met de situatie ter plaatse. Afgaande op de verklaring van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 11] zou evenwel ook gedacht kunnen worden dat, zoals [naam slachtoffer] ook heeft verklaard, een aantal verdachten, waarbij onduidelijk blijft wie dat dan geweest zijn, naar het slachtoffer is toegelopen en om hem heen is gaan staan. Dat is dan geweest na de eerste, en zoals zo-even opgemerkt enige, klap die het slachtoffer heeft gekregen. Of men erbij heeft gestaan uit sensatiebelustheid of om het slachtoffer te beletten te vluchten is niet duidelijk.

Wat de intentie echter ook was, zoals zo-even is opgemerkt is voor de rechtbank onvoldoende vast komen staan dat [naam slachtoffer] na de eerste slag nog verder fysiek geweld zou zijn overkomen en de rechtbank gaat er daarom niet van uit dat de omstanders nog geweld gepleegd hebben.

Uit de verklaringen van [naam slachtoffer], [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] volgt voor de rechtbank wel in voldoende mate dat door een of meer van de verdachten “Blijf liggen, blijf liggen” is geroepen. Wie echter zulks geroepen heeft, is niet duidelijk geworden.

Dat [naam slachtoffer], bij zijn vlucht van de plaats delict na de eerste slag, nog achtervolgd zou zijn, is eveneens onvoldoende vast komen te staan. [naam slachtoffer] spreekt zichzelf daaromtrent in de aangifte en in de later afgelegde verklaring tegen en ook uit de verklaringen van de verdachten valt zulks onvoldoende af te leiden.

Dat [naam verdachte] een zeer ernstig moreel verwijt treft, is voor de rechtbank boven alle twijfel verheven. [naam verdachte] heeft er schik in gehad om te gaan aanschouwen hoe een weerloze man aangevallen zou worden en is, toen deze aanval plaatshad en het voor hem duidelijk moet zijn geweest hoe het slachtoffer te lijden had onder de aanval, op geen enkele wijze voor het slachtoffer in de bres gesprongen.

Volgens eigen zeggen had hij wel willen ingrijpen, maar stond de gedachte aan een eerdere veroordeling daaraan in de weg. Toen had hij, naar eigen zeggen, ook alleen maar het slachtoffer willen helpen, maar werd hij uiteindelijk veroordeeld voor deelname aan dat feit.

In het midden latend of de door verdachte aangehaalde situatie vergelijkbaar was - ook voor wat betreft zijn eigen positie - moet de rechtbank concluderen dat [naam verdachte] alleen maar denkt aan zichzelf en een weerloze niet te hulp wil schieten in zijn uur van nood. Dat bevreest de rechtbank en neemt zij hem bijzonder kwalijk.

Wat van het morele verwijt dat [naam verdachte] treft ook zij, de vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of [naam verdachte] ook het tenlastegelegde juridische verwijt treft.

Voor de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank stilstaan bij de juridische merites van hetgeen in primaire en subsidiaire vorm aan [naam verdachte] ten laste is gelegd.

Primair betreft het verwijt het in vereniging gepleegd hebben van openlijk geweld.

Uitgangspunt bij de beoordeling van dit verwijt door de rechtbank is dat een verdachte eerst behoort tot zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, indien hij opzettelijk een voldoende wezenlijke bijdrage aan dat openlijke, in vereniging gepleegde geweld heeft geleverd. (TK 1999-2000, 26 519, nr. 6, blz. 11).

Van een dergelijke “voldoende wezenlijke bijdrage” is in ieder geval sprake als de verdachte zelf een gewelddadige handeling heeft gepleegd. Daarnaast kunnen echter ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval andere handelingen of bemoeienissen een voldoende wezenlijke bijdrage opleveren. De wetsgeschiedenis houdt hieromtrent het volgende in: “Dat is in de eerste plaats het bemoeilijken van de herkenning van personen die gewelddadige handelingen plegen, indien daarmee opzettelijk wordt voorkomen dat deze handelingen en de gevolgen daarvan op deze personen kunnen worden teruggeleid. Een tweede soort gedraging die een voldoende wezenlijke bijdrage aan openlijke geweldpleging kan opleveren, betreft het organiseren of, op de achtergrond, sturen daarvan. Een derde gedraging betreft het wezenlijk bevorderen van gewelddadige handelingen door aanmoedigingen of gejoel. Met name bij deze gedragingen zal het sterk van de omstandigheden van het geval afhangen of een voldoende significante bijdrage aan het openlijke geweld is geleverd. Ten slotte kan gedacht worden aan het feitelijk mogelijk maken van openlijk geweld door stenen of stokken aan te reiken, dan wel door het afschermen van degenen die gewelddaden plegen tegen anderen die dat willen beletten. De in kaart gebrachte handelingen betreffen evenwel geen limitatieve opsomming, zo volgt uit het verband met het begrip medeplegen.”

(EK 1999-2000, 26 519, nr. 199a, blz. 5-6)

[naam verdachte]s medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben op enig moment het plan opgevat om, in hun bewoordingen, “een homo door te laten” en hebben zich vervolgens gezet aan de uitwerking van dat plan. Daarbij heeft de een, nauw en bewust samenwerkend met de ander en zich voordoende als een homoseksuele man die uit was op een vluchtig homoseksueel contact, via bullchat.nl gezocht naar iemand die ook uit was op een dergelijk contact. Een dergelijk iemand, het latere slachtoffer, werd gevonden en met hem werd de afspraak gemaakt om later die nacht naar de Nettorama te Sittard te komen.

Voor de rechtbank staat vast dat, in ieder geval nadat deze afspraak was gemaakt, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] anderen hebben bewogen mee te gaan naar de plaats des onheils. Aan die anderen is daarbij door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] de keuze gelaten of zij mee zouden doen aan de aanstaande, door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] voorgenomen geweldspleging.

Het is de rechtbank niet gebleken dat anderen dan [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] aan het bovenomschreven uitwerken van het plan hebben bijgedragen. Zo is niet gebleken dat [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] onder aansporing van een ander of anderen tot het daadwerkelijk maken van de afspraak met het latere slachtoffer zijn gekomen en is ook niet gebleken dat een ander of anderen dan [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben nagedacht over de wijze waarop het plan om “een homo door te laten” tot uitvoer moest worden gebracht. Aan anderen is “slechts” de keuze gelaten of zij mee wilden doen aan de uitvoering van het dan al vaststaande plan. In zoverre kan ook niet gezegd worden dat die anderen, onder wie dus [naam verdachte], een intellectuele bijdrage hebben geleverd aan de (latere) openlijke geweldpleging door het organiseren en sturen daarvan.

Ook van andersoortige, in de aangehaalde wetsgeschiedenis genoemde gedragingen en bemoeienissen die een voldoende wezenlijke bijdrage kunnen opleveren is de rechtbank niet gebleken. Door het slachtoffer en diverse verdachten is weliswaar verklaard dat er geroepen is: “Blijf liggen, blijf liggen”, maar wie dit geroepen heeft, is uit het onderzoek niet duidelijk geworden. Onduidelijk is ook wanneer dit precies geroepen is en daarmee ook of met deze uitlating de gewelddadige handelingen wezenlijk bevorderd zijn. Van een bevordering van de gewelddadige handelingen kan ook niet gesproken worden daar waar het het eventuele om het slachtoffer heen staan betreft. Op het moment dat, buiten [naam medeverdachte 2], de anderen bij het slachtoffer kwamen, was de geweldspleging immers al beëindigd en voorts is onduidelijk wie er dan om heen hebben gestaan.

De wetgever heeft, niettegenstaande de afwezigheid van in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeelden van een voldoende wezenlijke bijdrage, expliciet de mogelijkheid open willen laten om ook andere handelingen te kunnen beoordelen als een wezenlijke bijdrage aan het openlijke geweld door te verwijzen naar het begrip medeplegen.

Ter beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, hecht de rechtbank eraan nogmaals de gedragingen van [naam verdachte] op te sommen:

Hij is meegegaan met [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] naar een door hen geplande geweldpleging. Hij heeft zich vervolgens niet van hen, en van de geweldpleging, gedistantieerd. Nu het bewijs ontbreekt dat [naam verdachte] aan de geweldpleging een verdere actieve of passieve bijdrage heeft geleverd, leverde zijn aanwezigheid “slechts” een getalsmatige versterking van de groep op.

Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat er sprake is geweest van de “bewuste en nauwe samenwerking” die vereist is in het kader van medeplegen. Een oordeel dat zijn steun vindt in de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij verwezen zij naar de arresten van 11 november 2003 (LJN: AL6209), 7 juli 2009 (LJN: BH9029), 22 december 2009 (LJN: BK3356) en 19 januari 2010 (LJN: BK4816).

Zo bezien zijn [naam verdachte]s gedragingen, hoe moreel onjuist ook, niet van dusdanige aard geweest dat deze beoordeeld kunnen worden als het in vereniging plegen van openlijk geweld. Hetgeen aan [naam verdachte] primair ten laste is gelegd kan daarom niet bewezen worden verklaard. Hij zal daarvan moeten worden vrijgesproken.

Nu de rechtbank [naam verdachte] vrijspreekt van het primair tenlastegelegde, zal de rechtbank dienen te oordelen over hetgeen subsidiair aan hem is tenlastegelegd.

Het aan [naam verdachte] subsidiair gemaakte verwijt, betreft het zich schuldig gemaakt hebben aan het medeplegen van een mishandeling.

Zoals zo-even overwogen is van medeplegen geen sprake indien de verdachte -ondanks de bij hem aanwezige wetenschap over hetgeen stond te gebeuren- zich niet heeft gedistantieerd van de door anderen gepleegde gewelddadigheden en zich verder heeft onthouden van enige inmenging en/of aansporing.

Gelet hierop kan ook het subsidiair gemaakte verwijt niet slagen en zal [naam verdachte] ook daarvan moeten worden vrijgesproken.

4 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 600,-.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] volledig, hoofdelijk, toe te wijzen met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman is van mening dat de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Gelet op de omstandigheid dat [naam verdachte] van het onder primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder primair en subsidiair tenlastegelegde;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer], [adres slachtoffer]Sittard niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer] in de kosten door verdachte ter verdediging tegen de vordering tot nu toe gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.J. van den Acker, voorzitter, mr. M.B. Bax en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 maart 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 18 augustus 2010 te Sittard, in de gemeente

Sittard-Geleen, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de

Rijksweg Noord, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in

vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer], welk geweld bestond uit

het stompen/slaan en/of schoppen/trappen van die [naam slachtoffer];

subsidiair, althans indien het voorgaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden, dat

hij op of omstreeks 18 augustus 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, na kalm beraad en rustig overleg, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [naam slachtoffer], onder meer terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag, heeft gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt, waardoor voornoemde [naam slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/703646-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 25 maart 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresegegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman is mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat te Hoensbroek.