Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP9382

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
03/703644-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens medeplegen van het in brand steken van een auto, terwijl verdachte wist dat die brandstichting plaats vond om eventuele sporen van eerder door zijn mededaders gepleegde strafbare feiten, waarbij een homoseksuele man het slachtoffer was geworden, uit te wissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703644-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 maart 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsvrouw is mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 maart 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met anderen een auto, waarin zich een laptop bevond, in brand heeft gestoken

dan wel samen met anderen een auto en een laptop heeft vernield.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de brandstichting wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting;

- de aangifte van [naam slachtoffer];

- de stukken ter uitvoering van een rechtshulpverzoek aan Duitsland.

Nu de bewezenverklaarde brandstichting heeft plaatsgevonden in het verlengde van een schokkend feit, zal de rechtbank niet volstaan met deze opsomming van de bewijsmiddelen, maar zal zij een beschrijving geven van hetgeen er in de onderhavige zaak is gebeurd. Hierbij wordt verdachte ook aangeduid als [naam verdachte].

Op 13 augustus 2010 omstreeks 6.00 uur is door de Duitse politie melding gemaakt van het feit dat [naam slachtoffer], geboren op [geboortegegevens slachtoffer], wonende te Maasbracht, in het ziekenhuis in Geilenkirchen was opgenomen ten gevolge van een op Nederlands grondgebied (vermoedelijk in de wijk Lahrhof in Sittard) gepleegde mishandeling.

In zijn aangifte heeft [naam slachtoffer] verklaard dat hij heeft gechat via www.bullchat.nl en dat hij via die site een afspraak heeft gemaakt met een jongen uit Sittard om elkaar te treffen op de kruising Molenaarlaan/Doolweg te Sitttard. Omstreeks 3.00 uur heeft [naam slachtoffer] de chatsessie afgesloten en is met zijn auto (Chevrolet Kalos met kenteken [..-..-..]) naar Sittard vertrokken. Op de afgesproken plek heeft hij zijn auto geparkeerd, is uitgestapt en kort daarna werd hij door 2 mannen in elkaar geslagen en geschopt. Vervolgens werd hij gedwongen in de kofferbak van zijn auto te gaan liggen. De mannen zijn daarna met de auto gaan rijden. In Gangelt hebben de mannen [naam slachtoffer] uit zijn auto gelaten en zij hebben gezegd dat [naam slachtoffer] moest gaan rennen en dat hij niet mocht omkijken omdat ze hem anders zouden neerschieten. In de auto lagen onder meer een laptop, een fotocamera met telelens, een verrekijker en een navigatiesysteem.

Op 15 augustus 2010 omstreeks 00.30 uur werd de Chevrolet Kalos van [naam slachtoffer] brandend aangetroffen op een veldweg nabij de Jubileumstrasse te Tudderen (Duitsland). In de auto werden resten aangetroffen van een laptop en een verrekijker.

[naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben bij de politie bekend [naam slachtoffer] te hebben mishandeld. Zij hebben hem door een via internet gemaakte afspraak naar een plaats in Sittard gelokt, met de bedoeling om hem in elkaar te slaan. Dit hebben zij gedaan en zij zijn daarna met het slachtoffer in de kofferbak van zijn eigen auto naar Duitsland zijn gereden. Ze hebben verder verklaard dat ze het slachtoffer in Duitsland uit de auto hebben laten stappen en dat ze daarna zijn terug gereden naar Sittard, waar de auto werd geparkeerd. Door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] werden diverse goederen uit de auto meegenomen, waaronder de TomTom en de camera met toebehoren.

[naam medeverdachte 1] heeft bij zijn vierde verhoor op 23 september 2010 verklaard, verkort en zakelijk weergegeven, dat hij met [naam medeverdachte 2] naar Duitsland is gereden en dat ze daar de auto in brand hebben gestoken. Hij heeft voorts verklaard dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 9] daar bij waren. [naam medeverdachte 1] heeft de auto naar Duitsland gereden en [naam medeverdachte 2] is met zijn scooter naar Duitsland gereden. [naam medeverdachte 9] en [naam verdachte] zaten samen op een scooter.

In zijn vijfde verhoor op 19 oktober 2010 heeft [naam medeverdachte 1] verklaard dat [naam verdachte] de wasbenzine over de achterbank heeft gegooid en ook dat [naam verdachte] een doek in de tankopening heeft gedaan waarna [naam verdachte] de doek en de achterbank heeft aangestoken.

Over zijn eigen aandeel heeft [naam medeverdachte 1] verklaard dat hij zich kan herinneren dat de ramen van de auto half zijn open gezet en dat het kan zijn dat hij dat heeft gedaan.

[naam medeverdachte 9] heeft volgens [naam medeverdachte 1] niks gedaan, hij was er alleen bij voor het vervoer.

[naam medeverdachte 2] heeft in zijn derde verhoor op 22 september 2010 verklaard, verkort en zakelijk weergegeven, dat [naam medeverdachte 1] van de auto af wilde en dat [naam medeverdachte 1] de auto in Duitsland in brand heeft gestoken. Vooraf bij [naam medeverdachte 1] thuis, is besproken wat ze gingen doen. [naam verdachte] was daar bij.

Over zijn eigen rol verklaart [naam medeverdachte 2] dat hij nodig was om [naam medeverdachte 1] terug naar huis te brengen met de scooter. Verder heeft hij verklaard dat hij met [naam medeverdachte 1] een fles terpentine heeft gekocht bij de Gamma.

Over de aanwezigheid/rol van [naam medeverdachte 9] heeft [naam medeverdachte 2] niets verklaard.

[naam medeverdachte 9] heeft in zijn verhoor op 5 oktober 2010 verklaard, verkort en zakelijk weergegeven, dat [naam medeverdachte 1] aan het “stressen” was dat die auto weg moest. Ze zijn toen met zijn vieren naar die auto gegaan. Hij zag dat [naam medeverdachte 1] een witte fles bij zich had. [naam medeverdachte 1] heeft de auto naar Duitsland gereden en hij, [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] zijn op scooters gevolgd.

In zijn verhoor op 6 oktober 2010 heeft [naam medeverdachte 9] verklaard, verkort en zakelijk weergegeven, dat [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] een theedoek in de tank hebben gestopt. [naam verdachte] heeft benzine naar binnen gegooid. Volgens [naam medeverdachte 9] hebben [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] allebei geholpen. [naam medeverdachte 2] had de fles benzine in de scooter liggen en [naam medeverdachte 2] moest terug naar de scooter lopen omdat hij de aansteker vergeten was. [naam medeverdachte 9] weet niet wie het heeft aangestoken.

[naam medeverdachte 9] heeft niets verklaard over een eigen aandeel bij het in brand steken van de auto.

[naam verdachte] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard, verkort en zakelijk weergegeven, dat ze met zijn vieren ’s middags de fles [de rechtbank begrijpt: wasbenzine/terpentine] hebben gekocht, dat, aangekomen in Duitsland, [naam medeverdachte 1] alle ramen van auto heeft open gezet en dat hij [naam medeverdachte 2] iets met een aansteker heeft zien doen.

Over [naam medeverdachte 9] heeft hij verder niets verklaard en zelf zou hij er naast hebben gestaan.

Ter terechtzitting heeft [naam verdachte] verklaard, verkort en zakelijk weergegeven, dat hij ’s avonds met [naam medeverdachte 9] op de scooter naar [naam medeverdachte 1] is gegaan. [naam medeverdachte 1] vertelde dat ze een auto hadden van een homo die ze in elkaar hadden geslagen. [naam medeverdachte 1] wilde sporen verwijderen. Hij kwam op het idee om de auto in brand te steken. Na aandringen is [naam verdachte] meegegaan. [naam verdachte] wist een plek waar de auto in brand kon worden gestoken. [naam medeverdachte 1] reed de auto naar die plek. [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 9] en [naam verdachte] zijn op twee scooters naar de plek gereden. [naam medeverdachte 1] heeft de ramen open gezet. [naam medeverdachte 2] is terug naar zijn scooter gelopen voor de fles [benzine] en de aansteker. [naam verdachte] heeft verklaard dat hij benzine op de achterbank heeft gegooid en dat hij daarna is weggegaan. [naam medeverdachte 2] heeft een doek in de tank gedaan. [naam verdachte] weet niet wie het heeft aangestoken.

Op basis van het voorgaande gaat de rechtbank er van uit dat [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [naam verdachte] en [naam medeverdachte 9] aanwezig waren bij het in brand steken van de auto die [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] enkele dagen eerder van [naam slachtoffer] hadden gestolen, nadat zij hem hadden mishandeld.

Over de rolverdeling lopen de verklaringen uiteen. Daarbij valt op dat met uitzondering van [naam verdachte] het eigen aandeel door de betrokkenen wordt geminimaliseerd.

In de omstandigheid dat [naam verdachte] ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven, waarbij hij zich zelf heeft belast door ook over zijn aandeel te verklaren, ziet de rechtbank aanleiding de door [naam verdachte] ter terechtzitting geschetste gang van zaken als uitgangspunt te nemen. Ook omdat de door [naam verdachte] afgelegde verklaring over zijn eigen aandeel steun vindt in de verklaringen van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 9].

Op grond van deze verklaringen gaat de rechtbank ervan uit dat [naam verdachte] aanwezig was bij de bespreking vooraf, dat hij is meegegaan toen de benzine werd gekocht en dat hij toen al wist waar die benzine voor bestemd was. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat [naam verdachte] een geschikte plek heeft aangewezen voor het in brand steken en dat hij benzine over de achterbank van de auto heeft gegooid. De auto is daarna in brand gestoken door een van de aanwezigen. Wie dat is geweest, kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Echter, dat is ook niet noodzakelijk. Onder de geschetste omstandigheden dient geoordeeld te worden dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen – in ieder geval - [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2]. Zij hebben samengewerkt om de auto in de brand te steken. De brand van de auto werd ook door hen beoogd en wie dan uiteindelijk het vuur heeft aangestoken is niet relevant. Dit betekent dat de aan [naam verdachte] tenlastegelegde brandstichting, bewezen kan worden verklaard.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte]

in de periode van 14 augustus 2010 tot en met 15 augustus 2010 te Tudderen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met terpentine/(was)benzine, ten gevolge waarvan een personenauto geheel is verbrand, terwijl daarvan in elk geval gemeen gevaar voor goederen welke zich in die personenauto bevonden, te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. [naam verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om te volstaan met de oplegging van een werkstraf, aangezien verdachte over een blanco strafblad beschikt.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

[naam verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het in brand steken van een auto met gemeen gevaar voor zich in die auto bevindende goederen, waaronder een laptop en een verrekijker. [naam verdachte] was er van op de hoogte dat zijn vrienden een homo hadden mishandeld en dat zij vervolgens diens auto hadden gestolen. Hij wist ook dat het de bedoeling was om die auto in brand te steken; [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] wilden zo hun sporen uitwissen.

Deze wetenschap, en de ernst van hetgeen gebeurd was, heeft [naam verdachte] er kennelijk niet van weerhouden om met zijn vrienden mee te gaan om de auto in brand te steken en actief deel te nemen aan de uitvoeringshandelingen.

Ook blijkt uit telefoontaps in het dossier dat verdachte enkele weken na de brandstichting telefonisch contact heeft gehad met [naam medeverdachte 1] omdat hij interesse had in het kopen van de camera die [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] uit de auto hadden weggenomen, welke koop uiteindelijk niet is doorgegaan. Onduidelijk is gebleven of de koop niet doorging omdat verdachte de camera te duur vond of omdat hij uiteindelijk toch geen camera wilde die van diefstal afkomstig was. Wat daar ook van zij, de handelwijze van verdachte, zoals hiervoor beschreven, geeft blijk van een verontrustend gebrek aan normbesef. In plaats van zijn vrienden aan te spreken op hun gedragingen, heeft verdachte er voor gekozen zijn vrienden te helpen bij hun pogingen om hun verwerpelijke handelingen te verbergen en verborgen te houden.

Het siert verdachte dat hij – uiteindelijk ter terechtzitting – openheid van zaken heeft gegeven over zijn eigen aandeel in de feitelijke gang van zaken. Ook heeft verdachte ter zitting aangegeven dat hij spijt heeft en ook dat hij het achteraf gezien niet normaal vindt dat hij het opsporingsonderzoek heeft gefrustreerd. Maar verdachte had dit besef al eerder moeten hebben.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Alles tegen elkaar afwegende kan de rechtbank zich vinden in de door de officier van justitie gevorderde straf en ziet zij geen reden om hier van af te wijken.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 8.316,72.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] hoofdelijk toe te wijzen voor zover deze ziet op de materiële schade die is ontstaan ten gevolge van het in brand steken van de auto van [naam slachtoffer]. Ook heeft de officier van justitie gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de posten “Schade auto” ad € 135,- en “Accessoires” ad € 132,- gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met uitzondering van de onderdelen “TomTom”, “Foto apparatuur” en “1 verrekijker”, die naar haar mening in de zaak van verdachte niet toewijsbaar zijn omdat die goederen ten tijde van de brandstichting niet meer in de auto aanwezig waren, heeft zij zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van rechtbank ten aanzien van de post “Eigendommen van benadeelde die in de auto aanwezig waren ten tijde van de diefstal”. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen de overige schade en het onderhavige feit.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht verdachte toe te staan om een eventuele schadevergoeding in termijnen te betalen.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] door het hiervoor onder primair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal de vordering tot schadevergoeding worden toegewezen op de navolgende wijze.

De gevorderde materiële schade dient naar het oordeel van de rechtbank te worden toegewezen ter zake de post “Schade auto” ad € 135,-, de post “Accessoires” ad € 132,- en de post “Eigendommen van benadeelde die in de auto aanwezig waren ten tijde van de diefstal”, met uitzondering van de onderdelen Alcatel gsm, Sim-kaart voor gsm, TomTom, Foto apparatuur, 2 maanden oud camera statief, aangezien deze goederen door de medeverdachten al in de nacht van de mishandeling uit de auto zijn weggenomen en niet verloren zijn gegaan bij de brand. De schadevergoeding ter zake de post “Eigendommen van benadeelde die in de auto aanwezig waren ten tijde van de diefstal” bedraagt derhalve:

€ 1.219 - € 16,60 - € 23 - € 82,70 - € 604 - € 19,99 = € 472,71.

Ten aanzien van de overige posten ter zake materiële schade is de rechtbank van oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen de schade en het onderhavige feit.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade ad € 6.000,- niet voor vergoeding in aanmerking nu deze schadepost niet ziet op de brandstichting maar op de daaraan voorafgaande, niet door [naam verdachte] gepleegde, mishandeling.

De rechtbank acht de vordering derhalve toewijsbaar tot het bedrag van € 739,71.

De rechtbank zal de benadeelde partij [naam slachtoffer] voor het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank ziet in hetgeen verdachte ter terechtzitting omtrent zijn financiële positie naar voren heeft gebracht geen aanleiding hem toe te staan om het toegewezen bedrag van

€ 739,71 in termijnen te betalen.

Nu de verdachte ter zake van het hiervoor onder 3.4 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer [naam slachtoffer] zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, zal de rechtbank ook de nader te noemen maatregel opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer], [adres slachtoffer], van € 739,71 en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], € 739,71 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 14 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.J. van den Acker, voorzitter, mr. M.B. Bax en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 maart 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 14 augustus 2010 tot en met 15 augustus

2010 te Tudderen, in elk geval in Duitsland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of

meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking

gebracht met een in terpentine/(was)benzine gedrenkt stuk doek/stof, in elk

geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met

terpentine/(was)benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge

waarvan een personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval

brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de laptop welke zich in

die personenauto bevond, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten

was;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 14 augustus 2010 tot en met 15 augustus

2010 te Tudderen, in elk geval in Duitsland tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk

een personenauto en/of een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/703644-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 25 maart 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adres verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouw mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Sittard.