Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP8487

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
384271 CV EXPL 10-3062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Resterende termijnen mobiele telefooncontract. overeenkomst gesloten onder bedreiging van derde. schade onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 384271 CV EXPL 10-3062

typ: RK

Vonnis van 2 maart 2011

in de zaak van

MARJOC I B.V., handelend onder de naam MARJOC FINANCE,

gevestigd te Lierderholthuis, gemeente Raalte,

eisende partij,

verder te noemen: Marjoc,

gemachtigde: mr. E.E.J.M. Buttolo, deurwaarder te Heerlen

tegen

[gedaagde],

wonend te [woonplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. R. Mahovic, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn achtereenvolgens de navol¬gende proces¬stukken gewisseld:

-exploot van dagvaarding d.d. 22 juni 2010 (zonder producties);

-conclusie van antwoord met één productie in fotokopievorm;

-conclusie van repliek met vier meervoudige producties in fotokopievorm;

-conclusie van dupliek.

Daarna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

de vordering

Bij voormeld exploot van dagvaarding vordert Marjoc de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een bedrag van € 2.641,13, vermeerderd met de contractuele rente berekend naar 1% per maand over € 2.206,11 vanaf 15 juni 2010 tot aan de dag van algehele voldoening en onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

De vordering is als volgt opgebouwd:

€ 2.206,11 hoofdsom (abonnements- en gebruikskosten mobiele telefonie)

€ 300,00 vergoeding van buitengerechtelijke kosten

€ 132,17 tot 15 juni 2010 vervallen overeengekomen rente.

het geschil

Marjoc stelt ter onderbouwing van haar vordering dat [gedaagde] met Telfort B.V. (verder te noemen: Telfort) op 17 augustus 2009 een overeenkomst gesloten heeft voor de (minimale) duur van 24 maanden. Op grond van die overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden is [gedaagde] gehouden de periodiek aan hem gestuurde facturen binnen tien dagen na factuurdatum te voldoen.

Ondanks herhaalde aanmaningen heeft [gedaagde] de volgende facturen niet voldaan:

factuurdatum factuurnummer bedrag

25-08-2009 94796270 € 94,85

28-09-2009 95596065 € 54,39

25-11-2009 97188207 € 101,89

20-12-2009 98003167 € 1.954,98

Bij repliek legt Marjoc kopieën van de betreffende facturen over en verduidelijkt zij dat laatstgenoemde factuur betrekking heeft op zogenoemde resterende termijnen. Telfort heeft haar vordering (rechten op naam in de zin van artikel 3:94 BW) aan Marjoc gecedeerd en verkocht en heeft [gedaagde] daar schriftelijk van in kennis gesteld.

Ten aanzien van de laatste factuur van 20 december 2009 vordert Marjoc - subsidiair - de resterende termijnen als schadevergoeding toe te wijzen tot aan het einde van het eerste contractsjaar, dat wil zeggen tot 17 augustus 2010, zijnde een bedrag van € 815,12, waarmee de hoofdsom dan in totaal € 1.066,25 bedraagt.

Conform de bepalingen van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden is [gedaagde] ‘verzuimrente’ verschuldigd, berekend naar 1% per maand en te rekenen vanaf tien dagen na (de respectieve) factuurdata.

Het verweer van [gedaagde] luidt dat de overeenkomst tot stand gekomen is door misbruik van omstandigheden dan wel bedreiging, en hij beroept zich deswege op de vernietigbaarheid van de overeenkomst. [gedaagde] voert daartoe aan dat hij een zekere [derde] heeft leren kennen en dat laatstgenoemde hem vertelde dat [gedaagde] hem € 250,00 verschuldigd zou zijn omdat [derde] “in hem geïnvesteerd” had. Hierdoor voelde [gedaagde] zich bedreigd door [derde] en is hij op zijn “voorstel” ingegaan om de onderhavige overeenkomst te sluiten.

Bij repliek voert Marjoc aan dat de medewerker van Belcompany (die namens Telfort de onderhavige overeenkomst met [gedaagde] gesloten heeft) geen verdachte omstandigheden geconstateerd heeft waaruit deze had kunnen opmaken dat [gedaagde] de overeenkomst onder bedreiging afgesloten heeft, hetgeen [gedaagde] bij dupliek bevestigt. Volgens [gedaagde] kon de bedoelde medewerker (inderdaad) niet waarnemen dat hij bloot stond aan bedreiging en dat er sprake was van verdachte omstandigheden.

de beoordeling

[gedaagde] betwist niet de door Marjoc gememoreerde overeenkomst met Telfort gesloten te hebben. Evenmin betwist hij dat de door Telfort gebruikte algemene voorwaarden op die overeenkomst van toepassing zijn, noch dat hij de geleverde diensten in de vorm van het ter beschikking stellen van een mobiel telefoonnetwerk ontvangen heeft. Ook betwist [gedaagde] de gestelde cessie niet. Waar [gedaagde] bij antwoord nog stelde dat hem van de cessie (bij gebreke aan wetenschap) “niets bekend” was, heeft hij dit verweer, nadat Marjoc bij repliek die schriftelijke inkennisstelling met een productie geadstrueerd had, bij dupliek niet langer gehandhaafd, zodat dit verweer faalt.

Nu de onderhavige overeenkomst aldus vaststaat en Telfort zich aan de (aanvankelijke) leveringsverplichting gehouden heeft, dient [gedaagde] de facturen die betrekking hebben op de periode dat Telfort haar netwerk ter beschikking stelde, in beginsel te voldoen.

Hoewel Marjoc dit niet benoemt, gaat de kantonrechter er zonder meer van uit dat de factuur van 20 december 2009 betrekking heeft op een periode waarin dat netwerk niet meer ter beschikking van [gedaagde] stond. Marjoc stelt immers bij repliek dat die factuur ziet op “resterende termijnen” en het is de kantonrechter ambtshalve - uit een veelvoud aan vergelijkbare zaken - bekend dat daarmee bedoeld wordt dat de factuur ziet op de periode na afsluiting van de abonnee van het netwerk dan wel na de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst (die altijd kort daarna plaatsvindt).

Het verweer van [gedaagde] ten aanzien van vernietigbaarheid van de overeenkomst als zodanig kan niet slagen. Zoals [gedaagde] immers zelf al aanvoert, was voor de wederpartij (de medewerker van Belcompany) niet duidelijk dat overeenkomst tot stand kwam door bedreiging of misbruik van omstandigheden. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:44 lid 5 BW kan [gedaagde] zich derhalve niet op dit gebrek beroepen. Bovendien is het nog maar de vraag of een aldus bedoeld wilsgebrek zich voordeed in de verhouding tussen [gedaagde] en Telfort.

Het deel van de vordering dat ziet op de facturen van 25 augustus 2009, 28 september 2009 en 25 november 2009 ad in totaal € 251,13 zal worden toegewezen.

Wat betreft de gevorderde hoofdsom resteert dan ter beoordeling nog een bedrag van

€ 1.954,98 (subsidiair € 815,12) dat betrekking heeft op de resterende maanden aan abonnementsgelden, welk bedrag thans als vergoeding van geleden schade gevorderd wordt.

Hoewel Marjoc zich daar niet over uitlaat, gaat de kantonrechter er - om de hierboven uiteengezette reden - zonder meer van uit dat Telfort de onderhavige overeenkomst op enig moment omstreeks november/december 2009 buitengerechtelijk ontbonden heeft.

Marjoc laat echter na om te stellen dat zij dit onderdeel van haar vordering primair grondt op een beding in de overeenkomst dan wel in de algemene voorwaarden (zoals in vergelijkbare zaken gebruikelijk is) en het blijft daarom gissen naar hetgeen Marjoc dan als primaire grondslag voor dit deel van de vordering voor ogen staat.

Marjoc heeft het vervolgens niet nodig gevonden om aan de onderbouwing van de “subsidiaire” grondslag (schade en een daaruit voortvloeiende aanspraak op vergoeding daarvan) ook maar één enkel woord te wijden. Daarmee verzuimt Marjoc op schromelijke wijze de op haar rustende gemotiveerde stelplicht ten aanzien van dit (substantiële) deel van haar vordering, zodat dit afgewezen zal worden.

Nu [gedaagde] niet betwist dat ingevolge de (desbetreffende) bepaling(en) in de algemene voorwaarden rente verschuldigd is vanaf tien dagen na de factuurdatum (derhalve zonder nadere ingebrekestelling), is de gevorderde overeengekomen rente (over de toe te wijzen bedragen) toewijsbaar.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten kan - althans tot een forfaitair bedrag van € 75,00 - eveneens worden toegewezen nu de daaraan ten grondslag liggende werkzaamheden gespecificeerd worden, deze werkzaamheden op zich niet door [gedaagde] betwist worden en aard en omvang van deze werkzaamheden het kostenbedrag redelijkerwijs rechtvaardigen.

Nu Marjoc slechts voor een marginaal deel van haar vordering (ongeveer een achtste) in het gelijk gesteld wordt, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde] om aan Marjoc tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 326,13, vermeerderd met de overeengekomen rente over € 251,13 vanaf tien dagen na de respectieve factuurdata tot aan de dag van algehele voldoening.

Compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.