Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP6892

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
03/703007-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak brandstichting, bewezenverklaring bedreigingen, ongebruikelijke strafoplegging ten behoeve van opname verdachte in een kliniek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703007-10

Datum uitspraak: 1 maart 2011

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 november 2010 en 15 februari 2011 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum verdachte],

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Vught, te Vught.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 4 mei 2010 in de gemeente Maastricht [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend op die [naam slachtoffer 1] afgerend en/of heeft (vervolgens) tegen de deur van een kamer/kantoor geschopt (waarin die [naam slachtoffer 1] zich had ingesloten uit angst voor verdachte) en/of (vervolgens) een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, met de punt omhoog voor die [naam slachtoffer 2] heeft gehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Dit is er hier aan de hand", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 16 april 2010 in de gemeente Maastricht opzettelijk brand heeft gesticht in een kamer van GGZ Centrum Mondriaan, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een gordijn, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan de in de kamer aanwezige inboedel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de overige inboedel (van GGZ Centrum Mondriaan), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners en/of medewerkers van GGZ Centrum Mondriaan, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 16 april 2010 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een kamer van GGZ Centrum Mondriaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het gehele pand en/of de inboedel van de kamer of het overige pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor inwoners van voornoemd pand en/of personeelsleden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, met dat opzet (open) vuur in aanraking heeft gebracht met een gordijn, althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 26 november 2009 tot en met 2 december 2009 in de gemeente Heerlen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend

- tegen een raam van een kantoor getrapt en/of

- die [naam slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik krijg je nog wel, ik weet je te vinden" en/of

- tegen (een) medewerker(s) gezegd dat hij haar (die [naam slachtoffer 3]) de tanden uit de bek slaat en/of haar het ziekenhuis in slaat en/of

- tegen (een) medewerker(s) gezegd dat hij haar (die [naam slachtoffer 3]) in de kont neemt waar iedereen bij is van de verpleging en/of

- tegen (een) medewerker(s) gezegd dat hij weet waar zij (die [naam slachtoffer 3]) woont en haar wel weet te vinden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft zich zowel bij de politie, als ter terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht.

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van de bedreiging van [naam slachtoffer 1] (feit 1). Verdachte heeft namelijk niet meer gedaan dan de deur intrappen en is achter [naam slachtoffer 1] aangerend. Dit gedrag leverde voor [naam slachtoffer 1] weliswaar een angstige situatie op, maar deed niet de redelijke vrees ontstaan dat zij het leven zou laten of zwaar zou worden mishandeld. Ook mag niet worden meegenomen dat verdachte een mes zou hebben vastgehad, omdat [naam slachtoffer 1] dit pas achteraf heeft vernomen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat niet bewezen kan worden dat er gevaar voor personen is veroorzaakt door de brand die verdachte heeft gesticht in zijn kamer in het psychiatrisch ziekenhuis. De brand verkeerde in een beginstadium toen verdachte de verpleging waarschuwde. Bovendien waren de inboedel en stoffering van de kamer geïmpregneerd met een brandvertragend middel.

Van feit 3 moet verdachte volgens de raadsvrouw volledig worden vrijgesproken. Het enkele schoppen tegen een deur en schreeuwen door verdachte leveren geen bedreiging op met een misdrijf tegen het leven of met zware mishandeling. Daarnaast is er onvoldoende wettig bewijs dat verdachte bij zijn handelen de woorden “Ik krijg je nog wel, ik weet je te vinden" heeft geuit. Zelfs al zou dit wel het geval zijn geweest, leveren deze woorden geen strafbare bedreiging op, omdat niet is uitgesloten dat verdachte er iets anders mee bedoelde dan een bedreiging met de dood of met zware mishandeling.

Ook voor de overige ten laste gelegde mondelinge bedreigingen tegen [naam slachtoffer 3] is er onvoldoende bewijs, volgens de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd. Verdachte heeft een mes met de punt omhoog gehouden voor [naam slachtoffer 2] en daarbij dreigend gezegd: “Dit is hier aan de hand.” In de context van de overige omstandigheden die [naam slachtoffer 2] in haar aangifte beschrijft, levert dit een bedreiging op met een misdrijf tegen het leven.

De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de deur heeft ingetrapt die de gesloten afdeling van Mondriaan in Maastricht waar hij verbleef, scheidde van de afdeling waar [naam slachtoffer 1] zich bevond, nadat [naam slachtoffer 1] hem de toegang had geweigerd. Daarna zag [naam slachtoffer 1] dat verdachte op haar afkwam, wat [naam slachtoffer 1] als bedreigend ervoer. [naam slachtoffer 1] heeft zich vervolgens opgesloten in een kantoor. Verdachte probeerde ook dit kantoor binnen te komen en schopte daarbij tegen het raam en de deur. [naam slachtoffer 1] zag dat verdachte voorafgaand aan het intrappen van de eerste deur gespannen was. Ook had zij al eerder meegemaakt dat verdachte agressief kon zijn en ze was bang dat hij haar iets zou aandoen.

De rechtbank is van oordeel dat [naam slachtoffer 1] uit de hiervoor beschreven (opeenvolging van) gedragingen van verdachte en omstandigheden de conclusie kon trekken dat verdachte het duidelijk op haar gemunt had. Nadat zij hem de toegang had geweigerd, trapte verdachte met geweld de deur van de gesloten afdeling in en probeerde hij het kantoor waarin zij zich bevond met hernieuwd geweld binnen te komen. Dit betekent voor de rechtbank dat er geen sprake is geweest van “slechts” een angstige situatie. Het gewelddadige gedrag, met als sluitstuk het schoppen tegen de deur, heeft volgens de rechtbank bij [naam slachtoffer 1] terecht de vrees doen ontstaan dat verdachte haar iets zou aandoen en dat zij hieraan zwaar lichamelijk letsel kon overhouden. Derhalve is er sprake van een strafbare bedreiging.

Feit 2

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 2, omdat zij niet bewezen acht dat de brand die verdachte op zijn kamer heeft gesticht, gemeen gevaar voor goederen of personen heeft veroorzaakt. Het dossier bevat hiervoor geen bewijsmiddel. Vaststaat dat verdachte midden op de vloer van zijn slaapkamer goederen in brand heeft gestoken, waarna hij de verpleging is gaan waarschuwen en de brand snel is geblust. Uit het dossier kan echter niet met zekerheid worden afgeleid dat andere goederen in de kamer aanwezig waren waarvoor de brand gevaar opleverde. Immers, uit de bewijsmiddelen blijkt dat de stoffering brandvertragend was geïmpregneerd. Of de door verdachte gestichte brand kans had uit te groeien tot een brand die gemeen gevaar voor goederen veroorzaakte, kan op basis van de voorhanden bewijsmiddelen niet worden vastgesteld. Dit brengt mee dat evenmin kan worden bewezen dat personen gevaar hebben gelopen of hadden kunnen lopen. Ook voor de subsidiair ten laste gelegde variant van feit 2, poging tot brandstichting, moet een vrijspraak volgen omdat het niet bij een poging is gebleven, maar daadwerkelijk brand is ontstaan.

Feit 3

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd. Zij baseert dit op het volgende.

[naam slachtoffer 3] beschrijft in haar aangifte dat verdachte van de gesloten afdeling van Mondriaan in Heerlen waar hij verbleef, af wilde. Verdachte was opgefokt, begon zich “op te blazen” en schreeuwde dat zij en haar collega de deur moesten openmaken. [naam slachtoffer 3] kreeg de indruk dat verdachte steeds agressiever werd. Zij besloot de deur van haar kantoor niet te openen, waarop verdachte opnieuw schreeuwde dat zij hem naar buiten moesten laten, anders zouden er andere dingen gaan gebeuren. Vervolgens begon verdachte tegen de deur van het kantoor te trappen en [naam slachtoffer 3] zocht haar toevlucht in een volgend kantoor. Verdachte trapte de deur van het eerste kantoor open, waarbij de ruit van het kantoor uit het kozijn werd getrild. Daarop begon verdachte ook te trappen tegen het raam van het tweede kantoor, waarin [naam slachtoffer 3] zich nog bevond. Daarop werd [naam slachtoffer 3] ontzet door collega’s en werd verdachte afgevoerd naar een separeercel. [naam slachtoffer 3] hoorde verdachte onderweg naar de separeercel zeggen: “Ik krijg je nog wel, ik weet je te vinden.”

In de context van de hiervoor beschreven (opeenvolging van) omstandigheden, gewelddadige gedragingen en dreigende uitlatingen van verdachte is bij [naam slachtoffer 3] naar het oordeel van de rechtbank terecht de vrees ontstaan dat verdachte haar iets zou aandoen. Het trappen tegen het raam van het (tweede) kantoor in samenhang met het gebruik van genoemde woorden vormt het sluitstuk van het incident en levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook een bedreiging op met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. Gelet op de opbouw van het incident en de overige gedragingen van verdachte is voor de rechtbank duidelijk dat zijn woorden ook deze strekking/bedoeling hadden.

De rechtbank heeft voldoende bewijs voorhanden dat verdachte voornoemde woorden ook daadwerkelijk heeft gebruikt. De aangifte van [naam slachtoffer 3] vindt namelijk genoeg steun in de verklaring van de getuige [naam getuige 1], ook al heeft deze getuige de specifieke woorden niet genoemd in die verklaring. [naam getuige 1] heeft namelijk verklaard dat verdachte tijdens het incident voortdurend bedreigingen heeft geuit in de richting van [naam slachtoffer 3] en haar collega in het kantoor. Ook bij het vervoeren van verdachte naar een separeercel gingen de dreigende uitlatingen van verdachte door, volgens [naam getuige 1]. [naam getuige 1] benoemt slechts enkele uitlatingen specifiek en geeft in zijn verklaring aan dat hij zich tijdens het incident concentreerde op het onder controle krijgen van verdachte. Dit maakt het aannemelijk dat hij niet iedere uiting van verdachte heeft onthouden en betekent niet dat de woorden die [naam slachtoffer 3] heeft gehoord niet zijn gezegd door verdachte. Voor de rechtbank is er dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van [naam slachtoffer 3] over de aan haar gerichte woorden.

Ook voor de onder gedachtestreepjes 3 en 5 ten laste gelegde uitlatingen, die niet in het bijzijn van [naam slachtoffer 3] zijn geuit, is er voor de rechtbank voldoende bewijs. Deze uitlatingen leveren een bedreiging op met een misdrijf tegen het leven, dan wel met zware mishandeling.

De uitlatingen zijn gerapporteerd door de collega’s van [naam slachtoffer 3] in het kader van hun werk met verdachte op de gesloten afdeling in het psychiatrisch ziekenhuis. Er is voor de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de beschreven uitlatingen jegens [naam slachtoffer 3] (telkens) slechts door één persoon zijn gehoord en opgeschreven en dat mogelijk de regel “een getuige is geen getuige” is geschonden, zoals de raadsvrouw heeft betoogd. Uit diverse passages in de rapportages blijkt genoegzaam dat telkens verschillende medewerkers op de afdeling werkzaam waren en dat verschillende medewerkers hebben geconstateerd dat verdachte voornamelijk een dreigende houding had ten aanzien van [naam slachtoffer 3]. De politie relateert ook op pagina 22 en 23 van het dossier dat bewust haar naam niet is genoemd in de rapportages, maar dat zij wordt aangeduid met vpk (verpleegkundige) of collega, wat ook is terug te vinden in de rapportages. Op verschillende data worden de uitlatingen van verdachte in de rapportages letterlijk weergegeven en het is dan ook onwaarschijnlijk dat het telkens dezelfde persoon is geweest die de woorden heeft gehoord en genoteerd. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat de uitlatingen in de tenlastelegging specifiek aan het adres van [naam slachtoffer 3] waren gericht en verwerpt zij het standpunt van de raadsvrouw dat die uitlatingen ook voor andere collega’s bedoeld hadden kunnen zijn.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

hij op 4 mei 2010 in de gemeente Maastricht [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte tegen de deur van een kantoor geschopt waarin die [naam slachtoffer 1] zich had ingesloten uit angst voor verdachte;

en

hij op 4 mei 2010 in de gemeente Maastricht [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte een mes met de punt omhoog voor die [naam slachtoffer 2] gehouden en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Dit is er hier aan de hand".

Feit 3

hij in de periode van 26 november 2009 tot en met 2 december 2009 in de gemeente Heerlen, meermalen telkens [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, immers heeft verdachte telkens opzettelijk dreigend

- tegen een raam van een kantoor getrapt en

- die [naam slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik krijg je nog wel, ik weet je te vinden" en

- tegen (een) medewerker(s) gezegd dat hij haar (die [naam slachtoffer 3]) de tanden uit de bek slaat en/of haar het ziekenhuis in slaat en

- tegen (een) medewerker (s) gezegd dat hij weet waar zij (die [naam slachtoffer 3]) woont en haar wel weet te vinden.

De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

PM

De kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert strafbare feiten op die als volgt moeten worden gekwalificeerd:

Feit 1

bedreiging met zware mishandeling

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 3

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling, meermalen gepleegd

De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte heeft geweigerd zich te laten onderzoeken door een psycholoog of een psychiater. Weliswaar is informatie in het dossier aanwezig over eerdere onderzoeken van verdachte en de daarin gestelde diagnoses, maar daaruit is geen eenduidige conclusie omtrent zijn toerekeningsvatbaarheid te trekken. Dat betekent dat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zich moet houden aan aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat hij zich in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg moet laten behandelen.

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte al zolang in voorarrest zit, dat er geen plaats meer is voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de straffen die doorgaans voor vergelijkbare feiten worden opgelegd. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat zij teleurgesteld is over het feit dat er nog niets concreets geregeld is voor een opname van verdachte, terwijl dit nodig is en hij op dit moment gemotiveerd is voor een klinische behandeling. De raadvrouw vindt het echter onaanvaardbaar om verdachte in afwachting van een plaatsing in een kliniek langer gedetineerd te houden door hem meer onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Verdachte heeft een aantal ernstige bedreigingen geuit jegens medewerkers van de psychiatrische klinieken waar hij verbleef. Bij één van de bedreigingen heeft verdachte gebruik gemaakt van een mes, bij de andere heeft verdachte fysiek geweld gebruikt. Jegens slachtoffer [naam slachtoffer 3] hebben de bedreigingen zich uitgestrekt over een week en de dreigende houding van verdachte leek een structureel karakter te krijgen.

Op zichzelf mag verondersteld worden dat (psychiatrisch) verpleegkundigen van een gesloten afdeling professioneel kunnen omgaan met agressie in woord en gedrag van cliënten, maar dat wil niet zeggen dat dit verdachte zonder meer zou moeten disculperen.

Voor de rechtbank doet deze veronderstelling in het onderhavige geval beslist geen afbreuk aan de ernst van de feiten. Verder is ook niet gebleken dat sprake was van een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De ernst van de bedreigingen en het herhaalde karakter ervan brengen voor de rechtbank mee dat zij het niet vindt passen om aan te sluiten bij de gebruikelijke straffen voor bedreiging, die vaak in de sfeer van een geldboete liggen of een (voorwaardelijke) werkstraf. Daarbij speelt ook een rol dat het strafblad van verdachte een diefstal met geweld vermeldt en bedreigingen. Deze feiten hebben zich weliswaar meer dan vijf jaar geleden afgespeeld en leiden niet tot verhoging van de op te leggen straf, maar het uitvoeren van een flinke werkstraf en de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf hebben verdachte er niet definitief van weerhouden agressieve delicten te plegen, waarvan anderen het slachtoffer zijn. De rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte in de kliniek brand heeft gesticht. Weliswaar is niet met zekerheid vast te stellen dat deze brand in dit geval gevaar voor goederen of personen kon opleveren, maar de brandstichting op zichzelf is wel tekenend voor de gemoedstoestand waarin verdachte bij tijd en wijle verkeert.

Dit betekent dat naast de ernst van de feiten, voorkoming van recidive in het belang van een veilige samenleving een zwaarwegende rol speelt bij het bepalen van de strafmaat. Een gevangenisstraf van 12 maanden is daarom voor de rechtbank het uitgangspunt, waarbij een onvoorwaardelijk deel moet worden opgelegd om vooral recht te doen aan de ernst van de feiten en een voorwaardelijk deel ter voorkoming van recidive na het uitzitten van de straf. In beginsel denkt de rechtbank aan een voorwaardelijk deel van 4 maanden.

Voorkoming van herhaling kan in het geval van verdachte echter niet alleen bereikt worden door gevangenisstraf. Tijdens de behandeling van de zaak is gebleken dat niet alleen verdachte, maar ook zijn raadsvrouw en de officier van justitie van mening zijn dat verdachte dringend hulp en behandeling nodig heeft. Uit de rapportage van psychiater drs. [naam psychiater], die verdachte in het kader van zijn voorlopige hechtenis heeft onderzocht, komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een chronische psychiatrische problematiek. Uit de rapportage van de reclassering komt ook naar voren dat sprake is van psychiatrische problematiek, waarbij drugsgebruik een rol speelt. Het recidiverisico wordt door de reclassering als hoog ingeschat. Aan verder psychiatrisch en/of psychologisch onderzoek heeft verdachte echter niet willen meewerken uit angst voor het opleggen van de tbs-maatregel.

Verdachte is door de reclassering aangemeld bij het NIFP voor een indicatiestelling voor een forensisch klinische behandeling. Deze zou bij voorkeur moeten plaats vinden in de ggz-instelling De Woenselse Poort, afdeling De Ponder te Eindhoven. Een behandeling in De Ponder duurt gemiddeld ongeveer één jaar. Beslissingen over de indicatiestelling, de plaatsing en de exacte opnamedatum waren echter bij sluiting van het onderzoek ter terechtzitting nog niet genomen, terwijl dit doorgaans voor de rechtbank een voorwaarde vormt om een verdachte te verplichten zich te laten opnemen in een kliniek. De rechtbank is immers wettelijk verplicht de duur van de opname te bepalen ex artikel 14c, tweede lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde niet langer dan noodzakelijk van zijn vrijheid wordt beroofd. Ook kan de beslissing over opname niet volledig worden overgelaten aan de reclassering.

Dit heeft de rechtbank voor een dilemma geplaatst. Moet de zaak worden aangehouden of heropend in afwachting van definitieve gegevens over een plaatsing of moet de zaak worden afgedaan, terwijl niet met zekerheid te zeggen is of en wanneer verdachte kan worden opgenomen in De Ponder?

De rechtbank is van oordeel dat de strafzaak, nu deze inhoudelijk volledig is behandeld en beoordeeld, niet moet worden verlengd in afwachting van definitieve gegevens. Ook moet worden meegewogen dat verdachte zich al sinds 14 juni 2010 in voorlopige hechtenis bevindt en de duur daarvan zou de op te leggen onvoorwaardelijke straf niet moeten overschrijden, gelet op artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht verder uitstel van de strafzaak voorts niet in het belang van de verdachte bij het zo snel mogelijk vinden van een voor hem geschikte behandelplaats. Ter zitting is gebleken dat de verzorging en het verblijf in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Vught een verbetering in zijn situatie hebben gebracht en hij heeft aangegeven gemotiveerd te zijn voor een behandeling in De Ponder. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de behandeling niet alleen noodzakelijk is, maar ook perspectief biedt. Zij moet ook zo snel mogelijk beginnen. Daarom zal aan het voorwaardelijk deel van de straf reclasseringstoezicht worden gekoppeld en de voorwaarde dat verdachte zich klinisch laat behandelen in De Ponder. De duur van de behandeling zal de rechtbank bepalen op maximaal 1 jaar.

Om de reclassering de gelegenheid te geven de opname in De Ponder te realiseren en tegelijkertijd de positieve resultaten van de behandeling in het PPC te continueren, komt de rechtbank tot de beslissing een minder groot deel van de straf voorwaardelijk op te leggen dan zij aanvankelijk in gedachten had. De rechtbank overweegt hierbij dat een plotselinge vrijlating van verdachte een aanzienlijk risico meebrengt dat de positieve ontwikkeling wordt doorbroken met alle mogelijke gevolgen van dien. De rechtbank beseft dat dit betekent dat verdachte zwaarder gestraft wordt voor de feiten. Deze beslissing past echter het meest bij het doel van voorkoming van ernstige misdrijven in het belang van de samenleving én bij de persoon van verdachte en zijn belang bij de voor hem meest geschikte behandeling.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering van Mondriaan JVZ;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich klinisch laat behandelen in De Woenselse Poort, afdeling De Ponder, voor de duur van maximaal 1 jaar of zoveel korter als de reclassering en/of de bij de behandeling betrokken deskundigen noodzakelijk achten;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. W.F.J. Aalderink en mr. I. Becker-Hartenhof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 1 maart 2011.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703007-10

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 1 maart 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Vught, te Vught.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de zitting aanwezig. Ter zitting van 15 februari 2011 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouwe mr. F.W. Oehlen, advocaat te Beek.