Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP6707

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
03/185971-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Project DOEN. Onvoldoende gronden voor redelijk vermoeden van schuld. Verbalisant niet als zodanig herkenbaar voor verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/185971-10

vonnis van de politierechter d.d. 4 maart 2011

in de stafzaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsvrouwe is mr. F.A.G.M. Landerloo, advocate te Sittard.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 februari 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

opzettelijk harddrugs, te weten heroïne en cocaïne, aanwezig heeft gehad.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft betoogd dat er ten tijde van de staandehouding wel een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was. Dit is volgens de officier van justitie toegelicht aan de hand van het aanvullend proces-verbaal. Er is aldus rechtmatig gehandeld.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, conform de overgelegde pleitnota, het verweer gevoerd dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat voor het ten laste gelegde geen wettig bewijs voorhanden is. Hiertoe is aangevoerd, kort gezegd, dat de aanhouding en de daaropvolgende fouillering van de verdachte onrechtmatig was, zodat al hetgeen daaruit voortvloeit van het bewijs dient te worden uitgesloten. Het enige overgebleven bewijs- de verklaring van verdachte- is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

3.3. Het oordeel van de politierechter

Door de verbalisanten [V.], [H.] en [J.] is op respectievelijk ambtseed en ambtsbelofte een proces-verbaal opgemaakt van hun bevindingen op 17 maart 2010. Dit proces-verbaal houdt, voor zover relevant, in:

Wij, verbalisanten [V.], [H.] en [J.] waren in burgerkleding gekleed en per onopvallend dienstvoertuig belast met surveillance in het kader van het project DOEN.

Op 16 maart 2010 zag ik, verbalisant [V.], een man over de [P.weg] te Heerlen lopen, naar later bleek [S.K.]. Ik zag dat de man een Zuid-Europees uiterlijk had. Ik zag dat de man zeer onrustig over straat liep. (…) Ik zag dat hij hier op en neer bleef lopen en hierbij meermaals nerveus de straat op en af keek. Mij, verbalisant [V.], is ambtshalve bekend dat er recent klachten zijn binnengekomen bij de politie, welke spreken over dealeroverlast in de omgeving van de [P.B.straat] te Heerlen. (…) Ik, verbalisant [H.], zag dat er een vrouw in de telefooncel doende was met telefoneren. Ik herkende de vrouw als de mij, ambtshalve bekende harddrugsgebruikster, [T.B.].

Wij, verbalisanten [H.] en [J.], zagen dat [S.K.] tevens de telefooncel inging. (…) Ik, verbalisant [V.], zag op genoemde datum, omstreeks 19.00 uur dat er een bordeauxrode stationwagon stopte ter hoogte van de [S.K.]. Ik, verbalisant [V.], zag dat de verdachte [S.K.] in de personenauto stapte en dat de personenauto meteen wegreed in de richting van de [P.weg] te Heerlen. Ik, verbalisant [V.], zag dat de auto de [P.weg] opreed en direct terugkeerde de [E.weg] in. Ik zag dat de auto langs het trottoir stopte ongeveer ter hoogte van mij. Ik, verbalisant [V.], informeerde de verbalisanten [H.] en [J.] over mijn bevindingen en liep op de bestuurder van de auto af, teneinde de auto en de inzittende te controleren inzake artikel 9 van de Opiumwet. Ik, verbalisant [V.], naderde de auto op ongeveer 2 meter en keek de bestuurder, naar later bleek de verdachte [naam verdachte], aan. Bij het zien van mij zag ik dat de bestuurder verschrikt keek en vervolgens direct met hoge snelheid wegreed vanuit stilstand in de richting van de [P.B.straat] te Heerlen. (..) Wij, verbalisanten [H.] en [J.], gaven de bestuurder van de personenauto, naar later bleek de verdachte [naam verdachte], een stopteken. (…) Wij, verbalisanten [H.] en [J.], voerden een controle uit inzake artikel 9 van de Opiumwet. De bestuurder legitimeerde zich desgevraagd bij mij, verbalisant [H.], met zijn rijbewijs. Vervolgens werd de verdachte [naam verdachte] door mij, verbalisant [H.], op dinsdag 16 maart 2010, (…) aangehouden op de openbare weg, (…) ter zake vermoedelijke overtreding van artikel 2B en C van de Opiumwet juncto artikel 10 lid 3 en 4 van de Opiumwet.

Onderzoek kleding

Ik, verbalisant [V.], onderzocht de kleding van de verdachte [naam verdachte].

(…)

Ik verbalisant [V.], tastte vervolgens de broek van de verdachte af. Ik zag dat de verdachte [naam verdachte] een vreemde bobbel in zijn broek had, rechts van de schaamstreek ter hoogte van zijn lies. Ik, verbalisant, zag dat dit voorwerp meerdere bobbels bevatte.

Ik, verbalisant [V.], voelde dat de bobbels zacht waren. Desgevraagd deelde de verdachte mede dat het inderdaad drugs waren. Hierop opende ik, verbalisant [V.], de broek van de verdachte [naam verdachte] en pakte ik een plastic zakje uit de onderbroek van de verdachte [naam verdachte]. Ik, verbalisant [V.], zag dat er in dit doorzichtig plastic zakje 6 plastic bolletjes met daarin een op heroïne gelijkende stof zaten. Ik, verbalisant [V.], zag dat er 2 plastic bolletjes met een op cocaïne gelijkende stof zaten.

Door de verbalisanten [V.] en [H.] is tevens op respectievelijk ambtseed en ambtsbelofte een aanvullend proces-verbaal opgemaakt van hun bevindingen op 16 februari 2011. In dit aanvullend proces-verbaal wordt voornamelijk over [S.K.] gerelateerd.

Bovenstaande bevindingen brengen de politierechter tot de navolgende overwegingen.

Voor de beantwoording van de vraag of het optreden van de verbalisanten rechtmatig was acht de politierechter in het bijzonder de artikelen 27, eerste lid, en 52 van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet van belang. Ten tijde van de staandehouding moet zich de situatie voordoen dat ten aanzien van de verdachte uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig, bij de Opiumwet strafbaar gestelde feit voortvloeit.

De omstandigheden dat verdachte zich begaf naar een plek waarvan recent klachten binnenkwamen omtrent dealeroverlast, het contact met [S.K.] die even tevoren contact had gehad met een drugsgebruikster en het hard wegrijden na het zien van de in burgerkleding geklede verbalisant zijn tezamen en in onderlinge samenhang bezien onvoldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld, in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering. De verdenking jegens verdachte berust niet op objectieve feiten en omstandigheden. Allereerst is er geen sprake van een plek waarvan ambtshalve bekend is dat daar veelvuldig gehandeld word in verdovende middelen, nu enkel nog sprake was van klachten over dealeroverlast, zonder dat reeds in eerdere gevallen is vastgesteld dat terplekke daadwerkelijk dealeractiviteiten hebben plaatsgevonden. Verder volgt uit het relaas van de verbalisanten dat verdachte zelf geen contact heeft gemaakt met een ambtshalve bekende drugsgebruiker, terwijl [S.K.] voornoemd niet ambtshalve bekend is als drugsgebruiker. Verdachte was geruime tijd niet ter plaatse en ook anderszins niet in beeld. Tenslotte levert de enkele schrikreactie geen objectieve omstandigheid op dat verdachte iets te verbergen had en zich eventueel aan de politie wilde onttrekken, nu de verbalisant als burger was gekleed en aldus voor verdachte niet kenbaar kon zijn dat hij door weg te rijden zich onttrok aan een mogelijke politiecontrole.

Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de staandehouding en de daaropvolgende aanhouding onrechtmatig zijn geschied. Gelet hierop ontbreekt ook voor het onderzoek aan de kleding van de verdachte een wettelijke basis.

Naar het oordeel van de politierechter mocht de verdachte ten tijde van het onderzoek aan zijn kleding niet worden aangemerkt als ‘een persoon, verdacht van een bij de Opiumwet als misdrijf strafbaar gesteld feit’, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet, terwijl op dat moment evenmin sprake was van de in dat artikellid bedoelde ‘ernstige bezwaren’ tegen de verdachte.

Het ten onrechte aanmerken van een persoon als verdachte in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering, gevolgd door een dientengevolge onrechtmatige fouillering, vormt een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dat in het vooronderzoek is begaan en onherstelbaar is.

Nu de rechtsgevolgen van dat vormverzuim niet uit de wet blijken, zal de politierechter dienen te beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient de politierechter rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’, bij de beoordeling waarvan de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan van belang zijn. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Het aanmerken van een persoon als verdachte in de zin van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is van belang vanwege de gevolgen die een strafrechtelijke verdenking met zich meebrengt: het toepassen van dwangmiddelen. Het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld of van ‘ernstige bezwaren’ heeft tot gevolg dat een dwangmiddel onrechtmatig is toegepast of bewijs onrechtmatig is verkregen. Tevens moet voorkomen worden dat het subjectieve oordeel van opsporingsambtenaren een doorslaggevende rol gaat spelen in de totstandkoming van een verdenking.

De politierechter heeft hierboven geconcludeerd dat de verdachte onrechtmatig staande is gehouden. Direct daaropvolgend, zonder nader onderzoek, werd verdachte aangehouden en aan de kleding onderzocht. Bij het zien en voelen van vreemde zachte bobbels in de broek van verdachte deelde verdachte desgevraagd aan verbalisant mede dat hij verdovende middelen bij zich had. Het afgeven van de verdovende middelen acht de politierechter het gevolg van het (onrechtmatige) onderzoek aan de kleding.

Rekening houdende met het hiervoor beschreven belang dat het geschonden voorschrift van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dient en de ernst van het verzuim alsook rekening houdend met de omstandigheid dat verdachte door het verzuim direct getroffen is in het belang dat het overtreden voorschrift beoogt te beschermen, zal de politierechter, mede gelet op de gevolgen van de schending, de resultaten van het onderzoek vanaf de staandehouding uitsluiten van het bewijs. Na uitsluiting van voormeld bewijs resteert er onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te geraken. De politierechter zal derhalve tot vrijspraak besluiten.

4. Beslissing

De politierechter:

Vrijspraak

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Bouts, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 maart 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 16 maart 2010, in de gemeente Heerlen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 1,85 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

(art 2 ahf/ond C Opiumwet)