Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP6649

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
143715 / HA ZA 09-1067
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betalingen van vennootschap aan (ex-)bestuurders kort voor faillissement. Onverschuldigd betaald? Deels met elkaar in tegenspraak zijnde verklaringen van gedaagden zijn ongeloofwaardig. Bewijsaanbod wordt gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 143715 / HA ZA 09-1067

Vonnis van 2 maart 2011

in de zaak van

1. [naam curator],

wonende te Riemst (België),

2. [naam curator],

wonende te Maastricht,

beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap [naam bedrijf gedaagden],gevestigd te Landgraaf,

eisers,

advocaat mr. F.W. Udo te Maastricht,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te Lanaken (België),

gedaagde,

verder ook te noemen: ‘[gedaagde 1]’,

advocaat mr. R.J. Veenhuysen te Maastricht,

2. [gedaagde],

wonende te Lanaken (België),

gedaagde,

verder ook te noemen: ‘[gedaagde 2]’,

advocaat mr. R.J.M.C. Rosbeek te Maastricht.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1],

- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2],

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek van [gedaagde 1], en

- de conclusie van dupliek van [gedaagde 2].

Op 5 februari 2010 hebben de curatoren stukken ter griffie gedeponeerd.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2. De feiten

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende - tussen partijen vaststaande - feiten.

2.1

Bij vonnis van 5 juli 2005 is de besloten vennootschap [bedrijf gedaagden], verder: ‘de vennootschap, failliet verklaard, met aanstelling van eisers als curatoren. Eisers zullen verder ‘de curatoren’ worden genoemd.

2.2

[gedaagde 1] is statutair bestuurder van de vennootschap. [gedaagde 2] was dat tot 27 februari 2002. Beiden waren in loondienst bij de vennootschap.

2.3

Op enig moment vóór het faillissement is namens de vennootschap het besluit genomen dat het salaris van zowel

[gedaagde 1] als [gedaagde 2] met ingang van 1 januari 2004 zou worden verhoogd van € 7.000,00 bruto per maand naar € 10.000,00 bruto per maand. Over dat besluit is een zowel aan [gedaagde 1] als [gedaagde 2] gerichte brief opgesteld, welke is gedateerd op 2 december 2004.

2.4

Op 9 juni 2005 is middels bankoverboeking zowel aan [gedaagde 1] als aan [gedaagde 2] € 50.050,00 door de vennootschap uitbetaald. De daarbij gegeven omschrijving luidde: ‘voorschot kostendeclaratie’.

2.5

Bij brieven van 25 juni 2008 aan gedaagden hebben de curatoren gemeld dat zij de rechtshandeling(en) rondom de salarisverhogingen vernietigen. Daarnaast is meegedeeld dat de overboekingen van de € 50.050,00 nietig zijn, althans grondslag ontberen. Verder zijn gedaagden – tevergeefs – gesommeerd laatstgenoemd bedrag terug te betalen.

3. Het geschil

3.1

Samengevat vorderen de curatoren:

- een verklaring voor recht dat de rechtshandelingen waarbij aan gedaagden een salarisverhoging is toegekend door hen zijn vernietigd,

- een verklaring voor recht dat de betalingen van € 50.050,00 aan gedaagden nietig zijn althans dat die betalingen onverschuldigd zijn geschied,

- veroordeling van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] tot betaling van de ontvangen salarisverhoging van (18 maanden x

€ 3.000,00 =) € 54.000,00 en van € 50.050,00 aan de faillissementsboedel, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,

met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2

Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1

Vast staat dat gedaagden middels de overboekingen op 9 juni 2005 ieder € 50.050,00 van de vennootschap hebben ontvangen. Gedaagden betwisten dat zij daarnaast de door de curatoren voorgerekende som van € 54.000,00 hebben ontvangen. De curatoren hebben hun standpunt ter zake niet nader, en daarmee onvoldoende, onderbouwd. Voor zover hun vorderingen strekken tot betaling van € 54.000,00 zullen deze om die reden worden afgewezen.

4.2

De betalingen van € 50.050,00 hebben volgens gedaagden betrekking op de uitkering van achterstallig salaris waarop zij jegens de vennootschap aanspraak hadden. Die aanspraak vindt zijn grondslag, aldus gedaagden, in het besluit tot verhoging van hun salaris van € 7.000,00 per maand naar € 10.000,00 per maand vanaf 1 januari 2004. Dat besluit zou zijn genomen op 2 december 2004 (conclusie van antwoord [gedaagde 1]) of 26 april 2004 ([gedaagde 2] en conclusie van dupliek

[gedaagde 1]).

Hiertegenover stellen de curatoren dat de betalingen van € 50.050,00 hebben plaatsgevonden ten titel van kostenvergoeding. Zij verwijzen daarbij naar de omschrijving die, blijkens het bankafschrift, bij de betalingen gegeven is: ‘voorschot kostendeclaratie’ (productie 5 zijdens de curatoren).

4.2.1

Op grond van de omschrijving die aan de overboekingen is gegeven, is het vermoeden gerechtvaardigd dat de betalingen geen betrekking hebben op salaris. Zeker nu de curatoren daarnaar reeds hebben verwezen in hun brieven van 25 juni 2008, lag het op de weg van gedaagden om nader te onderbouwen waarom de betalingen desalniettemin betrekking zouden hebben op betaling van achterstallig salaris. Zij hebben dit nagelaten.

4.2.1.1

Over de vermelding op de overboeking heeft [gedaagde 1] enkel gesteld dat er sprake is van een foutieve omschrijving die irrelevant is. [gedaagde 2] meldt slechts dat er abusievelijk een onjuiste omschrijving gegeven is. Gesteld noch gebleken is dat gedaagden op enig moment vóór het nemen van de conclusie van antwoord over deze volgens hen incorrecte beschrijving hebben gereclameerd of anderszins actie hebben ondernomen.

4.2.1.2

Gedaagden hebben bovendien onvoldoende heldere en deels onderling verschillende stellingen ingenomen over het verband tussen de door hen gestelde verplichting tot (na)betaling van salarisverhoging en het op 9 juni 2005 aan hen uitgekeerde bedrag. Daarover het volgende.

Gedaagden stellen beiden dat de betaling voor € 50,00 betrekking had op vergoeding van bankkosten.

In de conclusie van antwoord stelt [gedaagde 1] verder dat de salarisverhoging van € 3.000,00 bruto per maand over de door hem aangehouden periode van achttien maanden leidde tot een aanvullende aanspraak van zowel hemzelf als [gedaagde 2] van € 27.000,00 netto. De overige € 23.000,00 zou zowel aan hem als aan [gedaagde 2] ten titel van een voorlopig (?) voorschot op pensioenrechten zijn betaald, met de verplichting op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om zorg te dragen voor dotatie aan de pensioen B.V. [gedaagde 1] heeft echter niet gesteld dat hij het door hem gestelde of enig bedrag in de pensioen B.V. heeft gestort noch is daarvan enig bewijs gepresenteerd.

De curatoren hebben er bij repliek op gewezen dat [gedaagde 1] eerst in 2012 de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken, zodat betaling van pensioenrechten in 2005 niet voor de hand lag. Ook is door hen gesteld dat pensioendotatie niet meer kon plaatsvinden nadat de uitkering al aan de pensioengerechtigde zou zijn betaald. Verder is betwist dat er enige betaling aan de pensioen B.V. is verricht.

Bij dupliek heeft [gedaagde 1] niet meer inhoudelijk gereageerd op de stellingen van de curatoren.

Bij antwoord stelt [gedaagde 2], anders dan [gedaagde 1], dat het salaris niet netto maar bruto werd uitbetaald. Het uitgekeerde bedrag zou een voorschot betreffen op de vordering van [gedaagde 2] op vennootschap die, uitgaande van de door hem aangehouden periode van zeventien maanden, (17 x 3.000,00 =) € 51.000,00 bedroeg.

Bij repliek hebben de curatoren gesteld dat [gedaagde 2] uit het oog verliest dat er op bruto salarissen loonheffing en premies moet worden ingehouden, in welk kader zij erop wijzen dat [gedaagde 2], naar de rechtbank begrijpt, bij zijn reguliere loonbetaling salarisstroken ontving waarop deze inhoudingen inzichtelijk werden gemaakt.

Bij dupliek [gedaagde 2] handhaaft zijn stelling dat er bruto loon is uitbetaald en meldt verder dat hij in 2008 een ‘all-in deal’ met de belastingdienst zou hebben gesloten, waarin de afdracht door hem van de loonheffing en de premies zou zijn betrokken. Over de precieze inhoud van die, kennelijk meeromvattende, deal in relatie tot het hier besproken kwestie heeft

[gedaagde 2] verder niets gesteld, terwijl er ook geen bewijsstukken zijn overgelegd. Evenmin geeft hij een verklaring voor de omstandigheid dat de vennootschap, anders dan gebruikelijk, geen loonheffing en premies ingehouden zou hebben.

[gedaagde 2] stelt verder dat er van de betaling van (een voorschot op) pensioenrechten geen sprake zou zijn.

[gedaagde 2] gaat niet in op de door [gedaagde 1] ingenomen standpunten over opbouw van de € 50.050,00, hoewel deze afwijken van de zijne (netto of bruto?, wel of geen voorschot pensioen?) en [gedaagde 2] al bij conclusie van antwoord meldt kennis te hebben genomen van de namens [gedaagde 1] ingediende conclusie van antwoord, waarin deze standpunten zijn opgenomen. Dit klemt temeer nu [gedaagde 1] – de statutair bestuurder van de vennootschap - volgens [gedaagde 2] degene is die namens de vennootschap het besluit tot salarisverhoging heeft genomen, zodat deze, het standpunt van [gedaagde 2] volgend, goed op de hoogte moet zijn geweest.

4.2.2

De slotsom is dat het standpunt van gedaagden, dat de betaling van € 50.050,00 betrekking had op achterstallig salaris, wordt verworpen. Gedaagden hebben dit standpunt immers niet onderbouwd, met name gezien de daarmee niet overeenkomende omschrijving bij de betalingen, terwijl hun uiteenlopende stellingen over de salarisbetalingen geenszins geloofwaardig maken dat het op 9 juni 2005 uitgekeerde bedrag daarop betrekking had.

4.2.3

[gedaagde 2] heeft aangeboden de fiscaal adviseur van [gedaagde 1] te horen over de vraag of de betaling van € 50.050,00 te maken had met pensioenrechten. Dat aanbod wordt gepasseerd. Gesteld noch gebleken is immers dat deze persoon – die gedaagden volgens hen in 2004 heeft geadviseerd een hoger salaris te bedingen – op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de betaling van de € 50.050,00 op 9 juni 2005. Verder heeft [gedaagde 2] bij dupliek te bewijzen aangeboden zijn stellingen over de all-in deal met de belastingdienst in 2008. Zeker gezien de stand van de procedure, lag het echter op zijn weg om daarvan stukken te overleggen of meer te stellen over de inhoud van de deal. Bij gebreke daarvan heeft hij, zoals hierover al overwogen, niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat het bewijsaanbod wordt gepasseerd.

4.3

De curatoren hebben gesteld dat er voor een voorschot op een kostenvergoeding geen enkele reden was, hetgeen gedaagden niet hebben betwist. Een mogelijk andere grondslag voor de betalingen van € 50.050,00 is niet gesteld. Terecht stellen de curatoren daarom dat deze betalingen onverschuldigd waren en dat gedaagden daarom tot restitutie gehouden zijn. De daartoe strekkende vorderingen zullen worden toegewezen, net als de wettelijke rente vanaf de door de curatoren aangehouden datum, waartegen geen verweer is gevoerd. Nu de curatoren niet hebben gesteld waarom de door hen gevorderde wettelijke handelsrente verschuldigd zou zijn, en dat ook overigens niet is gebleken, zal de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW worden toegewezen.

4.4

De rechtbank begrijpt dat het belang van de vorderingen van de curatoren is dat gedaagden worden verplicht tot restitutie van hetgeen zij, in de visie van de curatoren, ten onrechte van de vennootschap hebben ontvangen en dat de vorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen enkel met dat doel zijn ingesteld. In de omstandigheid dat van een deel van het door de curatoren aangehouden bedrag (€ 54.000,00) in rechte vast staat dat dit niet door gedaagden is ontvangen en van een ander deel (€ 50.050,00) vast staat dat dit (ook) ten titel van onverschuldigde betaling moet worden gerestitueerd, worden de curatoren geacht geen belang te hebben bij hun vordering tot vernietiging van rechtshandelingen. Deze vorderingen worden bij gebrek aan belang afgewezen, zonder dat verdere bespreking van de stellingen van partijen daarover noodzakelijk is.

4.5

Omdat beide partijen deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd waarbij ieder de eigen kosten dient te dragen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de betalingen van € 50.050,00 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onverschuldigd zijn geschied,

5.2. veroordeelt [gedaagde 1] om aan de faillissementsboedel van [bedrijf gedaagden] te betalen € 50.050,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 8 juli 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde 2] om aan de faillissementsboedel van [bedrijf gedaagden] te betalen € 50.050,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 8 juli 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2011.