Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5798

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
393980 CV EXPL 10-4444
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Houder. Eigenaar. Bezitsoverdracht. Longa manu. Mededeling van overdracht. Revindicatie. Bedreiging. Misbruik van omstandigheden. Strijd met de goede zeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer: 393980 CV EXPL 10-4444

typ: RW

Vonnis van 16 februari 2011

in de zaak van

[eiser],

wonend te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. M.A.W. Graus, advocaat te Maastricht

tegen

[gedaagde],

wonend te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. H.E. Menger, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij exploot van dagvaarding van 11 juni 2010 (met producties) heeft [eiser] [gedaagde] gedagvaard voor de Rechtbank Maastricht, Sector Civiel.

Bij vonnis van 1 september 2010 heeft de Sector Civiel, na bij rolbeschikking d.d. 7 juli 2010 partijen in de gelegenheid gesteld te hebben zich over de sectorcompetentie uit te laten, de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de Sector Kanton, locatie Maastricht, van de Rechtbank Maastricht.

Partijen hebben vervolgens de navolgende processtukken gewisseld:

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek met producties.

Vervolgens is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

[eiser] vordert [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen tot afgifte van de in productie 1 bij exploot van dagvaarding genoemde tot de inboedel behorende zaken (aangeduid als ‘goederen’), althans tot vergoeding van de waarde van die zaken tot een bedrag van € 2.000,00, althans tot afgifte van zodanige zaken of een zodanige (tegen)waarde als de Rechtbank (lees: de kantonrechter) in goede justitie vermeent te behoren, binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft, onder verwijzing van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

Ter onderbouwing van de vordering voert [eiser] het volgende aan.

[gedaagde] heeft, omdat zij op korte termijn geld nodig had, op 4 oktober 2009 de inboedel van haar woning aan de [adres sub 1] verkocht aan [eisers vader] (hierna: [eisers vader]) voor € 2.000,00, welk bedrag door [eisers vader] aan [gedaagde] betaald is.

Op 10 februari 2010 heeft [eisers vader] de inboedel ‘doorverkocht en geleverd’ aan [eiser] voor eveneens een bedrag van € 2.000,00. [eiser] stelt dat [gedaagde] op de hoogte gesteld is van deze verkoop. Op de verzoeken en sommaties van [eiser] en diens gemachtigde tot afgifte van de zaken die eigendom zijn van [eiser], heeft [gedaagde] niet gereageerd, zodat [eiser] niets anders rest dan het entameren van deze procedure.

Bij antwoord weidt [gedaagde] uit over “de zakelijke relatie” die in het jaar 2007 tussen haar en [eiser] ontstaan is. Volgens haar verwerd die relatie tot ‘een eenzijdige “ongezonde” situatie’ waarbij zij ‘door de voortdurende fysieke en verbale overheersing helemaal murw en niet meer in staat (was) om zich te verzetten’. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] voorgesteld de inboedel van de woning aan zijn vader te verkopen. [eisers vader] heeft vervolgens ‘kort daarna’ verklaard de inboedel eigenlijk niet nodig te hebben omdat hij bij zijn vriendin zou blijven wonen en met ‘deze constructies’ niets te maken wilde hebben. Daarna is volgens [gedaagde] de koop feitelijk ontbonden. [gedaagde] stelt dat [eiser] op 6 oktober 2009 € 4.000,00 gestort heeft op de bankrekening van [eisers vader] Van die bankrekening is vervolgens € 4.000,00 overgeboekt naar de bankrekening van [gedaagde], welk bedrag [eiser] daarna op 9, 10, 11 en 12 oktober 2009 in termijnen van die bankrekening heeft afgehaald. [gedaagde] stelt dat [eiser] beschikte over een bankpas van haar bankrekening en dat hij zichzelf gemachtigd had om bankhandelingen te verrichten. Zij zegt daartegen geen verweer gehad te hebben. [gedaagde] wijst erop dat de bankrekening van [eisers vader] veeleer ten dienste van [eiser] gestaan heeft dan van [eisers vader] zelf. [gedaagde] concludeert dat het op grond van de ontbinding van de overeenkomst tussen haar en [eisers vader] onmogelijk is dat [eisers vader] het bezit (longa manu) overgedragen heeft aan [eiser]. Daarnaast is [gedaagde] van oordeel dat de overeenkomst naar inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of openbare orde, omdat zij de bedoeling heeft om ‘hetzij (achteraf) schade toe te brengen op zakelijk terrein, hetzij (zogenaamd) verhaalsobjecten ten behoeve van zichzelf veilig te stellen’. Volgens [gedaagde] is de koopovereenkomst van 10 februari 2010 niet feitelijk gesloten maar alleen door [eiser] opgemaakt. [eisers vader] heeft haar dat bevestigd. [gedaagde] stelt op 4 februari 2010 haar woning ontvlucht te zijn, waarna [eiser] er tijdelijk bezit van genomen heeft. Na sommaties heeft hij de woning verlaten, waarbij hij de computer van [gedaagde] heeft meegenomen. Zodoende is hij volgens [gedaagde] in staat geweest ‘alle gegevens exact na te kijken en te ge/misbruiken, maar kan er ook sprake zijn van het opstellen van contracten welke als pure vervalsingen zijn aan te merken’. [gedaagde] merkt op van de diefstal en valsheid in geschrifte aangifte gedaan te hebben bij de politie. Tot slot wijst [gedaagde] erop dat zij door [eiser] bestookt wordt met vorderingen en dat haar B.V. dientengevolge failliet verklaard is.

Bij repliek voert [eiser] aan dat partijen jarenlang een affectieve relatie met elkaar hadden en dat in [datum] hun [kind] geboren is. Hij erkent dat in 2007 besloten is om op zakelijk gebied te gaan samenwerken. De door [gedaagde] gestelde ‘ongezonde’ relatie en het gebruik van fysiek geweld worden door [eiser] ontkend. Hij betwist dat zijn vader de inboedel niet nodig had. Hij ontkent ook een bedrag van € 4.000,00 op de bankrekening van zijn vader gestort te hebben. Daarnaast is het volgens [eiser] juist [gedaagde] geweest die het bedrag van € 4.000,00 nadien in vier keer van haar bankrekening gehaald heeft. Zij had immers dat geld nodig. Bovendien, zo stelt [eiser], had hij niet de mogelijkheid die rekening te beheren. De overeenkomst tussen [gedaagde] en [eisers vader] is volgens [eiser] niet ontbonden. Hij wijst erop dat [eisers vader] het aan [gedaagde] betaalde bedrag niet terugontvangen heeft. [gedaagde] beroep op nietigheid ingevolge artikel 3:40 BW kan in de ogen van [gedaagde] niet slagen. Niet alleen is volgens hem onduidelijk op welke overeenkomst [gedaagde] doelt, maar voor zover zij doelt op de overeenkomst tussen [eiser] en [eisers vader] betwist [eiser] de door [gedaagde] beweerde bedoeling. [eiser] stelt voorts dat [eisers vader] ontkent aan [gedaagde] medegedeeld te hebben dat de overeenkomst van 10 februari 2010 niet feitelijk gesloten is tussen vader en zoon. [eiser] erkent dat [gedaagde] ‘begin februari 2010’ de woning verlaten heeft. Hij heeft geen bezit genomen van de woning, aangezien hij daar tot dat moment samenwoonde met [gedaagde] en [kind]. Zij heeft alle contact met hem verbroken en hem ook het contact met zijn kind ontnomen. Volgens [eiser] is [gedaagde] emotioneel en psychisch instabiel geweest en heeft zij valse aangiften tegen hem gedaan.

Bij dupliek voert [gedaagde] nog het volgende aan.

Zij ontkent jarenlang een affectieve relatie met [eiser] gehad te hebben. Dat [gedaagde] de biologische vader van [kind] is, wordt door haar betwist. Een procedure over (onder meer) dit aspect is aanhangig. Zij stelt dat de overeenkomst tussen haar en [eisers vader] gesloten is op aandringen van [eiser] en dat hij haar ‘praktisch murw maakte en tot een willoos werktuig degradeerde’. [gedaagde] persisteert bij haar stelling dat [eiser] vier keer een bedrag van

€ 1.000,00 van de rekening van [gedaagde] opgenomen heeft. De bankrekening stond namelijk feitelijk geadministreerd op het adres [adres sub 2], het kantooradres van de boekhouder van [eiser]. Naar dat adres is op 1 oktober 2009 door SNS-bank een betaalpas gezonden, waarvan [eiser] kennelijk gebruik gemaakt heeft. Zij was toen niet in [plaats] en [eiser] wel. Op diezelfde dag heeft [eiser] de aan [gedaagde] toebehorende auto van haar naam afgeschreven en op naam van [eisers vader] gezet. [gedaagde] vindt het opvallend dat [eiser] een kopie van een kwitantie van 14 april 2010 aan het exploot had doen hechten met betrekking tot betaling van een bij overeenkomst van 10 februari 2010 bepaald bedrag. [gedaagde] wijst erop dat [eiser] meermaals veroordeeld is voor valsheid in geschrifte. Hij maakt volgens haar regelmatig gebruik van ‘wazige constructies en allerlei aktes’. [gedaagde] constateert dat [eiser] niet betwist dat hij na zijn vertrek uit de woning ‘een aantal goederen van gedaagde heeft meegenomen daaronder begrepen de computers’. Verder zijn volgens haar ‘allerlei andere losse goederen verdwenen zoals keukenattributen en een TV’. [gedaagde] stelt ten slotte dat het door [eisers vader] aan haar betaalde bedrag uiteindelijk van [eiser] afkomstig is en ook door [eiser] weer van de bankrekening afgehaald is. Dit zal volgens haar blijken uit een door [eiser] over te leggen dagschrift van de bankrekening van [eisers vader] van de week voorafgaand aan de transactie.

De kantonrechter stelt vast dat niet in geding is dat partijen tot begin februari 2010 samengewoond hebben in de woning op het adres [adres sub 1]. Voorts is niet in geding dat de inboedel, althans de zaken zoals vermeld in de overeenkomsten van

4 oktober 2009 en 10 februari 2010, tot (in ieder geval) 4 oktober 2009 eigendom waren van [gedaagde].

[gedaagde] betwist niet dat zij de schriftelijke overeenkomst van 4 oktober 2009 met [eisers vader] gesloten heeft als gevolg waarvan de in die overeenkomst vermelde inboedel verkocht is aan [eisers vader] voor een bedrag van € 2.000,00. Vaststaat voorts dat op 6 oktober 2009 van de bankrekening van [eisers vader] een bedrag van € 2.000,00 overgemaakt is naar de op naam van [gedaagde] staande bankrekening onder de vermelding: “[gedaagde] betaling inboedel [adres sub 1] [gedaagde] Volgens koopcontract 4-10-09”. Van enige terugbetaling of restitutie van de zijde van [eisers vader] is niet gebleken noch van stornering wegens saldotekort.

[gedaagde] stelt weliswaar dat de overeenkomst met [eisers vader] ontbonden is, maar gelet op de betwisting van [eiser], had het op haar weg gelegen dienaangaande haar stellingen nader te onderbouwen en/of bewijs aan te bieden. Nu zij dat niet gedaan heeft, is de door haar min of meer zijdelings gememoreerde ontbinding niet komen vast te staan. Dat geldt evenzeer voor de door [gedaagde] geponeerde stellingen die zijn samen te vatten als een beroep op het bepaalde in artikel 3:44 lid 2 en lid 4 BW. Gelet op de betwisting van [eiser] van [gedaagde] stellingen, het ontbreken van verdere onderbouwing en het achterwege laten van concreet bewijsaanbod van de zijde van [gedaagde] is niet komen vast te staan dat [naam] misbruik gemaakt heeft van de (gestelde maar niet vaststaande) afhankelijkheid van [gedaagde], noch dat [gedaagde] onder bedreiging van [eiser] de overeenkomst met [eisers vader] gesloten heeft. Gelet hierop kan in het midden blijven of [gedaagde] voor wat betreft de overeenkomst van 4 oktober 2009 een beroep kan doen op een (of meer) bij haar door [eiser] veroorzaakt(e) wilsgebrek(en) terwijl [eiser] zelf geen partij was bij die overeenkomst.

Ook het verweer van [gedaagde] dat de overeenkomst van 10 februari 2010 tussen [eiser] en [eisers vader] feitelijk niet gesloten is, blijft bij een stelling die zij, nu [eiser] die stelling betwist heeft, ten onrechte niet verder onderbouwd heeft. In het midden kan blijven of [eiser] aan [eisers vader] daadwerkelijk op 14 april 2010 € 2.000,00 betaald heeft omdat dit geen invloed heeft op de geldigheid van de titel tot (door)levering.

Ten aanzien van [gedaagde] stellingen die er in de kern op neerkomen dat de gesloten overeenkomsten in strijd zijn met artikel 3:40 BW omdat [eiser] zodoende een constructie heeft willen opzetten ‘met de bedoeling om hetzij achteraf schade toe te brengen op zakelijk terrein hetzij (zogenaamd) verhaalsobjecten ten behoeve van zichzelf veilig te stellen’ wordt als volgt overwogen.

Die stellingen moeten reeds verworpen worden omdat niet is komen vast te staan dat [eiser] invloed gehad heeft op de totstandkoming van de overeenkomst tussen [gedaagde] en [eisers vader] Voorts is de door [gedaagde] geformuleerde bedoeling die [eiser] volgens haar had, dermate vaag, dat niet valt vast te stellen dat en op welke wijze de overeenkomst van 10 februari 2010 in strijd is met artikel 3:40 BW. Ook de wijze waarop de constructie door [eiser] zou zijn uitgevoerd met de door [gedaagde] gestelde betalingen waarin [eiser] de hand gehad zou hebben, is niet komen vast te staan. Ook dienaangaande moet worden geconstateerd dat [gedaagde] is blijven hangen in verder niet of onvoldoende onderbouwde stellingen. Het enkele feit dat de op haar naam staande bankrekening geregistreerd is op het adres van de boekhouder van [eiser] en dat naar dat adres een bankpas gezonden is, maakt nog niet dat daarmee aangetoond of zelfs maar aannemelijk gemaakt is dat [eiser] over die bankrekening beschikt heeft en gelden opgenomen heeft. [gedaagde] heeft dat bovendien eerst bij dupliek aangevoerd, waardoor [eiser] niet meer op dat punt heeft kunnen reageren.

Op grond van vorenstaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat vast is komen te staan dat de door [eiser] gestelde overeenkomsten, waarvan [eiser] kopieën inbracht, gesloten zijn. Weliswaar kunnen er allerlei vraagtekens geplaatst worden bij de bedoeling van die overeenkomsten maar op grond van hetgeen in deze procedure naar voren gebracht is, kan niet tot nietigheid of vernietigbaarheid op een van de door [gedaagde] aangevoerde gronden geconcludeerd worden.

[gedaagde] betwist niet dat [eiser] haar mededeling gedaan heeft van de verkoop van

10 februari 2010, zodat op grond van het bepaalde van artikel 3:115 aanhef en onder c BW het bezit van de inboedel aan [eiser] overgedragen is.

Op grond van het voorgaande moet aangenomen worden dat [gedaagde] houdster is van de inboedel en dat die inboedel eigendom van [eiser] geworden is. Gelet op het bepaalde in artikel 5:2 BW is [gedaagde] derhalve gehouden de tot de inboedel behorende zaken aan [eiser] af te geven.

[eiser] betwist bij repliek niet dat hij ‘de volledige administratie van gedaagde inclusief haar computer met alle bestanden’ meegenomen heeft bij het verlaten van de woning aan het adres [adres sub 1]. Nu de verkoopovereenkomsten drie computers inclusief drie beeldschermen vermelden, gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] met ‘haar computer’ deze apparatuur bedoeld heeft. Hetgeen [gedaagde] bij dupliek nog aan zaken vermeldt die door [eiser] zouden zijn meegenomen, dient buiten beschouwing gelaten te worden. [eiser] heeft immers op die stelling niet meer kunnen reageren en gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] dit niet reeds bij antwoord aan had kunnen voeren.

[gedaagde] zal derhalve veroordeeld worden tot afgifte van de zaken zoals vermeld in de verkoopovereenkomst van 10 februari 2010 (met uitzondering van de daarin vermelde computers met beeldschermen en de administratie), althans tot vergoeding van de waarde van die zaken. De kantonrechter acht daartoe een termijn van acht weken na betekening van het vonnis redelijk.

[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde dwangsom, zodat ook dit onderdeel van de vordering toewijsbaar is, met dien verstande dat de dwangsom gematigd zal worden tot € 50,00 per dag, tot een maximaal te verbeuren totaalbedrag van € 1.500,00.

Als de merendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] veroordeeld worden tot betaling van de aan de zijde van [eiser] gerezen proceskosten.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde] om binnen acht weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] af te geven de in de verkoopovereenkomst van 10 februari 2010 vermelde zaken met uitzondering van de administratie van [gedaagde] en de drie computers inclusief de daarbij behorende beeldschermen, althans om binnen acht weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen de waarde van die zaken met uitzondering van de administratie van [gedaagde] en de drie computers met beeldschermen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag, tot een maximaal te verbeuren totaalbedrag van € 1.500,00.

Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de datum van dit vonnis begroot op € 659,26, bestaande uit € 300,00 aan salaris gemachtigde,

€ 263,00 aan vastrecht en € 96,26 aan explootkosten.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.