Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5716

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
148827 / BZ RK 10-146
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 41a Wet Bopz. Klacht over de verplichting tot dagelijkse douchen ongegrond. De invulling van het behandelplan kan slechts terughoudend worden getoetst. Een verplichting tot dagelijks douchen is in het algemeen niet onredelijk of onrechtmatig. In dit geval is dat niet anders. Dagelijkse doucheroutine als onderdeel van een pakket van afspraken noodzakelijk om te voorkomen dat verzoeker afglijdt en zichzelf gaat verwaarlozen. Van strijd met de beginselen van proportionaliteit en doelmatigheid is geen sprake. Dat kan worden volstaan met minder dan dagelijks douchen zonder de gezondheid van verzoeker in gevaar te brengen doet daaraan niet af.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 38
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41b
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 42
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 43
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2011/44 met annotatie van B.J.M. Frederiks

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum beschikking: 18 februari 2011

Zaaknummer: 148827 / BZ RK 10-146

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortegegevens],

verzoeker,

thans verblijvende in [Stichting D.],

advocaat mr. H.C. Ingelse, kantoorhoudend te Maastricht,

tegen:

[de Stichting],

gevestigd te [adres],

verweerster,

advocaat mr. M.J. Spieringhs, kantoorhoudend te Eindhoven.

Gezien de stukken, waaronder de beschikking van deze rechtbank van 13 april 2010.

1. Het verdere procesverloop

Verweerster heeft een nader verweerschrift, gedateerd 6 mei 2010, met bijlagen, ingediend op 7 mei 2010.

Verzoeker heeft gereageerd bij brief van 11 mei 2010 en daarbij een beroepsgrond ingetrokken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van de meervoudige kamer op 12 november 2010.

De advocaat van verzoeker heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

2. Verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar de beschikking van 13 april 2010, welke als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Verzoeker heeft bij brief van 11 mei 2010 zijn verzoek om schorsing van het behandelplan ingetrokken, nu hij inmiddels in een andere instelling verblijft en geen belang meer heeft bij de gevraagde schorsing. Op dat verzoek behoeft derhalve niet meer te worden beslist.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat met name uit het systeem van artikel 41 van de Wet Bopz voortvloeit dat in de onderhavige procedure de klacht zoals die aan de klachtencommissie is voorgelegd, beoordeling behoeft.

Voor zover verzoeker een schadevergoeding heeft verzocht voor iedere dag dat er een dreiging van dwangbehandeling of separatie was, kan dat verzoek niet in behandeling genomen worden, nu verzoeker bij de klachtencommissie niet heeft geklaagd over separatie- of andere dwangbehandeling.

Derhalve staat thans enkel nog ter beoordeling of de klacht tegen de gedwongen dagelijkse douchebeurten gegrond moet worden verklaard, alsmede of verzoeker op grond daarvan op grond van artikel 41b van de Wet Bopz een schadevergoeding toekomt.

De advocaat van verzoeker heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat verzoeker in de gelegenheid zou moeten worden gesteld ter zake te worden gehoord, nu tijdens de eerste mondelinge behandeling ter zitting van 18 maart 2010 niet inhoudelijk op de zaak is ingegaan. Voor zover de rechtbank dat verzoek niet zou honoreren, heeft de advocaat verzocht de door hem gemaakte geluidsopname, waarop verzoeker te horen is, af te luisteren.

De rechtbank is, gelet op de aard en inhoud van de nog ter beoordeling staande klacht en omdat verzoeker inmiddels is overgeplaatst naar een andere instelling, van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is verzoeker, die op 18 maart 2010 ter zitting gehoord is, nogmaals te horen hetzij in de instelling waar hij nu verblijft, hetzij op de rechtbank.

Er bestaat om voornoemde gronden evenmin aanleiding om over te gaan tot het afluisteren van de door de advocaat van verzoeker gemaakte geluidsopname.

De klacht van verzoeker is gericht tegen de aan hem opgelegde verplichting dat hij iedere dag moest douchen en sinds einde maart 2010 drie dan wel vier keer per week. Volgens verzoeker was er op het niet douchen een vrijheidsbeperkende sanctie gesteld. Die sanctie is naar de mening van verzoeker onrechtmatig en niet proportioneel. Volgens verzoeker valt verplicht douchen onder dwangbehandeling en is dwangbehandeling onder de Wet Bopz enkel toegestaan als er gevaar voor de gezondheid bestaat. Volgens verzoeker schaadt minder vaak douchen zijn gezondheid niet en is de frequentie waarin hij zich douchet een priv├ęzaak. Ten slotte stelt verzoeker zich op het standpunt dat zijn privacy is geschonden door het feit dat de verpleegkundigen daadwerkelijk controleerden of hij zich douchte, terwijl hij op dat moment naakt onder de douche stond.

Verweerster heeft erop gewezen dat verzoeker de rest van zijn leven in een instelling zal moeten doorbrengen. Verzoeker is bekend met een pervasieve ontwikkelingsstoornis, een verstandelijke handicap, terugkerende psychotische verschijnselen en epilepsie. Door die stoornis neigt verzoeker ertoe zichzelf te verwaarlozen, waardoor het gevaar bestaat dat hij zal afglijden en niet meer in staat zal zijn om op een menswaardige en evenwichtige manier te functioneren binnen de instelling. Er dienen met verzoeker afspraken gemaakt te worden met betrekking tot zijn persoonlijke verzorging, het telefoongebruik, medicatie en andere zaken om een stabilisatie van het toestandsbeeld van verzoeker en een verbetering van zijn functioneren te verkrijgen. Verzoeker begrijpt, mede door zijn ziektebeeld, niet waarom er bepaalde regels gelden en gaat voortdurend de strijd aan met zijn hulpverleners om onder de gemaakte afspraken uit te kunnen komen. Het was dan ook voor verweerster een voortdurend zoeken naar een evenwicht tussen enerzijds noodzakelijke drang en controle op het douchegedrag in verband met de persoonlijke hygi├źne en anderzijds de bejegening- en privacyaspecten. In september/oktober 2009 heeft verweerster een dagprogramma opgesteld waarin was voorgeschreven dat verzoeker zich dagelijks moest douchen. Verweerster hoopte dat een dagelijks terugkerend doucheritueel zou leiden tot gewoontevorming bij verzoeker en zijn verzet daardoor zou doen afnemen. Verzoeker hoefde dan immers niet meer telkens de vraag te stellen waarom hij die dag moest douchen.

Indien verzoeker niet wilde meewerken mocht hij de afdeling tijdelijk niet verlaten. Hij moest dan op zijn kamer blijven, waarbij de deur meestal open bleef staan. Verzoeker kon daardoor minder deelnemen aan de dagactiviteiten. Dit nadeel is volgens verweerster echter beperkt gebleven, aangezien verzoeker meestal na een time-out van enkele minuten toch ging douchen. Verzoeker is nimmer gesepareerd omdat hij niet wilde douchen.

De rechtbank stelt voorop dat zij de invulling die verweerster, althans de bij verweerster werkzame behandelaar, aan het met verzoeker overeengekomen behandelplan heeft gegeven slechts terughoudend kan toetsen.

In deze klachtzaak dient te worden onderzocht of de aan verzoeker opgelegde verplichting om dagelijks, en sinds september 2009 drie dan wel vier keer per week, te douchen rechtmatig is geweest en of is gehandeld in strijd met de beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid.

De rechtbank acht een verplichting om dagelijks te douchen in het algemeen niet onredelijk of onrechtmatig. In het geval van verzoeker is dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Door verzoeker is niet weersproken dat het opleggen van een dagelijkse doucheroutine aan hem onderdeel uitmaakte van een pakket van afspraken (buiten het behandelingsplan om) die, naar verweerster voldoende aannemelijk heeft gemaakt, noodzakelijk waren om te voorkomen dat verzoeker zou afglijden en zichzelf zou verwaarlozen. Gelet hierop ligt het vervolgens in de rede en is het passend dat controle plaatsvindt op het daadwerkelijk dagelijks, naakt douchen van verzoeker.

Verweerster heeft voorts genoegzaam toegelicht dat de keuze voor een dagelijkse doucheroutine ertoe dient voor verzoeker duidelijkheid te scheppen. Bij een dagelijks terugkerende douchebeurt zou verzoeker in de situatie moeten worden gebracht, dat hij zich niet telkens hoeft af te vragen waarom hij precies die dag moet douchen. Naar het oordeel van de rechtbank is die keuze in dit geval en onder deze omstandigheden in overeenstemming met de daaraan te stellen eisen van proportionaliteit en doelmatigheid. Daaraan doet op zichzelf niet af dat minder dan dagelijks douchen geen gevaar voor de gezondheid opgeleverd zou hebben.

Dat verweerster uiteindelijk einde maart 2010 heeft besloten om de douchebeurten terug te brengen van zeven keer naar vier keer per week (om-en-om per dag), maakt het oordeel van de rechtbank evenmin anders. Verweerster heeft in dat verband voldoende duidelijk gemaakt dat dat besluit is genomen, omdat het verzet van verzoeker niet verminderde en ook vanwege het verslechterde toestandbeeld van verzoeker. Volgens verweerster had verzoeker last van spanningen rondom de klachtenprocedure en de op handen zijnde overplaatsing naar een andere instelling en leidde ongewijzigde voortzetting van het dagelijkse douchebeleid tot een verhoging van de prikkelbaarheid en de epileptische aanvallen bij verzoeker.

Verweerster heeft ten slotte erop gewezen dat verzoeker ondanks dat het niet meer hoefde toch dagelijks is blijven douchen. Hieruit zou, zoals verweerster ook stelt, kunnen worden afgeleid dat het opleggen van een dagelijkse routine inderdaad het gewenste effect heeft gehad.

De sanctie dat verzoeker, als hij weigerde te douchen, verplicht op zijn kamer moest blijven, kan naar het oordeel van de rechtbank de toets aan het subsidiariteitscriterium doorstaan.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerster onweersproken heeft gesteld dat de duur van de sanctie in de regel niet langer was dan vijf minuten, waarna verzoeker toch ging douchen.

De rechtbank is uit de overgelegde stukken, noch uit de verklaringen ter zitting gebleken, dat verweerster op het niet douchen van verzoeker de sanctie van separatie heeft gesteld. Weliswaar is verzoeker wel eens gesepareerd geweest, maar niet is komen vast te staan dat de enkele keren die verzoeker gesepareerd was, in overwegende mate betrekking hadden op en een onmiddellijk gevolg waren van het niet (aanstonds) willen douchen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de beslissing om aan verzoeker een dagelijkse doucheverplichting op te leggen rechtmatig is geweest en dat niet is gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en doelmatigheid, zodat de klacht tegen de dagelijkse doucheverplichting ongegrond is.

Nu er geen sprake is van onrechtmatig handelen jegens verzoeker, zijn er ook geen redenen aan verzoeker een schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek tot schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen evenals het verzoek verweerster in de proceskosten te veroordelen.

De rechtbank merkt in dit verband ten slotte nog op dat het verzoek om schadevergoeding, indien er wel sprake zou zijn geweest van onrechtmatig handelen van verweerster, evenmin toewijsbaar zou zijn, nu dat verzoek onvoldoende geconcretiseerd is.

De rechtbank zal beslissen als hierna wordt bepaald.

3. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de klacht, voor zover verzoeker daarin heeft geklaagd over meer of op andere gronden dan de verplichting tot dagelijks douchen, niet-ontvankelijk;

Verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mrs. F.L.G. Geisel, voorzitter, R.E. Bakker en M.A.M. van Uum, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

MK

Tegen deze beschikking kan door partijen met tussenkomst van een advocaat binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak, beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.