Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5629

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
389508 CV EXPL 10-3766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan alle kanten rammelende vordering" ter zake van kosten abonnement digitale televisie dan wel aansluiting telefoon en internet. Grondslag blijft onduidelijk, producties worden niet toegelicht en zijn onvolledig, processuele stellingen worden onvoldoende onderbouwd en bestaan van een restschuld uit een in 2006 of 2007 beëindigde contractuele relatie (op een ander adres van de consument) is niet komen vast te staan. Gebreken in de stelplicht staan tevens in de weg aan bewijsopdracht, zodat vordering integraal afgewezen wordt met verwijzing van UPC in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer 389508 CV EXPL 10-3766

Vonnis van 19 januari 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap UPC NEDERLAND B.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen: UPC,

eisende partij,

gemachtigden: A.Rouw, deurwaarder te Zwolle en mr. P.L.J.M. Guinée (“Guinee” volgens exploot), werkzaam bij Intrum Justitia Nederland B.V. te Den Haag

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

in persoon procederend.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

UPC heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 23 juli 2010 in rechte betrokken ter zake van een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee twee “produkties” betekend zijn (zeer summiere overzichten van facturen en acties).

[gedaagde] heeft - na gevraagd en verkregen uitstel - schriftelijk geantwoord.

Vervolgens heeft UPC via haar tweede gemachtigde op 27 oktober 2010 summier gerepliceerd onder bijvoeging van drie producties in fotokopievorm.

[gedaagde] heeft hierop ter rolzitting van 22 december 2010 schriftelijk (en aanvullend mondeling) gereageerd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

UPC vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 357,76, te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 238,70 vanaf 1 juni 2010 tot de datum van algehele voldoening en onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

UPC baseerde haar vorderingen bij exploot - samengevat - op een overeenkomst ter zake van “UPC Digital TV”, krachtens welke zij nog € 238,70 van [gedaagde] te goed meent te hebben. Zij zegt dit bedrag aan hoofdsom ‘te vorderen gekregen’ te hebben en ‘geen betaling’ te hebben ‘kunnen verkrijgen’ - ondanks herhaalde verzoeken -, omdat [gedaagde] ‘volhardt in zijn non-betaling’. Naast een op dit bedrag gestelde hoofdsom zegt UPC aanspraak te kunnen maken op vergoeding van rente, die ‘vanaf de vervaldag’ (ongenoemd gebleven) tot 1 juni 2010 zonder bijgevoegde renteberekening bepaald wordt op een bedrag van € 44,06, alsmede op een naar forfaitaire maatstaf bepaald bedrag van € 75,00 exclusief btw (“B.T.W.”) aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

In voorgezet debat corrigeert UPC haar stellingname in zoverre, dat zij de vordering niet langer koppelt aan ‘de dienst Digital TV’, doch poneert zij dat het in werkelijkheid ging om ‘de diensten Internet en Telefonie’ (een contract is niet overgelegd; data zijn niet genoemd). Tevens heeft zij - min of meer ter correctie van een in het algemeen geplaatste opmerking in het exploot over een zonder tegenspraak voort te zetten overeenkomst voor twaalf (‘12’) maanden - buiten twijfel gesteld dat ‘per de einddatum van het lopende contractsjaar’ de contractuele relatie op verlangen van de klant beëindigd is. Ook te dien aanzien is geen datum genoemd. Voor het overige (de conclusie was ongeveer zo lang als deze samenvatting) persisteerde UPC in haar repliek bij haar eerdere stellingen en eisen.

Het door [gedaagde] gevoerde verweer strekt ertoe te betogen dat UPC eerstens wel heel lang met het instellen van deze vordering gewacht heeft, maar vooral dat iedere vordering ter zake van (digitale) televisiediensten uit de lucht gegrepen is, omdat hij - destijds woonachtig in Eindhoven - nooit een abonnement aangegaan is. Wegens verhuizing heeft [gedaagde] - omdat meeverhuizen van die aansluitingen onmogelijk bleek - een overeenkomst met UPC voor internet (en telefonie) opgezegd per 1 september 2006 of een maand later. Toch bleef UPC nog vier maanden bedragen via automatische incasso van hem innen, aan welk automatisme eerst daarna en op zijn initiatief een eind gekomen is.

Een adreswijziging is nimmer doorgegeven aan UPC omdat de contractuele relatie beëindigd was (met naar [gedaagde] meende te kunnen veronderstellen een ‘schone lei’).

Bij dupliek laat [gedaagde] aan de hand van bankafschriften zien dat over het tijdvak augustus 2006 tot en met april 2007 in totaal € 245,49 (of € 255,49) ten gunste van UPC van zijn bankrekening afgeschreven is. Hij heeft daarvoor kosten moeten maken die hij vergoed wenst te zien, evenals zijn kosten voor bijwonen van zittingen. Tot slot werpt hij bij dupliek op dat hij recht heeft op restitutie van de door UPC ten onrechte geïncasseerde bedragen.

b. de beoordeling

De vordering van UPC rammelt aan alle kanten, nog daargelaten het gedateerde karakter van de zaak dat op zijn minst enige uitleg van de kant van UPC gerechtvaardigd zou hebben.

De grondslag is reeds daarom wankel, dat UPC geen contract of schriftelijke afspraak in het geding brengt. Weliswaar is in het exploot ter zake van een overeenkomst ‘UPC Digital TV’ een aanvangsdatum ‘3052006’genoemd, maar gesteld noch gebleken is dat het hier gaat om de datum met ingang waarvan [gedaagde] een verbinding met (analoge) televisie, radio en/of internet van UPC betrok. In haar repliek vond UPC het immers opportuun om zonder verdere uitleg te switchen naar een ander type overeenkomst zonder duidelijk te maken of een deel dan wel het geheel van haar stellingen (of haar ‘produkties’) bij exploot ook op een dergelijke contractuele relatie betrekking had en of en hoe de bij die gelegenheid in kopie overgelegde facturen sporen met het zesregelige overzicht van beweerdelijk openstaande bedragen dat zij aan haar exploot gehecht had. Hoewel sommige bedragen uit dat overzichtje sporen met onderdelen van de zonder verdere toelichting aan de repliek gehechte facturen, zijn er talrijke discrepanties. UPC had - zeker bij een zo belegen zaak - punt voor punt de relatie dienen uit te leggen tussen contract, looptijd, afgesproken prestatie(s), in rekening gebrachte post en al dan niet verkregen betaling. Door een en ander kennelijk als vanzelfsprekend te beschouwen en de aan haar producties toe te kennen betekenis voor de vordering geheel aan de rechter over te laten, miskent UPC haar gemotiveerde stelplicht en verliezen de bewuste producties iedere bewijswaarde (aan bewijslevering wordt bij verwaarlozing van de stelplicht immers niet eens toegekomen). Daarbij komt nog eens dat

[gedaagde] onweersproken naar voren gebracht heeft dat hij steeds door middel van automatische incasso betaalde, zodat reeds daarom nadere uitleg van het desondanks ontstaan van een in de ogen van UPC nog steeds aanwezige betalingsachterstand vereist was.

Bij dupliek heeft [gedaagde] een reeks voor een kostenbedrag van € 45,00 van Rabobank verkregen dagafschriften uit 2006/2007 overgelegd. Die laten voor de periode augustus 2006 tot en met 2007 zien dat UPC zelfs zeer ruim na de verhuizing van [gedaagde] uit Eindhoven per 1 september 2006 maandbedragen is blijven incasseren. Volgens [gedaagde] (deels) ten onrechte, omdat hij meent dat per 1 september 2006 althans per 1 oktober 2006 een einde aan de contractuele relatie met UPC gekomen is, maar hij heeft geen tegenvordering ingesteld, laat staan terstond bij antwoord, zodat de kantonrechter daarover in dit bestek geen uitspraak kan en mag doen.

Wel moet aan het voorgaande de gevolgtrekking verbonden worden dat UPC ten aanzien van haar vordering in hoofdsom vergaand onvoldoende gesteld heeft. Het bestaan van een restschuld van [gedaagde] uit zijn al dan niet kortdurende contractuele relatie met UPC is niet met de aangereikte middelen vast te stellen. Bij deze stand van zaken kan het gebrekkige bouwwerk zelfs niet (meer) gestut worden met een opdracht tot bewijslevering. Daarvoor had UPC namelijk gemotiveerd stellingen moeten ontwikkelen die aldus van nadere ondersteuning te voorzien zouden zijn geweest. Omdat iedere basis ontbreekt voor toewijzing van de hoofdsom van € 238,70, kan UPC uiteraard ook geen recht doen gelden op vergoeding van rente en kosten. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat UPC ook nog eens nagelaten heeft het eerder dan per datum dagvaarding intreden van betalingsverzuim met zoveel woorden te stellen en daaraan niet alleen een concrete datum, maar ook een concrete verzuimgrond te verbinden. Als gevolg daarvan zou zelfs bij toewijzing van de hoofdsom wettelijke rente eerst vanaf datum dagvaarding toewijsbaar geweest zijn.

Een vergoeding van incassokosten zou in het geheel niet in beeld zijn gekomen bij gebreke van aan de ‘incassohandelingen’ voorafgaand verzuim.

Het voorgaande impliceert tevens dat UPC dient te worden verwezen in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [gedaagde] bepaald op een bedrag van in totaal € 120,00 (daarin zijn begrepen de reis-, verblijf- en verletkosten van [gedaagde] en de kosten van het opvragen van betalingsgegevens uit 2006 en 2007).

BESLISSING

De vorderingen worden integraal afgewezen.

UPC wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op een totaalbedrag van € 120,00, waarin onder meer begrepen een bedrag van € 45,00 aan verschotten of documentatiekosten.

Het vonnis wordt voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.