Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5601

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
390418 CV EXPL 10-3983
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisende partij neemt de eisen van 21 en 111 Rv niet serieus, doch desondanks leidt dit niet tot algehele afwijzing van haar vordering. De gevorderde hoofdsom blijkt bij nader inzien (ter gelegenheid van een comparitie nader gebleken feiten en omstandigheden) voldoende te kunnen worden verantwoord en wordt mede daarom niet langer inhoudelijk betwist (eigen bijdragen voor verleedne zorg). Omdat echter intreden van betalingsverzuim eerder dan per datum dagvaarding onvoldoende gesteld, laat staan geadsrueerd is, worden de nevenvorderingen (vervallen rente en vergoeding incassokosten) afgewezen en worden de proceskosten in het geheel gecompenseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer 390418 CV EXPL 10-3983

Vonnis van 16 februari 2011

in de zaak

CENTRAAL ADMINISTRATIE KANTOOR BIJZONDERE ZORGKOSTEN

(CAK-BZ) B.V.,

statutair gevestigd te Den Haag,

verder ook te noemen: CAK-BZ,

eisende partij,

gemachtigde: F.M.M. Franssen, werkzaam ten kantore van AGC gerechtsdeurwaarders & incasso, vestiging Limburg te Maastricht

tegen

[gedaagde],

wonend te [woonplaats],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. ing. J.J. Patelski, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

CAK-BZ heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 3 augustus 2010 in rechte betrokken ter zake van een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding. Er zijn geen producties mee betekend (een aan het aangebrachte exploot gehecht stuk betreft een executoriaal beslag van weliswaar dezelfde datum, maar tussen totaal andere partijen en zonder enig kenbaar verband met deze zaak, zodat dit verder buiten beschouwing gelaten wordt).

[gedaagde] heeft - na gevraagd en verkregen uitstel - schriftelijk geantwoord, eveneens zonder producties in te brengen.

De kantonrechter heeft vervolgens bij tussenvonnis van 6 oktober 2010 een persoonlijke verschijning van partijen gelast.

Van de comparitie van partijen ter zitting van 27 oktober 2010 is proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens hebben partijen zich ter rolzitting van 23 november 2010 conform afspraak uitgelaten over de vraag of (alsnog) overeenstemming bereikt was in verband met mogelijke doorhaling van de zaak op de rol. Bij die gelegenheid hebben partijen bij gebrek aan overeenstemming vonnis gevraagd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

CAK-BZ vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 219,23, nog te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 151,00 vanaf 3 augustus 2010 (de datum van dagvaarding) en onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten (‘de kosten als volgens de Wet’).

Zij baseert haar vorderingen - samengevat - op de stelling dat [gedaagde] een aan CAK-BZ verschuldigde eigen bijdrage in de kosten van uitvoering van de Awbz en/of Wmo voor het tijdvak april 2008 tot en met september 2008 (‘Zorg zonder Verblijf’) voor een bedrag van in totaal € 151,00 onbetaald gelaten heeft, geen gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid van bezwaar en beroep en ‘in verzuim’ is.

CAK-BZ berekent op die basis ‘vanaf 14 dagen na factuurdatum’ en ‘krachtens 6:96 BW’ wettelijke verzuimrente over deze hoofdsom van € 151,00, welke rente zij tot de datum van dagvaarding op een bedrag van € 24,20 stelt. Omdat vervolgens na ‘herhaalde aanmaning’ de vordering ‘in handen van haar incassobureau gesteld’ is, maakt CAK-BZ voorts aanspraak op vergoeding van € 44,03 ‘incl. B.T.W.’ (bedoeld zal wel zijn: inclusief btw).

Het verweer behelst dat [gedaagde] van oordeel is dat CAK-BZ als bestuursorgaan zich niet gedragen heeft naar de beginselen van behoorlijk bestuur en ook verder in het exploot niet voldaan heeft aan de op haar rustende plicht tot substantiëring. Essentiële stukken ontbreken en zijn ook niet gereleveerd in het exploot. Omdat de bestuursrechtelijke basis onduidelijk is, valt niet in te zien dat CAK-BZ een bevoegdheid tot invordering van enig bedrag toekomt. Voor een renteclaim en voor een aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten ontbreekt in de ogen van [gedaagde] evenzeer de noodzakelijke basis.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen is zijdens CAK-BZ erkend dat ten aanzien van de bestuursrechtelijke basis van de civielrechtelijke vordering essentiële gegevens niet in het geding gebracht zijn, terwijl dit thans ook niet meer mogelijk is. CAK-BZ heeft noch bij die gelegenheid noch later in de procedure met zoveel woorden de bij faxbrief van 19 oktober 2010 23:26 uur ingediende documentatie uitdrukkelijk tot onderdeel van de processtukken gemaakt. Zij heeft deze ook niet van een toereikende toelichting voorzien (schriftelijk noch mondeling ter zitting van 27 oktober 2010). [gedaagde] heeft ter zitting van 27 oktober 2010 niet met zoveel woorden betwist dat hij mettertijd (in 2008) thuishulp van de Stichting GroeneKruisDomicura ontvangen heeft en hij heeft daartegenover ook niet - laat staan met stelligheid - naar voren gebracht enige betaling (eigen bijdrage) verricht te hebben.

b. de beoordeling

Hoewel de wijze van procederen van CAK-BZ alleszins een totale afwijzing van haar vordering zou rechtvaardigen wegens evidente schending van artikelen 21 en 111 Rv, in lijn met hetgeen de kantonrechter te Sittard oordeelde in zijn vonnis van 23 september 2009 (LJN: BJ9117 of NJF 2009,474), komt het de kantonrechter na de zitting van 27 oktober 2010 passend voor om in deze zaak ten dele anders te oordelen.

[gedaagde] heeft weliswaar gelijk als hij CAK-BZ voorhoudt dat pas van een solide civielrechtelijke vordering sprake kan zijn als de bestuursrechtelijke weg ten volle afgelegd is en over de daarop gezette stappen geen ruimte voor twijfel bestaat, maar anderzijds laat hij de mogelijkheid open dat hem destijds wel beschikkingen tot heffing van een bijdrage voor verleende zorg of verstrekte hulpmiddelen en voorzieningen krachtens de Algemene wet bestuursrecht gestuurd zijn. Vaststaat dat hij daartegen geen rechtsmiddel ingesteld heeft.

Het kan dus heel goed zijn dat een en ander verder aan zijn aandacht ontsnapt is en dat (ook) aan zijn kant stukken in het ongerede geraakt zijn. Omdat [gedaagde] ook niet nadrukkelijk volhardt bij de betwisting van (de omvang van) de hieruit resulterende civielrechtelijke verplichting, de optelsom van een reeks eigen bijdragen tot een totaal van € 151,00, is het aanvaardbaar om hem tot betaling van dit bedrag te veroordelen.

Uit geen van de stellingen van CAK-BZ valt echter overtuigend af te leiden dat voorafgaand aan dagvaarding sprake was van betalingsverzuim aan de zijde van [gedaagde], zodat het intreden van zulk verzuim eerst per 3 augustus 2010 aangenomen kan worden en wel als gevolg van de daad van dagvaarding. Een en ander heeft allereerst tot gevolg dat geen vervallen rente tot die datum toegewezen kan worden, zodat rente eerst verschuldigd is vanaf 3 augustus 2010. Maar logisch vloeit hier ook uit voort dat de inspanningen van of namens CAK-BZ om buiten rechte tot betaling te geraken, niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat de proceskosten voor haar rekening dienen te blijven. Er is immers zowel buiten als in rechte per saldo prematuur of zonder adequate vermogensrechtelijke basis gehandeld, zelfs als de vordering als zodanig opeisbaar was. Nog daargelaten dat CAK-BZ, althans haar gemachtigde, de vermeende inspanningen veel te abstract en te globaal bespreekt om daaruit conclusies te kunnen trekken over de redelijke noodzaak en de redelijke omvang van incassowerkzaamheden en daarop betrekking hebbende kosten.

Voor zover CAK-BZ zich ter zake van vermeend verzuim al op enig stuk beroepen heeft, deed zij dit in globale zin en zag zij over het hoofd dat in ieder geval de (zonder toelichting gebleven) facturen (als zij al deel uitmaken van het procesdossier) geen fataal te achten betalingstermijn bevatten en dat zij ook nog eens een concrete verzuimdatum had dienen te noemen. Voorts heeft zij nagelaten te stellen en aan de hand van stukken te adstrueren dat verzuim eventueel langs andere weg, in het bijzonder ingebrekestelling, ingetreden is.

Al met al rechtvaardigt het voorgaande ook geen proceskostenveroordeling van CAK-BZ ten gunste van [gedaagde], omdat deze laatste zich bewust heeft moeten zijn van het bestaan van een opeisbare vordering van eerstgenoemde. Hij had dus adequater kunnen handelen dan hij gedaan heeft om invordering in rechte voor te zijn of te voorkomen. Volledige compensatie van de proceskosten ligt aldus het meest voor de hand.

BESLISSING

[gedaagde] wordt veroordeeld om aan CAK-BZ tegen bewijs van kwijting een bedrag van

€ 151,00 te betalen, met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2010.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.