Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5191

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
388043 CV EXPL 10-3483
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over betaling erfpachtcanon, maar eigenlijk over de - impliciet - met betaling van een bedrag gelijk aan de hoofdsom verrekende vervallen rente en buitengerechtelijke kosten (art. 6:44 BW). Gemeente Maastricht verzuimt echter de grondslagen van bijkomende vorderingen naar behoren uiteen te zetten en te onderbouwen (en om deze nevenvordeirngen anderszins naar omvang inzichtelijk te maken). Zelfs het intreden van betalingsverzuim is niet gesteld en geadstrueerd.

In de visie van Gemeente resterende vordering integraal afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer 388043 CV EXPL 10-3483

Vonnis van 26 januari 2011

in de zaak van

de publieke rechtspersoon GEMEENTE MAASTRICHT,

zetelend te Maastricht,

verder ook te noemen: Maastricht,

eisende partij,

gemachtigde: een onbekend gelaten natuurlijke persoon ten kantore van “Cannock Chase Incasso B.V.” te Den Haag

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

in persoon procederend.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Maastricht heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 29 juli 2010 in rechte betrokken ter zake van een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee een reeks onder drie productienummers bijeengebrachte fotokopieën betekend is (ook het exploot is uitgebracht op - slecht - gefotokopieerd papier).

[gedaagde] heeft - na gevraagd en verkregen uitstel - schriftelijk geantwoord, overigens zonder zijn antwoord van een handtekening te voorzien.

Vervolgens hebben partijen voor repliek respectievelijk dupliek geconcludeerd.

Maastricht repliceerde zonder ook deze keer de naam van haar gemachtigde te noemen en onder toevoeging aan haar eigen naam van de verder niet uitgelegde vermelding “OBM”.

[gedaagde] concludeerde wederom zonder het stuk van een handtekening te voorzien.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

Maastricht vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 1.129,58, nog te vermeerderen met de wettelijke rente over het geheel vanaf 29 juli 2010 (de datum van dagvaarding) tot de datum van algehele voldoening en onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

Zij baseert haar vorderingen - samengevat - op een overeenkomst van erfpacht krachtens welke [gedaagde] een canon van € 5.835,12 aan haar verschuldigd geworden is, welk bedrag weliswaar buiten rechte door [gedaagde] voldaan is, maar zonder de volgens Maastricht inmiddels verschuldigde vervallen rente ad € 259,68, buitengerechtelijke kosten ad € 731,01 en ‘BTW BGK’ (waarmee kennelijk bedoeld is: btw over die kostenpost) ad € 138,89.

In voortgezet debat weerspreekt Maastricht de stelling van [gedaagde] dat hem medegedeeld was dat hij voorlopig de canon niet behoefde te betalen en volhardt zij bij de opvatting dat [gedaagde] dient op te draaien voor ’kosten’ (vermogensschade als gevolg van inschakeling van incassogemachtigde) en ‘bijkomende kosten’ (van procederen).

Het ondanks afwezigheid van handtekeningen onder de processtukken aan [gedaagde] toe te rekenen verweer in twee ronden strekt ertoe te betogen dat betrokkene zich geen kosten en rente verschuldigd acht. Hij heeft het overigens bij antwoord en dupliek over bedragen van respectievelijk € 1.324,51 en € 990,66 die niet uit de processtukken zelf te herleiden zijn, terwijl hij ook het woord ‘legeskosten’ in de mond neemt dat - als de kantonrechter het goed ziet - niet onder de geschilpunten te rangschikken valt. Verder doet hij er een beroep op dat op tijd betaald is (mede wegens hernieuwde metingen door het Kadaster, bij welke gelegenheid medegedeeld was dat [gedaagde] ‘voorlopig niet hoefde te betalen’) en dat het bovendien voor het eerst was dat de bewoners van het ‘[naam]’ zelf de rekeningen dienden te betalen voor de standplaatsen in plaats van dat dit liep via een vorm van verrekening tussen diverse gemeentelijke diensten of afdelingen.

b. de beoordeling

Gelet op het feit dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat aan alle verplichtingen voldaan is en dat geen restanthoofdsom openstaat, zal de kantonrechter kritisch dienen te toetsen of Maastricht op goede gronden van opvatting is jegens [gedaagde] (ook) recht te hebben (gehad) op vervallen rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten plus btw op een moment dat deze tot betaling van € 5.835,12 overging. Volgens [gedaagde] voldeed hij immers met die in zijn visie tijdige betaling de complete hoofdsom. Volgens de gemeente, wier gemachtigde dit niet met zoveel woorden zegt doch klaarblijkelijk wel beoogt te impliceren, zijn met de bewuste betaling langs de weg van artikel 6:44 BW in de eerste plaats bedragen van respectievelijk € 869,90 en € 259,68 aan buitengerechtelijke kosten en vervallen rente verrekend, zodat de som daarvan als restanthoofdsom is blijven openstaan. Geheel daargelaten de onnavolgbare wijze waarop Maastricht of haar gemachtigde deze twee bedragen berekend of bepaald heeft, moet geconcludeerd worden dat uit de eigen stellingen niet te herleiden valt dat Maastricht op deze twee posten recht kan of kon doen gelden. Ten aanzien van het intreden van betalingsverzuim aan de zijde van [gedaagde], noodzakelijke voorwaarde voor zowel een rentevordering als een vordering tot vergoeding van buiten rechte gemaakte kosten, is immers in het geheel niets gesteld. Het woord ‘verzuim’ komt in het exploot van dagvaarding noch in de repliek voor. Laat staan dat Maastricht zulk verzuim verbijzonderd heeft naar datum en rechtsgrond en waar mogelijk gedocumenteerd. De wel genoemde opeisbaarheid van een gefactureerde erfpachtcanon is daartoe net zo min toereikend als de vermelding dat [gedaagde] ‘toerekenbaar tekort geschoten’ is in de nakoming van zijn verplichting tot betaling. Daarbij gaat het immers hoogstens om noodzakelijke doch niet voldoende voorwaarden voor verzuim als bedoeld in de artikelen 6:81 e.v. BW. Ook de vermelding dat Maastricht zich ‘genoodzaakt’ zag ‘haar vordering ter incasso uit handen te geven’, doet er niet aan af dat in fundamentele zin de op Maastricht rustende gemotiveerde stelplicht veronachtzaamd is: aan een essentiale voor twee nevenvorderingen is niet voldaan. Als het al zo is dat het ingeschakelde incassobureau werkzaamheden verricht heeft die normaliter voor vergoeding in aanmerking komen, kan daarvan in dit geval geen sprake zijn omdat bij gebreke van verzuim eerder dan per datum dagvaarding (intredend als gevolg van die daad van dagvaarding zelf) incasso zinledig was. Maastricht mocht er ook niet op vertrouwen dat de kantonrechter dit gebrek in de stelplicht zou helen, al dan niet door in de processtukken zelf onbesproken gelaten producties in de overwegingen te betrekken.

Zo iets zou neerkomen op een vorm van niet toegelaten rechterlijke aanvulling van feiten en rechtsgronden.

Omdat [gedaagde] op een niet geconcretiseerd moment, maar kennelijk ergens in juli of augustus 2009 dus ruimschoots voor dagvaarding, het bedrag in hoofdsom van € 5.835,12 voldaan heeft, komt Maastricht aldus in het geheel niets meer toe. Dat was ook ten tijde van dagvaarding het geval. Volledige afwijzing van de vordering impliceert dat Maastricht in de proceskosten verwezen wordt. Aan de zijde van [gedaagde] worden de kosten bepaald op nihil.

BESLISSING

De vordering wordt integraal afgewezen.

Maastricht wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.